Religie in gebreke gebleven de jongeren met haar boodschap te bereiken
ER ZIJN heden ten dage heel wat jongeren die de waarde van reeds generaties lang aanvaarde opvattingen in twijfel trekken. Zij zien niet in dat het hebben van meer materiële bezittingen dan de buurman — een grotere auto of een weelderiger ingericht huis — een waardevol levensdoel is.
Velen verwerpen een materialistische maatschappij die vaak veel te snel geneigd is iemand te beoordelen naar de hoeveelheid geld die hij bezit, in plaats van naar zijn persoonlijkheid of zijn doen en laten. Sommigen verwerpen zelfs het kledingpatroon waardoor men wordt geïdentificeerd als een deel van de welvarende, gevestigde maatschappij, die, naar zij menen, de armen en behoeftigen onderdrukt.
Zij zien de onrechtvaardigheden in de wereld en de onwaarachtigheid en huichelarij van de materialistisch ingestelde kerken. Veel jongeren vinden de kerken van hun ouders meer lijken op gezelligheidsverenigingen.
Zij bemerken, zoals de methodistenpredikant C. M. Smith in zijn boek The Pearly Gates Syndicate („Het syndicaat van de parelen poorten”) opmerkt, dat veel mensen „een religie aanhangen om redenen die niets met een verlangen naar iets geestelijks te maken hebben — omdat het populair is, sociale voordelen biedt, een bron is van veelbelovende handelscontacten, het nu eenmaal zo hoort, of om een aantal andere, misschien prijzenswaardige maar nu niet direct geestelijke redenen”.
Deze feiten zijn de zeer kritisch ingestelde en scherp waarnemende jeugd van deze tijd niet ontgaan. Het tijdschrift Time spreekt erover dat tot de „Jezusbeweging” bekeerde personen vaak „kleinerend spreken over de gladde taal of huichelarij in hun voormalige kerken”.
„Amerika sterft een geestelijke hongerdood”, zegt Joseph Laiacona, een voormalig rooms-katholiek seminarist, die zich bij een van de „Jezus-communes” in de staat New York heeft aangesloten.
Dr. Norman Vincent Peale, een vooraanstaand protestants geestelijke, merkt in een artikel in Reader’s Digest op: „Jarenlang hebben wij toegekeken hoe er onder onze jonge mensen een geestelijk vacuüm groeide.” De kerken verschaften „arme kost voor de geestelijk van honger stervenden”, zo vervolgt hij. „’Schiet op’, zeiden wij tot hen. ’Neem een bad. Knip je haar. Trek normale kleren aan. Aanvaard onze waardebepalingen. Kom dan terug, dan zullen wij met je praten.’”
De kerken gingen zich meer bezighouden met de sociale problemen in de wereld dan met het „Christelijke evangelie van redding”, gaf een bekend katholieke priester, F. J. Sheen, toe. „Toen op de kansels niet langer die naam ’hoog boven alle namen’ weerklonk, gingen de jongeren zichzelf ’Jezus-kinderen’ noemen.”
Deze jonge mensen vragen zich af: „Welke bevrediging geeft een huis, een nieuwe auto en een carrière, als je alleen maar leeft om te sterven en de gehele mensheid niet meer dan 20 minuten van de algehele vernietiging afstaat?” Niemand wil dat het hele menselijke ras in niet meer dan twintig minuten in een atoomvuurzee wordt weggevaagd. „Niemand wil geloven dat zijn leven geen zin heeft”, zo zeggen zij, eraan toevoegend: „Jezus is zin.”
De hedendaagse „gevestigde” religies staan met hun ene been in de ene en met hun andere been in de andere wereld. Zij beweren Jezus te volgen, maar zijn betrokken bij het wereldse sociale en politieke leven. En zij eisen beslist geen gehoorzaamheid aan de strikte beginselen die Jezus zijn volgelingen op het gebied van de moraal, de eerlijkheid, de leer en de ijver heeft gegeven.
Het betrokken-zijn van de kerken bij niet-bijbelse kwesties, heeft ze verwijderd van de onderwijzingen die de vroege christenen — die leefden in de dagen van Jezus en kort daarna — tot grote ijver aanspoorden. Veel jongeren hebben in de hedendaagse kerken maar weinig gevonden wat hen ertoe zou bewegen ermee verbonden te blijven. Sommigen hebben religie afgezworen als „iets onbelangrijks en huichelachtigs”. De „Jezus-kinderen” beklemtonen het feit dat zij niet naar „de religie” terugkeren, maar naar „Jezus”.a
Waarom aantrekkelijk?
Wat trekt vele personen zo tot deze beweging aan? Bij de „Jezusbeweging” geeft men er niet om hoe iemand eruitziet of hoe hij is gekleed. Sommigen van hen — hetzij de bedienaren of leden van hun kudde — gaan er in het bijzonder op uit om bij deze jongeren belangstelling op te wekken, en of iemand nu wel of geen hemd of sokken aan heeft, maakt hun niets uit.
Soms wordt de dienst geleid door een jongere die, zoals hij zegt, vóór die tijd drugs heeft gebruikt, maar heeft ontdekt dat druggebruik „niet dat brengt wat het belooft”. Jonge mensen die naar God verlangen laat men zich thuisvoelen. En daar zij van gezelschap houden en graag anderen helpen, nemen zij hun vrienden mee.
Nog iets wat deze jonge mensen aantrekt, is de mogelijkheid tot deelneming. Zij mogen klappen en zingen. Sommigen heffen hun armen kreunend ten hemel. Zij leggen „getuigenissen” af over hoe zij prostitutie, het gebruik van drugs, of andere verdorven praktijken hebben afgezworen.
Veel mensen zouden verbaasd staan als zij zouden zien met welk een belangstelling grote groepen jongelui luisteren naar de bespreking van een bijbelboek, als bijvoorbeeld Hosea — en over de moeite die er wordt gedaan om wat men hoort in zijn leven toe te passen. De belangstelling voor bijbeluitleg is geweldig groot; het betekent slechts dat de kerken in gebreke zijn gebleven in deze behoefte te voorzien, zodat vele jongeren zich nu tot half-juiste uitleggingen wenden, niet wetend waar iets beters te vinden is.
Maar wat is er verkeerd aan de uitleggingen? En bestaat er iets beters?
[Voetnoten]
a In een van hun Jezus-stripboeken biedt de ene jongere de andere het een of andere verdovende middel („reds”) aan. Het gesprek verloopt als volgt: „Mot je wat reds?” „Nee man ik heb iets beters!” „Wat dan?” „Jezus!” „O, religie.” „Nee man, Jezus!”