Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • it-2 ‘Stoïcijnen’
  • Stoïcijnen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Stoïcijnen
  • Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Vergelijkbare artikelen
  • Stoïcijnen
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Het oude Griekenland — Bakermat van de filosofie
    Ontwaakt! 1973
  • Aantekeningen Handelingen — Hoofdstuk 17
    Nieuwewereldvertaling van de Bijbel (studie-uitgave)
  • ‘God zoeken (...) en hem ook echt vinden’
    ‘Geef grondig getuigenis over Gods Koninkrijk’
Meer weergeven
Inzicht in de Schrift, Deel 2
it-2 ‘Stoïcijnen’

STOÏCIJNEN

(stoïci̱jnen).

Filosofen met wie Paulus in contact kwam toen hij op de marktplaats van Athene predikte. Hoewel hun ideeën mettertijd iets veranderden, geloofden zij in wezen dat materie en kracht (het laatstgenoemde werd soms voorzienigheid, de rede of God genoemd) de elementaire beginselen in het universum waren. Voor de stoïcijnen waren alle dingen, zelfs ondeugden en deugden, stoffelijk. Aangezien zij niet in God als een Persoon geloofden, dachten zij dat alle dingen deel uitmaakten van een onpersoonlijke godheid en dat de menselijke ziel uit die bron voortsproot. Omdat zij dachten dat de ziel bij de dood van het lichaam voortleefde, geloofden sommige stoïcijnen dat de ziel ten slotte met het universum vernietigd zou worden, terwijl andere meenden dat de ziel uiteindelijk weer in deze godheid zou opgaan. Om het hoogste doel, geluk, deelachtig te worden, moet de mens volgens de stoïcijnen zijn rede gebruiken om de wetten waardoor het universum wordt beheerst te begrijpen en in overeenstemming met deze rationele ordening te leven. Voor hen betekende een deugdzaam leven leiden derhalve ’in harmonie met de natuur leven’. De waarlijk wijze man was volgens hun opvatting ongevoelig voor pijn of genot, en rijkdom of armoede en dergelijke konden hem niet deren. Zij dachten dat de menselijke aangelegenheden door het noodlot werden beheerst en dat ingeval problemen onoverkomelijk leken, er niets op tegen was om zelfmoord te plegen.

Na eerst enige tijd met de cynici verbonden te zijn geweest, stichtte Zeno van Citium (Cyprus) omstreeks 300 v.G.T. deze zelfstandige filosofenschool. Zijn discipelen werden stoïcijnen genoemd naar de Stoa poikilè, een met muurschilderingen gesierde zuilengalerij in Athene, waar hij onderwees. De stoïsche filosofie werd vooral door Cleanthes en Chrysippus verder ontwikkeld en verwierf grote aanhang onder zowel Grieken als Romeinen, zoals onder meer Seneca, Epictetus en de Romeinse keizer Marcus Aurelius. Ze had haar bloeitijd tot ongeveer 300 G.T.

Net als de epicuristen geloofden de stoïcijnen niet in de door de christenen onderwezen leer van de opstanding. Toen Paulus dus het goede nieuws over Jezus en de opstanding bekendmaakte, noemden zij hem een „babbelaar” en zeiden dat hij „een verkondiger van vreemde godheden” scheen te zijn. Toen Paulus naderhand naar de Areopagus was gevoerd, citeerde hij geschriften van de stoïcijnen Aratus van Cilicië (uit diens Phaenomena) en Cleanthes (uit diens Zeushymne), doordat hij zei: „Want door [God] hebben wij leven en bewegen wij ons en zijn wij, zoals ook sommigen van de dichters onder u hebben gezegd: ’Want wij zijn ook zijn nageslacht.’” — Han 17:17-19, 22, 28.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen