Wat bepaalt de richting die de religie inslaat?
DOOR de oorlog in Vietnam eerst goed te praten, hebben de kerken veel mensen ertoe gebracht te denken dat het juist was erin mee te vechten. Thans echter veroordelen sommige religieuze organisaties en hun leiders de oorlog. Zij verklaren dat het deelnemen eraan niet juist is.
Waarom die ommekeer? Leiden de kerken hun leden thans naar een leven overeenkomstig de bijbelse leer? Of zijn er andere factoren die bepalen welke leiding de religie verschaft?
In de Oregon Journal werd onlangs opgemerkt dat ’geestelijken alleen maar met de massa meegaan’.22 Toen daarom het volk weinig tegen de oorlog gekant was, verleenden de kerken er hun steun aan, maar toen het volk een afkeer kreeg van het steeds maar aanhoudende vechten en bloedvergieten, toen pas begon ook de geestelijkheid tegen de oorlog in opstand te komen.
A. Munson, redacteur van de United Methodist, een publikatie van de methodistische Kerk, verklaarde:
„Een opeenhoping van vuile zaakjes zoals My Lai, plus de beste oorlogsberichtgeving in de geschiedenis hebben hun invloed gehad op de hele natie en de kerk sluit zich ten slotte aan bij de anti-oorlogsstemming. . . . Sedert 1965 lopen de schattingen betreffende de burgerslachtoffers in Vietnam van 1 tot 4 miljoen mannen, vrouwen en kinderen, maar de kerken zijn nu pas begonnen hun afschuw erover uit te spreken.”23
Ja, pas toen de oorlog ’impopulair’ begon te worden, werd de roep om „vrede” van de kant van de religie hoorbaar. Men heeft wel opgemerkt dat kerken vaak eerst bepalen wat op het moment populair is en dan hun standpunt dienovereenkomstig innemen. R.J. McCracken, een geestelijke in de stad New York, gaf toe: „Wij zorgen er wel voor geen standpunt in te nemen voordat wij weten uit welke hoek de wind waait.”24
Een poging consequente leiding te tonen
De katholieke Kerk wees er onlangs op dat ze haar standpunt inzake de oorlog niet heeft veranderd. Ze verklaart dat de katholieke leiders nooit de oorlog in Vietnam hebben gesteund. Deze verklaring stond in een document dat verleden jaar werd vrijgegeven door de Katholieke Conferentie van de V.S. (USCC), de administratieve afdeling van de Nationale Bisschoppenconferentie.
Toch zeggen zelfs vooraanstaande katholieke theologen dat de bisschoppen de oorlog eerder hebben gesteund dan dat zij ertegen in opstand zijn gekomen. Omstreeks dezelfde tijd dat het USCC-document werd vrijgegeven, schreef de katholieke priester P.J. Riga, hoogleraar in de theologie aan het La Salle College, zelfs het volgende:
„Wegens hun volslagen gebrek aan moreel leiderschap in de grootste morele strijdvraag van onze tijd, zouden deze Amerikaanse katholieke bisschoppen, die deze oorlog hebben gesteund (ongeveer 95 percent) en masse hun ambt moeten neerleggen want zij zijn er niet langer bekwaam voor; . . . hij aan wiens handen bloed kleeft, is niet bekwaam voor de bediening. Ik zeg dat er aan de handen van de Amerikaanse bisschoppen bloed kleeft, doordat zij op moreel gebied hebben gefaald.”25
Gaat u zich door zulke beschuldigingen van katholieken zelf niet afvragen in hoeverre dat wat de bisschoppen hebben gepubliceerd, waarheidsgetrouw is?
De waarheid verkeerd voorgesteld
In Commonweal, een katholiek tijdschrift, werd deze aangelegenheid besproken. De schrijver, de katholieke hoogleraar en socioloog G. Zahn, zei na bestudering van het USCC-document:
„Ik moet het aan de kaak stellen als een klaarblijkelijk weloverwogen poging om, door middel van een sterk selectieve benadering van de geschiedenis, de valse indruk te wekken dat de officiële leiding van de kerk een bron van voortdurende, ofschoon, voorzichtigheidshalve, gematigde oppositie tegen de oorlog is geweest.”26
Dat men in het document de geschiedenis „sterk selectief” heeft benaderd, blijkt bijvoorbeeld uit de afwezigheid van beweringen van katholieke leiders die zich vóór de oorlog hebben uitgesproken. Het meest kenmerkend is wel het weglaten van de uitspraken van wijlen kardinaal Spellman.
In werkelijkheid zijn de verklaringen door kerkelijke leiders ten gunste van de oorlog, welke in dit document zijn weggelaten, zo talrijk dat Commonweal opmerkte: „Men vermoedt dat de onderzoekers van de USCC alleen al uit de archieven van het aartsbisdom van New York minstens evenveel bisschoppelijke verklaringen ten gunste van de oorlog hadden kunnen verzamelen.”27
Al dit bewijsmateriaal werd echter opzettelijk weggelaten! Toch zou het volgens Commonweal „gewoon maar eerlijk” zijn geweest ook zulke verklaringen op te nemen, „hoe pijnlijk ze ook thans mogen blijken, nu het volledig immorele van die oorlog voor allen zichtbaar is”.28
Blijkt hieruit niet dat het USCC-document een duidelijke poging is het verslag uit te wissen over de vroegere ondersteuning die de religie heeft verleend aan wat thans een impopulaire oorlog is? U staat wellicht versteld over zulk een oneerlijkheid.
Wat bepaalt de richting van de religieuze leiding?
Het is waar dat geestelijken vaak uit de bijbel preken over ’vrede op aarde’ en ’liefde voor de naaste’. U zult om die reden waarschijnlijk zonder meer hebben aangenomen dat de religie de mensheid naar een leven in harmonie met de bijbelse leer leidt en afkeert van oorlog en geweld.
Het is echter een vergissing om alleen te beschouwen wat de religie zegt. Het is juist van het allergrootste belang ook te onderzoeken wat de religie in werkelijkheid doet. Wat doet de religie nu wanneer de leiders van een natie besluiten in het belang van hun land een oorlog te voeren?
Wijzen de kerken onder zulke omstandigheden op Jezus’ woorden: „Hieraan zullen allen weten dat gij mijn discipelen zijt, indien gij liefde onder elkaar hebt”? (Joh. 13:35) Leggen zij hun leden uit dat oprechte christelijke liefde niet door nationale grenzen wordt beïnvloed? Stellen zij duidelijk dat alle ware volgelingen van Christus elkaar liefhebben, ongeacht het land waarin zij wonen of het ras waartoe zij behoren?
Wijzen de kerken hun leden ook nadrukkelijk op de woorden van Jezus’ apostel Johannes: „Dat wij liefde voor elkaar moeten hebben; niet zoals Kaïn, die uit de goddeloze voortsproot en zijn broer vermoordde”? (1 Joh. 3:10-12) Verklaren zij dat het doden van medemensen op het slagveld en vooral het doden van medegelovigen niet het betonen van naastenliefde is? Zetten zij uiteen dat degene die dit wel doet, in feite „de goddeloze”, Satan de Duivel, dient?
Het is volkomen duidelijk dat als natiën zich op oorlog voorbereiden, de kerken zulke bijbelse leerstellingen terzijde schuiven. Een welbekende protestantse geestelijke, wijlen H. Emerson Fosdick, erkende:
„In onze westerse geschiedenis is er de ene oorlog na de andere geweest. Wij hebben mannen voor de oorlog voortgebracht, mannen voor de oorlog opgeleid, wij hebben de oorlog verheerlijkt; wij hebben strijders tot onze helden gemaakt en zelfs in onze kerken hebben wij de krijgsbanieren neergezet . . . Met de ene mondhoek hebben wij de Vredevorst geëerd en met de andere hebben wij de oorlog verheerlijkt.”29
Het is een feit dat niet hetgeen de bijbel zegt, maar wat nationale leiders zeggen en wat op het moment bij het volk populair is, bepaalt welke richting de religie inslaat. In een redactioneel commentaar op de oorlog in Vietnam, werd in de Vancouver Sun opgemerkt: „Het is een zwakheid van bijna alle georganiseerde religies dat de kerk de vlag volgt . . . Werd er ooit een oorlog gevoerd waarin niet beide kanten beweerden dat God aan hun zijde stond?”30
Worden alleen „rechtvaardige oorlogen” ondersteund?
Het excuus dat de kerken vaak aanvoeren voor het ondersteunen van de oorlogen van hun land is, dat de zaak van hun land rechtvaardig is — het voert alleen „rechtvaardige oorlogen”. Daarom, zo beweert men, is het de plicht van de religie om de nationale oorlogsinspanningen te ondersteunen.
Denk hier echter eens een ogenblik over na. Wordt niet door elk land dat in een oorlog betrokken raakt, beweerd dat zijn zaak „rechtvaardig” is? Het is precies zoals in een onlangs uitgegeven encyclopedie wordt opgemerkt: „De motieven voor een oorlog mogen zelfzuchtig, laag of zelfs goddeloos zijn, de redenen die worden aangevoerd zijn gewoonlijk verheven en edel. Beide zijden in een oorlog kunnen naar hun mening deugdelijke redenen aanvoeren.”31
Zo kunnen dus op grond van wat men als „deugdelijke redenen” beschouwt, alle landen, zelfs wanneer de bevolking van die landen er volkomen tegengestelde zienswijzen op na houdt, een wat men noemt „rechtvaardige oorlog” voeren. Het patriottisme bloeit, de kerken worden meegesleept, en elke religie ’volgt de vlag’. De vooraanstaande protestantse kerkleider Martin Niemöller zei eens dat het sedert de dagen van de Romeinse keizers in de christenheid altijd zo is gegaan. „De kerk heeft nooit een onrechtvaardige oorlog gekend,” zo verklaarde hij, „maar ze heeft altijd de oorlogen gerechtvaardigd die door haar eigen vorst en staat werden gevoerd.”32
De katholieke historicus E.I. Watkin schreef:
„Hoe pijnlijk het ook is om te moeten erkennen toch kunnen wij niet in het belang van valse stichtelijkheid of oneerlijke loyaliteit het historische feit loochenen of negeren dat de bisschoppen voortdurend alle oorlogen die door de regering van hun eigen land zijn gevoerd, hebben ondersteund. Ik ken feitelijk geen enkele gelegenheid waarbij een nationale hiërarchie een oorlog als onrechtvaardig heeft veroordeeld . . . Hoe de officiële theorie ook mag luiden, in de praktijk hebben de katholieke bisschoppen in oorlogstijd de stelregel gevolgd van ’mijn land heeft altijd gelijk’. . . . Zij zijn waar het strijdlustig nationalisme betrof de spreekbuis van caesar geweest.”33
Is het werkelijk waar dat de kerken „voortdurend alle oorlogen die door de regering van hun eigen land zijn gevoerd, hebben ondersteund”? Heeft religie zich slechts als een macht ten goede voorgedaan, maar in werkelijkheid steun verleend aan oorlog en geweld? Wat onthullen de historische feiten?