God dienen met geheel mijn hart en kracht
Zoals verteld door Irma E. Friend
TOEN ik nog heel jong was, luisterde ik altijd met onverdeelde aandacht naar mijn grootvader, die ons urenlang bijbelse verhalen kon vertellen. Ik leerde God en Christus liefhebben en respecteren en ook begon ik degenen die jaren van hun leven aan het dienen van God schonken, steeds meer te waarderen. Binnen in mij groeide het verlangen God met al mijn tijd en alles wat ik had te dienen. Mijn oom en tante die als zendelingen in India dienden, kwamen om de vier jaar thuis, en als zij over hun ervaringen vertelden, hing ik aan hun lippen. Ik meende dat ik op zijn minst als verpleegster bij de zending kon gaan werken.
Ik was net in mijn tienerjaren toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Wij woonden in het neutrale Zwitserland, waar moeder en ik, net als vele anderen, warme sokken en wanten breiden voor de soldaten aan beide kanten van het front. Ons hart deed pijn als wij aan de mannen dachten die gedwongen werden elkaar te bevechten en te doden en die daarbij een land verwoestten dat eens zo vredig en mooi was geweest.
Als tiener was ik enige tijd ziek en aan bed gekluisterd. Onze predikant stelde voor dat ik wat van mijn tijd zou gebruiken om de bijbel te lezen. Mijn broer maakte een speciale lessenaar om er onze grote familiebijbel op te laten rusten, zodat ik hem gemakkelijk in bed kon lezen, en dit bleek een heel goede manier te zijn om de lange dagen door te brengen.
In het voorjaar van 1917 lagen zowel mijn moeder als ik op bed, mijn moeder, omdat zij een ernstige hartaanval had gehad. Onze protestantse predikant kwam vaak op bezoek, en ik vroeg hem dan over het Koninkrijk waar wij om hadden leren bidden: „Uw koninkrijk kome.” Hij antwoordde dat het Koninkrijk binnen in ons was. Maar dit kon ik niet aanvaarden, want dan moest men ook van de vele miljoenen die aan het internationale conflict deelnamen veronderstellen dat het Koninkrijk binnen in hen was.
In de maand juli van dat jaar stierf mijn geliefde moeder. Ik was gebroken van smart. Vader nam mij mee de stad uit en bracht mij naar een liefelijke vallei. Toen ik daar in een sanatorium voor jonge meisjes kwam en mijn vader en zuster weggingen, werd mijn verdriet nog erger. Hoewel de meisjes erg vriendelijk voor mij waren, bleef ik maar huilen. Om van iedereen weg te komen, liep ik het terrein over en ontdekte een tuinhuisje waar ik mij kon terugtrekken.
LICHT IN DE DUISTERNIS
Ik zat snikkend aan een tafel, met mijn hoofd begraven in mijn armen. Toen raakte een zachte hand mijn schouder aan en een vriendelijke stem troostte mij over het verlies van mijn moeder. „Je zult je moeder weer in Gods koninkrijk terugzien”, verzekerde mij het meisje van veertien jaar aan wie de stem toebehoorde. Onmiddellijk was mijn belangstelling gewekt. Hoe wist zij dat? vroeg ik mij af. Dus begon ik vragen te stellen, en toen zij mij uitlegde over de opstanding en de andere beloften uit de bijbel klonk dat werkelijk wonderlijk vertroostend. Wij werden onafscheidelijk.
„Je moet tot zondag wachten als mijn moeder op bezoek komt”, zei zij tegen mij op die eerste dag. „Zij kan je hier werkelijk alles over vertellen, want zij behoort tot de Ernstige Bijbelonderzoekers.” Haar moeder kon dat werkelijk, en om de andere zondag lazen en studeerden wij met haar. In de tussenliggende weekeinden, als mijn familie op bezoek kwam, stonden zij verbaasd over de voortdurende vooruitgang die ik maakte. Toen ik uitlegde wat de voornaamste reden van mijn geluk was, brachten zij er niets tegen in, want zij waren maar al te blij dat ik weer gelukkig was.
Ik kan mij nog herinneren hoe de moeder van mijn vriendin het over Bethel (wat „huis van God” betekent) had; dat was en is nog steeds het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn, in de Amerikaanse staat New York. „Wat zou ik daar graag willen werken!” riep ik geestdriftig uit. Zij glimlachte en zei: „Het zou prachtig zijn als jij dat zou kunnen, maar het is te ver weg Irma, en zij hebben daar sterke, gezonde mensen nodig.” Niettemin was er een zaadje van hoop geplant, en dat schoot geleidelijk aan wortel.
Toen ik ten slotte uit het sanatorium kwam, bleef mijn vriendin mij geregeld opzoeken. Mijn familie mocht haar graag, en mijn vader vond het zelfs goed dat ik haar van tijd tot tijd in het afgelegen stadje waar zij woonde, opzocht. Dat waren voor mij ook gelegenheden dat ik de vergaderingen van de Bijbelstudenten kon bezoeken, want thuis moest vader nooit iets van „kleine sekten” hebben. Op dan duur begonnen mijn vader en ook mijn stiefmoeder echte tegenstanders te worden. Maar tegen die tijd was ik, zo jong als ik was, al vast overtuigd van mijn geloof.
DE OPDRACHT OPENT EEN NIEUW LEVEN
In oktober 1918 had ik mijn leven al aan God en zijn dienst opgedragen, maar wegens de bezwaren van mijn vader kon ik die nieuwe verhouding pas in 1920 door de doop symboliseren. Dat was ook het jaar dat ik aan Max Freschel werd voorgesteld. Hij heeft mij toen geweldig geholpen meer kennis van Gods wil en voornemen te verkrijgen. Later vroeg hij of ik er belangstelling voor had om op het Zwitserse Bethel te komen werken. Ik antwoordde dat dat al vanaf de eerste keer dat ik over Bethel had gehoord, mijn doel was geweest. Nog later vroeg hij mij of ik met hem wilde trouwen en samen met hem in de volle-tijddienst wilde werken. Twee wonderbaarlijke gebeurtenissen in dezelfde tijd! Wat was ik gelukkig!
Wij trouwden in oktober 1921, en spoedig daarna ontvingen wij een uitnodiging om op het bureau van het Wachttorengenootschap voor Midden-Europa in Zürich te dienen. Wij ontvingen nu vele voorrechten. De president van het Genootschap, J.F. Rutherford, en andere Amerikaanse broeders bezochten ons van tijd tot tijd, waardoor wij allen veel zegen en aanmoediging ontvingen. In 1925 verhuisden wij naar het nieuwe, pas gebouwde Bethelhuis in Bern, en daar hebben Max en ik bijna een jaar gediend. Wij denken nog vaak aan de geliefde medewerkers met wie wij daar hebben gewerkt. Velen van hen zijn nog gelukkig werkzaam op het Bijkantoor in Bern; anderen hebben hun hemelse beloning reeds ontvangen.
In mei 1926 bezocht broeder Rutherford het Zwitserse bijkantoor en terzelfder tijd bezochten wij allen een prachtig congres in Bazel. Er waren wat moeilijkheden en twisten onder de Zwitserse broeders geweest, maar Jehovah hield ons door zijn „getrouwe en beleidvolle slaaf” op het rechte pad. Spoedig daarna ontving mijn man per telegram voor ons beiden een uitnodiging om op het hoofdbureau in Brooklyn te komen werken. Kunt u zich onze vreugde voorstellen en de bereidheid waarmee wij reageerden? Het was natuurlijk niet gemakkelijk onze geliefde vrienden en verwanten in Zwitserland achter te laten, maar wij wisten dat wij, volgens de belofte van de Heer, aan de overkant van de oceaan veel meer broers, zusters, vaders en moeders en kinderen zouden krijgen. — Matth. 19:29.
Toen wij in juli 1926 met de boot in New York aankwamen, stond onze oude vriend Charlie Eicher ons daar op de pier op te wachten. En wat werden wij vriendelijk door broeder Rutherford en de kleine Bethelfamilie uit die tijd ontvangen! Hoewel ik heel gebrekkig Engels sprak, hoefde ik slechts naar de ogen van onze broeders en zusters te kijken om de warmte te zien waarmee zij ons welkom heetten. Het was voor een Zwitsers meisje in het begin niet makkelijk aan het roet van de stad New York te wennen. En ook voelde ik mij vaak eenzaam en had ik heimwee als Max weg was om als „pelgrim” — een speciale vertegenwoordiger van het Genootschap — te dienen. Maar ik bleef mijzelf inprenten dat ik nu op de plaats diende waar ik als kind al naar had verlangd.
Ik kreeg in die beginperiode heel veel aanmoediging van de Duits-sprekende medewerkers, maar toen begon ik snel Engels te leren en er ontwikkelden zich vele hechte vriendschappen. Eerst werkte ik samen met Alberta Ford. Wij maakten bedden op, namen stof af en schrobden samen. Zij deed het werk snel en handig, en zij moet in die begintijd wel heel veel geduld met mij hebben gehad. Haar ijver, haar toewijding aan Jehovah en haar sterke verlangen om haar broeders te dienen, waren voor mij een werkelijke bron van inspiratie. Tot haar dood in 1960 zijn wij altijd heel intieme vriendinnen gebleven.
Intussen vlogen de jaren van ons drukke, vreugdevolle leven op Bethel voorbij. Mijn man zegt altijd graag: „Wij hebben in ons leven nooit saaie of lege momenten gekend.” In 1941 werden wij Amerikaanse staatsburgers en mijn man veranderde zijn voornaam in Maxwell en onze achternaam in Friend (Vriend), door welke naam te kennen wordt gegeven dat het onze grootste wens is voor altijd een vriend van onze hemelse Vader en van zijn gehele gezin in hemel en op aarde te zijn.
EEN GELUKKIGE, TOEGEWIJDE DIENST OP GILEAD
In 1943 vroeg broeder Knorr, die toen president van het Genootschap was geworden, aan Maxwell of wij naar de mooie koninkrijksboerderij van het Genootschap in de buurt van Ithaca, in de staat New York wilden gaan; Maxwell zou daarheen gaan als docent van de pas geopende Gileadschool voor zendelingen, en ik om in de huishouding te werken. Het was moeilijk Bethel te verlaten, en ik heb er heel wat tranen om gelaten, maar wat lagen er grote zegeningen op ons te wachten! Na drukke weken van voorbereiding, kwamen de eerste studenten aan, en dat was het begin van zeventien hele drukke jaren op Gilead.
Wat een wonderbaarlijk voorrecht hebben wij genoten, vooral als ik bedenk dat wij met velen van deze geliefde en getrouwe volle-tijdbedienaren die hier kwamen om een opleiding voor zendeling te ontvangen, nauwe vriendschap hebben gesloten! Wat is het aanmoedigend zoveel jonge mannen en vrouwen enigszins te hebben kunnen helpen; jonge mensen die bereid waren hun huis, vrienden en gemakken achter zich te laten en zich in te spannen ten behoeve van mensen van allerlei rassen overal op aarde! Reeds vanaf het begin heb ik mij erin verheugd velen van hen persoonlijk te kennen en ik heb hen allen zeer lief. Hun ijver en toewijding hebben er zeer veel toe bijgedragen dat grote aantallen mensen in Jehovah en zijn Koning zijn gaan geloven en hen zijn gaan dienen!
Al die jaren heb ik rijke, voldoeninggevende voorrechten gesmaakt. Ik heb nooit een van de grote congressen behoeven te missen, en wat hebben die ons geen rijke zegeningen geschonken, met daarbij in de loop der jaren een grote menigte vrienden! Ik dank Jehovah altijd dat hij ons zo heeft gemaakt dat ondanks het grote aantal vrienden dat wij hebben, er in ons hart altijd nog plaats is voor meer.
NOG EEN VERANDERING, EN MEER VREUGDEN
Broeder Knorr, die op liefdevolle wijze onze gevorderde leeftijd in aanmerking nam, riep ons terug naar het hoofdbureau, naar Bethel, waar wij de vreugde mochten smaken met ons werk te kunnen doorgaan zonder te veel onder de last van verantwoordelijkheid gebukt te gaan. Weer was het pijnlijk onze vrienden te moeten verlaten, maar wij konden nu ten minste plannen maken om, zoals wij ook hebben gedaan, ieder jaar een „pelgrimage” naar die liefelijke plaats te maken.
Het werken op Bethel blijft voor mij een werkelijke vreugde. Het geeft bijzonder veel voldoening om met je gehele hart je krachten te kunnen geven aan het werk van Jehovah ten behoeve van zijn ijverige aanbidders. Daar ik weet hoe hard onze broeders en zusters op het kantoor en in de drukkerij werken, tracht ik altijd mijn uiterste best te doen hun kamers gezellig te maken, zodat zij na hun werk een aangename plek hebben om uit te rusten. Het is waar dat ik vaak lichamelijk vermoeid raak; maar iedere dag vernieuwt Jehovah onze kracht en als wij onze energie met gezond verstand op de juiste wijze aanwenden en een verstandig gebruik maken van de rustperiodes, is het verbazingwekkend hoe wij zelfs als wij ouder worden toch met ons werk kunnen blijven doorgaan.
Daar ik wel eens tob met mijn gezondheid, was het werk voor mij soms erg moeilijk; maar in zulke omstandigheden waren de opzieners erg vriendelijk en hartelijk voor mij en verschaften zij mij hulp wanneer dat ook maar nodig was. En in de moeilijke periodes was er altijd wel een of andere vriendelijke broeder die mij in zijn functie als dokter bijstond. Het is beslist waar dat Jehovah in al onze noden voorziet. Hij houdt zich aan zijn liefdevolle beloften als wij van onze zijde getrouw nakomen wat wij bij onze opdracht plechtig aan hem hebben beloofd. Het is veel en veel beter om ’aan de drempel in het huis van onze God te staan dan rond te gaan in de tenten van de goddelozen’. — Ps. 84:10.
De volledige toewijding van mijn geliefde echtgenoot aan Jehovah en zijn organisatie heeft er beslist toe bijgedragen deze vele jaren van volle-tijddienst tot gelukkige en voldoeninggevende jaren te maken. Hij is voor mij voortdurend een voorbeeld geweest. Ongeacht hoe groot een persoonlijk probleem ook leek, als ik het hem had verteld en er met hem over had gepraat, was het niet zwaar meer. Hij put nu eenmaal veel vreugde uit het dienen van Jehovah en is altijd tevreden met de plaats van dienst die hem wordt toegewezen, terwijl hij Jehovah en Jezus Christus daar als een nederige vriend dient. Hoe zou ik er ooit bezwaar tegen gehad kunnen hebben al die jaren toegewijd aan zijn zijde te dienen? In 1920 verzekerde ik hem dat ik het wilde en mijn gedachten zijn nog steeds niet veranderd.
Als ik moe ben, nadat ik heb gedaan wat ik kon, hoewel ik graag meer had willen doen, denk ik vaak aan Rebekka. Zij was blij aan Abrahams dienstknecht Eliëzer verfrissend water te kunnen aanbieden, en toen zijn dorst was gelest, wilde zij graag water voor zijn tien kamelen putten. Zij moet na al dat werk behoorlijk moe zijn geweest, maar zij was tevreden; en wat ontving zij geen geweldige beloning! Wij kunnen beslist een diepe tevredenheid voelen als wij hebben gedaan wat wij kunnen, zelfs al hebben wij niet alles gedaan wat wij graag hadden willen doen.
De voldoening die wij ervaren als wij doen wat wij kunnen, hetzij in de velddienst, hetzij in de zendingsdienst, hetzij in de gemeente of in de dienst op Bethel, is een geweldige beloning! Hoewel wij onnutte dienstknechten voor Jehovah zijn, is het werkelijk aanmoedigend erover na te denken dat hij zo goedgunstig is ons in de gelegenheid te stellen zijn medewerkers te zijn, hoewel ons aandeel zo oneindig klein is in vergelijking met alle gaven van goedheid die hij ten behoeve van ons aanwendt. — 1 Kor. 3:9.
Vanaf die gedenkwaardige dag in 1917, toen de stem en de hand van een jong meisje door Jehovah werden gebruikt om mij troost uit Gods Woord, de bijbel, te geven, is het altijd mijn wens geweest deze zelfde zegeningen ook naar andere mensen te brengen die daar behoefte aan hebben. Openbaring 21:1-4 is altijd een van mijn geliefdste teksten geweest en ik gebruik hem steeds om mensen in tijden van verdriet te troosten. Ik ben Jehovah zo dankbaar dat hij mij de noodzakelijke hulp heeft verschaft om, in plaats van in de zending als verpleegster te dienen, in deze bijzondere tijd een van de boodschappers van zijn Koninkrijk te zijn. Jehovah heeft de aangelegenheden beslist geleid en ik zal hem en zijn geliefde zoon, mijn Redder, en ook mijn broeders en zusters die mij zo liefdevol hebben geholpen om op de weg naar eindeloos leven en geluk te blijven wandelen, altijd dankbaar zijn.