Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g72 22/6 blz. 21-27
  • Ik ben een Australische inboorling

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik ben een Australische inboorling
  • Ontwaakt! 1972
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een rijke natuurkennis
  • De wildernis in
  • De boemerang
  • Geen produkt van evolutie
  • Ons sociale systeem
  • Hoe wij hier kwamen
  • Mijn leven als een van de Aboriginals van Australië
    Ontwaakt! 1982
  • De Australische Aborigines — Een uniek volk
    Ontwaakt! 1994
  • Komt hij werkelijk terug?
    Ontwaakt! 1987
  • Mijn liefde voor de aarde zal voor eeuwig bevredigd worden
    Ontwaakt! 1998
Meer weergeven
Ontwaakt! 1972
g72 22/6 blz. 21-27

Ik ben een Australische inboorling

Zoals verteld aan Ontwaakt!-correspondent in Australië

IK BEN een Australische inboorling. Mijn naam is Warwirra. In mijn land gebruiken wij de naam „Dinkum Aussie” voor mensen die in het land geboren zijn, ter onderscheiding van de immigranten die hier aankomen en die wij „Nieuwe Australiërs” noemen. Ik ben een „Dinkum Aussie”.

Wat uiterlijk betreft vertoon ik grote gelijkenis met andere inboorlingen, want hoewel wij in vele stammen verdeeld zijn, hebben wij toch dezelfde oorsprong. Wij hebben vaak een buitengewoon lang hoofd met wijkend voorhoofd en vooruitstekende wenkbrauwbogen. Wij hebben kroezig haar, afgeplatte neusgaten en een grote mond met helderwitte tanden, een gemiddelde lichaamsbouw, maar lange, dunne ledematen. Onze huidskleur is zwartbruin. Men heeft wel gezegd dat de wilde Veddah-stam op Ceylon en de bergstammen in India het meest op ons lijken.

Ik woon in een eenvoudig stenen huis, maar mijn voorouders leefden niet zo. Hierin zijn wij, net als in zoveel andere dingen veranderd. Daarom ook dat wij vaak sterk het verlangen krijgen om zoals wij dat zeggen, te „zwerven”. Als de drang in ons sterk wordt, verlaten wij onze huizen en trekken wij de „bush” (wildernis) in om daar in het binnenland weer net zo te leven als onze voorouders.

De reden voor deze drang is dat in de geest van iedere inboorling herinneringen leven aan wat wij onze „droomtijd” noemen, waarmee gedoeld wordt op onze stamgeschiedenis en onze vroegere levenswijze. Wij schijnen geboren te worden met een heimwee naar de dagen van onze „droomtijd”. Voordat kapitein Cook in Botany Bay landde, genoten wij een leven dat geheel van ons huidige bestaan verschilde — een hard, maar een vrij leven. Op grond van wederzijdse overeenkomst hadden mijn stam en de andere stammen het eigendomsrecht van bepaalde gebieden, welk recht algemeen werd geëerbiedigd. Er waren grenzen, maar het landschap werd niet ontsierd door omheiningen en hekken. Binnen elk stamgebied waren „heilige” plaatsen die voor ons waren wat Parijs is voor de Fransen of Londen voor de Engelsen.

Niet al onze dromen zijn gelukkige dromen. In sommige worden wij herinnerd aan verschrikkelijke wreedheden. Nadat de Europeanen zich in het land gevestigd hadden, negeerden zij onze gebiedsrechten en begonnen ons uit te roeien. Langzamerhand werd onze positie zo verlaagd dat wij slaven in ons eigen land waren. Zelfs nog in 1942, toen Australië ironisch genoeg in oorlog was met Hitler wegens de kwestie van genocide, gaf een parlementslid in West-Australië de raad: „Het zal een gelukkige dag voor West-Australië en voor Australië in zijn geheel zijn als de inboorlingen en de kangoeroes verdwenen zijn. . . . Bij de behandeling van deze kwestie dienen alle sentimentele gevoelens overboord gezet te worden. De tijd voor drastische en positieve maatregelen is aangebroken.”

Voor gelukkiger dromen moeten wij teruggaan tot de tijd voordat de Europeanen kwamen. Wij hielden van ons land en besteedden er alle zorg aan, maar dat deden wij op onze eigen manier. Wij hielden bijvoorbeeld geen vee of kangoeroes binnen omheinde ruimten. Wij hadden geen tractor of ploeg. Onze methoden waren beter aangepast aan onze behoeften.

Een rijke natuurkennis

Wij trokken door ons gebied en verzamelden wat daar vanzelf was gegroeid; sommige stammen deden dit niet gezamenlijk maar verspreid. Onze geest was altijd gericht op ons volgende bezoek aan de streek. Het was in ons eigen belang dat wij bewaarden wat ons bij ons volgende bezoek van nut zou kunnen zijn. Wij tapten waterhoudende bomen af, maar stopten ze daarna weer zorgvuldig dicht; wij groeven watergaten, maar bedekten ze daarna weer met zand zodat ze niet zouden uitdrogen; wij doodden om te eten, maar nooit een dier met jongen; wij visten op de pijlstaartrog maar niet in de tijd dat er jongen waren.

Door deze methoden, die karakteristiek waren voor onze manier van leven, zorgden wij voor ons land. Weliswaar haalden wij niet zoals tegenwoordig reusachtige oogsten binnen, maar wat wij verschaften was zeer voedzaam en altijd was er een voldoende verse voorraad aanwezig.

Het succes van onze methoden berustte op een aanzienlijke kennis en bekwaamheid. Wilden wij in leven blijven, dan moesten wij een rijke natuurkennis in onze dromen opgeslagen hebben. Kijk maar eens wat dit boek (The Australian Aborigin, door A.P. Elkin) hierover te zeggen heeft: „Voor de inboorling is de natuur een systeem waarin de voorwerpen der natuur en de verschijnselen die zich in de natuur voordoen, verband met elkaar houden of met elkaar verbonden zijn in ruimte en tijd. De verschijning van een bepaald voorwerp, bijvoorbeeld een . . . vogel, bloem of insekt, is door eeuwenlange waarneming het teken geworden dat er regen op komst is, dat de vissen de rivier opgaan, dat de een of andere zoogdieren- of reptielensoort spoedig in overvloedige mate aanwezig zal zijn, dat de yams, de eetbare knolvormige wortelstokken, opgegraven kunnen worden, of dat bepaalde vruchten rijp zijn. . . . De gele bloemen van de acaciaboom zijn een teken dat de eksterganzen tijdens hun jaarlijkse route zullen passeren en over de reusachtig grote kajapoetbomen van poel tot poel zullen trekken om de waterlelieknollen te eten. Daarom kiezen de mannen bepaalde bomen uit om platforms in de takken te bouwen, waar zij wachten en het gak-gak van de ganzen nabootsen, die dan rond de boom cirkelen en neerstrijken. Maar als ze dat doen, worden ze met welgemikte worpen van boemerangs tegen de grond geslagen, waar ze snel door de mannen aan de voet van de boom worden afgemaakt.”

Jammer genoeg zijn veel van deze vaardigheden nu verloren gegaan. Zo bijvoorbeeld ook de kunst van het lezen van sporen. Weliswaar gebruikt de politie nog steeds inboorlingen om mensen die in de wildernis verdwaald zijn, op te sporen, maar de goede spoorzoekers nemen snel in aantal af. In onze droomtijd echter, hing ons leven ervan af. Jongens werden vanaf hun eerste levensjaren onderwezen in het minutieus beschouwen van de grond om het daarin opgetekende verhaal te kunnen lezen; en zij deden dat net zo makkelijk als mijn zoon nu zijn schoolboeken leest. Tegen de tijd dat wij volwassen waren, konden wij u de geschiedenis van elk stukje grond vertellen, zelfs op de harde rotsbodem — welk mens, zoogdier of reptiel erover was gegaan en wanneer. Wij konden zulke sporen dagenlang volgen. De sporen die een mens achterliet konden, of wij hem nu reeds kenden of niet, veel over hem vertellen: of hij kort was of lang, dun of dik, of het een man of een vrouw was, een zieke of een gezonde, een blanke of een inboorling. Bij het volgen van het spoor konden wij vertellen wat hij onderweg gedaan had.

Spoorzoeken vraagt een grote dosis geduld en uithoudingsvermogen. Het kan voorkomen dat wij het spoor van een dier een hele dag volgden, tot wij bij het aanbreken van de avond moesten gaan rusten, en dan de volgende dag onze tocht voortzetten totdat wij onze prooi hadden bereikt. Als het dier zich dan door onze zorgeloosheid van onze aanwezigheid bewust werd en wegsprong, konden wij weer helemaal overnieuw beginnen tot het weer binnen speerbereik was. Gelooft u dat u dat zou kunnen? Hoe vaak hebben wij al niet in de kranten gelezen dat mensen in de waterloze wildernis zouden zijn omgekomen als wij met onze bekwaamheden er niet waren geweest.

De wildernis in

Ik zei „waterloze” wildernis, maar dat geldt alleen voor de nieuwe Australiërs. Wij inboorlingen weten dat er water is en ook hoe het opgespoord kan worden. Dat is ook een van de bekwaamheden uit onze droomtijd. Hoe zou u het vinden om eens met mij mee te gaan op een tocht zodat ik het kan laten zien? Ziet u dat het bruine gras daar een groenere tint heeft? Met behulp van mijn graafstok kan ik daar water verzamelen. Als ik in deze boom snijd, sijpelt er water uit. En daar, onder die door de zon gedroogde modder, zitten kikkers die water bevatten. Als ik de wortels van deze eucalyptusboom pers, komt er water uit. En wanneer ik diep genoeg graaf in die droge kreek daar, tref ik water aan. U ziet dus dat er in deze streek overal om ons heen water is, als men maar weet waar.

Behalve water is er, als men het kan vinden, ook voedsel. Een moderne antropoloog maakte eens een lijst van voedselprodukten die in een klein gebied voor de inboorlingen voorhanden waren. Hij kwam aan het volgende: 18 soorten zoogdieren en buideldieren, 19 soorten vogels, 11 soorten reptielen, 6 soorten waterwortels, 17 soorten zaden, 3 soorten groenten, 10 soorten vruchten, nog afgezien van de vele waterplanten, zwammen en eieren. Waarschijnlijk zal onze voedselkeuze en -bereiding voor u niet erg aantrekkelijk zijn, maar, zoals men zegt, smaken verschillen. Wat is het heerlijk om na een lange, vermoeiende dag van trekken en jagen een maaltijd te kunnen gebruiken bestaande uit mals kangoeroevlees of dikke hagedissen, langzaam geroosterd op het zand of in een kleioven, met vers geplukte bessen, groene bladeren en gemengde zaden. Heerlijk! En, wat nog belangrijker is, het voedsel bevat de voor ons actieve leven zo noodzakelijke voedingsstoffen.

Als wij „zwerven” hebben wij geen huizen nodig. In het zachte klimaat van Australië bestaat daar geen noodzaak toe. Ze zouden zelfs een last zijn want wij zouden op één plaats moeten blijven, waar de water- en voedselvoorraad spoedig zouden zijn uitgeput. Ook nemen wij geen tenten mee. De jacht vereist een lichte bagage. Daarom wordt er niets meegenomen, behalve enkele noodzakelijke dingen — als waterzakken, vuurboren en gereedschappen, die door de vrouwen worden gedragen — en dan de speren en boemerangs van ons, mannen.

Tijdens een zwerftocht gaat de stam volgens een vastgesteld patroon op weg. Wij mannen gaan voorop, ver uit elkaar, terwijl onze ogen de grond afspeuren naar verse sporen. Ver daarachter komen de vrouwen, kinderen en bejaarde mannen. Allen bewaren een volkomen stilzwijgen. Zelfs de allerkleinste dreumes zal het niet wagen op een droog twijgje of blaadje te trappen of ook maar iets te fluisteren! Want denk eraan, één geluid en wij gaan zonder eten naar bed. Wij onderhouden contact met elkaar door middel van een goed ontwikkelde gebarentaal. Sommige fundamentele woorden hebben zelfs bij alle stammen hetzelfde teken. Kunt u met mensen spreken van wie u de taal niet verstaat?

Wij trekken niet altijd overdag. Soms reizen wij ’s nachts; wij sparen dan heel wat lichaamsvocht en zijn in staat de ’s nachts levende kangoeroes te verschalken. Als de tijd aanbreekt om een kamp op te zetten, wordt er gauw een „huis” opgezet van takken, ter bescherming tegen de koude wind ’s nachts en de hete zon overdag. Wij maken een kampvuur en richten ons verblijf in.

Daarmee kom ik meteen op het onderwerp vuur maken. Tijdens een zwerftocht worden onze vuurboren zorgvuldig tegen vocht beschermd. Ziet u deze stok die een beetje lijkt op een potlood met een punt eraan, en deze plank met zwart geblakerde putjes erin? Nu, let op! Ik plaats de punt van mijn „potlood” in een van deze putjes en draai hem snel tussen mijn handpalmen rond, terwijl ik stevig druk; en kijk eens hoe snel het hout vlam vat. Ik laat de vonken op deze droge houtjes vallen, blaas zachtjes en, zie, ik heb een vuur gemaakt. Bijna even snel als u een lucifer afstrijkt! Wilt u met ons meeëten? Wij hebben eend, vette larven, emoe-eieren en eetbare wortels, terwijl wij de maaltijd zullen eindigen met de bessen die de kinderen aan het verzamelen zijn.

De boemerang

Vraagt u zich af hoe wij die eenden hebben gevangen? Ik zal het uitleggen. Maar daarvoor moet ik eerst onze jachtwapens en -methoden beschrijven. Laat ik beginnen met de boemerang. Hebt u er wel eens aandacht aan geschonken welk een precisie-instrument dit is? Geen enkele geweermaker heeft ooit met meer vakbekwaamheid een loop getrokken dan wij een boemerang maken. De onderlinge lengteverhouding van de uiteinden, de hoek van de bocht, de propellerachtige draaiing en het gebogen bovenvlak, alles dient precies geconstrueerd te zijn: één fout zou het hele eindprodukt waardeloos maken. De Australian Encyclopedia zegt hierover: „Wiskundigen hebben laten zien dat een geringe verandering in de vorm van de terugkerende boemerang — zoals in de grootteverhouding, de draaiing en ronding — een overeenkomstige verandering in de vlucht met zich brengt, wat door vergelijkingen kan worden aangetoond.”

Omdat u ziet dat wij geen tekenborden of precisie-instrumenten hebben, vraagt u zich misschien af hoe wij zo’n nauwkeurig wapen kunnen vervaardigen. Het ontwerp van de boemerang wordt, om zo te zeggen, reeds van kindsbeen af in ons hoofd geprent. Het enige gereedschap dat wij bij het maken ervan gebruiken, zijn een beitel, vervaardigd uit de tand van een dier, een toela of graveerwerktuig van afgeschilferd kwarts met een voorbewerkte ronde werkkant, en stukjes vuursteen en rots voor het polijstwerk. Maar hoe zorgvuldig uitgebalanceerd en prachtig gepolijst is het eindprodukt! Zou u een boemerang kunnen maken? Of zou u er een kunnen werpen?

Wist u dat er twee soorten boemerangs zijn? Of dat het terugkerende type niet dient voor het treffen van wild? Voor dat doel gebruiken wij slechts het tweede type, de „niet-terugkerende” boemerang. Hij is net zo nauwkeurig vervaardigd en heeft dezelfde vorm als de eerste, maar de beide uiteinden liggen in hetzelfde vlak, waardoor hij geen geluid maakt. Als hij geluid zou maken, zou de grazende kangoeroe hem horen aankomen. Hij draait zo snel rond dat hij op een afstand van wel honderd tachtig meter een prooi dodelijk kan treffen. Het terugkerende type gebruiken wij alleen bij sportwedstrijden en voor slechts één jachtdoel — het vangen van de slimme eend, die wij nu voor ons avondeten hebben.

Deze verstandige vogels zetten wachtposten uit terwijl ze aan het eten zijn; daarom moeten wij van een list gebruik maken om ze te vangen. Wij gaan als volgt te werk: een groep jagers verspreidt zich en kruipt voorzichtig naar de waterkant, waar één van hen een terugkerende boemerang over het water gooit. Het geluid van de rondwentelende boemerang lijkt op de vleugelslag van een jagende havik. Er wordt dan onder de vogels alarm geslagen, zodat ze opvliegen en een makkelijk doelwit vormen voor onze „niet-terugkerende” boemerangs. Zo zijn wij aan de eend voor ons avondeten gekomen.

Onze bekwaamheid in het ontwerpen en vervaardigen van boemerangs heeft de belangstelling in andere landen gewekt, maar dat is slechts een van onze bekwaamheden. In onze dromen hebben wij een schat aan kennis of „know-how” over de natuur opgeslagen. Wij leren de gewoonten van dieren kennen, wij kennen hun roep en kunnen die ook nabootsen, wij weten vooruit uit welke hoek de wind zal waaien, wij maken verfijnde visharpoenen, vervaardigen uit huiden of hout waterdichte waterzakken, wij schilferen en kartelen speerpunten uit kwarts, bouwen visfuiken, maken vlotten of hollen een boomstam uit om hem als kano te gebruiken. Wij kunnen onze lichaamsgeur verbergen met modder, ons camoufleren met takken en kunnen als onze prooi onze kant opkijkt, stokstijf blijven staan.

Geen produkt van evolutie

Vraagt u zich af waarom ik u onze talenten onder de aandacht breng? Begrijp mij alstublieft niet verkeerd, ik ben niet aan het pochen. Ik doe dit omdat volgens een algemeen aanvaarde theorie, die nauw verband houdt met de godloze evolutieleer, wij inboorlingen van Australië een soort overgebleven „ontbrekende schakel” zijn. U hebt ze misschien wel eens gezien, die duidelijk aan de verbeelding ontsproten plaatjes van holbewoners, half mens, half dier, met vermogens die nauwelijks het dierlijke instinct te boven kwamen. Dergelijke schepselen hebben, behalve op de bladzijden van pseudo-wetenschappelijke boeken, nooit bestaan. Maar omdat wij inboorlingen geen huizen bouwen, in uithollingen in de bodem onze beschutting zoeken en geen machines gebruiken, trachten bepaalde mensen te bewijzen dat wij nauw aan dergelijke schepselen verwant zijn. Of wij hierover ontsteld zijn? Ja, natuurlijk!

Ik zou er het volgende over willen zeggen. Het verschil tussen de klaarblijkelijk onderontwikkeldste en de ontwikkeldste mensen is verschil in gelegenheid. Drukpersen hebben andere naties in staat gesteld een reusachtige hoeveelheid kennis in bibliotheken op te slaan; wij hadden daarvoor slechts onze dromen. Zij die beweren dat deze landen wegens hun gevorderde technologie hoger ontwikkeld zijn, steunen op een verkeerd inzicht. Wij kunnen niet tippen aan die geweldige hoeveelheid vergaarde kennis, maar kan men dat omgekeerd wel? Kort gezegd: de bekwaamheden van verschillende mensen zijn geconcentreerd op verschillend terrein, al naargelang hun behoeften.

Enige jaren geleden verscheen er in een publikatie een artikel dat handelde over een Afrikaanse baby, een meisje, dat door een kannibalenstam was achtergelaten; zij werd door Amerikanen gered en in Amerika grootgebracht. Op de middelbare school ging zij gelijk op met en overtrof zelfs haar klasgenoten. Niet de geboorteplaats is van belang, wel de gelegenheid die iemand krijgt.

Men zegt wel dat een volk afgemeten kan worden naar de ingewikkeldheid van zijn taal. Laten wij dus eens naar onze talen kijken. Hoewel er nu vijfhonderd zijn, hebben ze alle één oorsprong. Ik heb al verteld hoe wij nog met elkaar in gebarentaal spreken; onze gesproken talen zijn echter behoorlijk ingewikkeld. Alles verschilt, de grammatica, de woordvolgorde en de woordenschat. Terwijl het Engels zes buigingsvormen van de zelfstandige naamwoorden kent, hebben sommige van onze talen er negen. Andere hebben drie geslachten, terwijl het Frans er slechts twee heeft. De Engelsen vervoegen hun werkwoorden zes maal, wij elf.

Ons sociale systeem

Dwingt ook de cultuur en beschaving die wij hebben opgebouwd, geen respect af? Hoewel ieder stamgebied vastgestelde grenzen had, vormde dit toch geen hinderpaal voor betrekkingen tussen de stammen onderling. In tijden van droogte bestond er de noodzaak de water- en voedselvoorraden met elkaar te delen. De betrekkingen werden onderhouden door ambassadeurs die een soort stam-totempaal droegen, waardoor hun een ambassadoriale status werd verleend. De drager van de paal had vrije toegang tot andere gebieden, waar hij de uitwisseling van bruiden regelde, toezag op de binnenkomst van voedsel en water, enzovoort. Op deze wijze werden vredige verhoudingen verzekerd.

Het sociale systeem binnen elke stam was eveneens goed geregeld. De autoriteit berustte soms bij een patriarch, soms bij een raad van oudsten. Verscheidene stammen liepen naakt, maar de morele maatstaven waren hoog. Elke man had het recht een overspelige vrouw en haar minnaar te doorsteken. Het onderricht van de kinderen begon vroeg; de meisjes kregen les in het opsporen, verzamelen en koken van insekten en hagedissen, de jongens in het lezen van sporen, jagen, het maken en gebruiken van gereedschap en in de wetten die in de stam en tussen de stammen onderling golden.

U let niet op! Wordt u soms afgeleid door dat geluid? Dat is Wanju die op zijn didgeridoo [lange bamboefluit] oefent voor de corroboree [inlands feest] vanavond; die gaat zo dadelijk beginnen. Kom maar mee dan kunnen wij kijken.

Op deze corroborees worden veel van onze dromen in onze geest gegrift, want tijdens deze gelegenheden worden wetten, gewoonten en jachtmethoden herhaald. De dans die bijvoorbeeld nu begint is een les in de jacht. Hoe knap doen die mannen de kangoeroe na. Die anderen zijn jagers, zij besluipen de kangoeroes. Tijdens de dans worden de kreten van vogels en dieren nagebootst. Kijk eens hoe aandachtig de kinderen alles gadeslaan en het gebeurde in zich opnemen. Nu wordt er geschiedenis verteld; het verhaal gaat over de tijd dat de stam werd gered van een grote vloed waardoor alle andere leden van de mensheid omkwamen. Ook recente gebeurtenissen zijn in de corroboree opgenomen. Kijk, nu doen zij het maken van een film na, zoals zij dat een keer gezien hebben. Iedere dans vormt een toneelstuk, hetzij een tragedie of een komedie; alle dansen zijn echter geworteld in de geschiedenis van de stam.

Hoe wij hier kwamen

Toen iemand mij een bijbel ten geschenke had gegeven, ontdekte ik tot mijn verbazing dat ook dat boek verhaalt over de grote vloed die u net in de dans zag. Ik begon mij daardoor af te vragen hoe wij, inboorlingen van Australië, van het ver weg gelegen Sinear naar ons huidige land waren gereisd. Naar wat ik heb gelezen, schijnt niemand het werkelijk te weten. Er lijken wel evenveel meningen als mensen te bestaan! Bepaalde feiten staan echter vast en kunnen ons te hulp komen. De feiten zijn dat wij van Indogermaanse, en niet van negroïde oorsprong zijn en dat wij uit het noorden komen.

Waarschijnlijk hebben mijn voorvaders de omliggende eilanden als springplank gebruikt om de kusten van Australië te bereiken en hebben zij zich daarna over het continent verspreid, waarbij zij zich aan de omgeving aanpasten waar zij gingen wonen en zich langzamerhand in stammen verdeelden, waardoor plaatselijke gebruiken werden gevormd en er afwijkingen ontstonden in de oorspronkelijke taal, terwijl er tevens wederzijds erkende grenzen en gebieden ontstonden. De meegebrachte kennis en vaardigheden pasten zij aan hun nieuwe omgeving aan, en in de loop van de tijd en naar gelang de behoefte zich deed voelen, werden er nieuwe vaardigheden ontwikkeld. Zo werden zij specialisten op het gebied van leven in een droog land. Omdat zij nu van de stroom van algemene kennis in andere landen waren afgesneden, brachten de omstandigheden hen in het levenspatroon waarin de eerste Europese kolonisten, toen dezen in 1770 G.T. landden, hen aantroffen.

Twee totaal verschillende beschavingen kwamen nu met elkaar in botsing. Omdat de nieuw aangekomenen niets af wisten van onze gebiedsgrenzen en de methoden waarop wij voor ons land zorgden, dachten zij dat het land nog door niemand in bezit werd gehouden en begonnen zij hun nieuw ontdekte gebied te exploiteren. In het begin waren wij verdraagzaam, maar onvermijdelijk kwam er oorlog. Musket kwam tegenover speer te staan. Beetje bij beetje viel ons land in handen van de nieuwkomers en wij inboorlingen werden naar de achterhoede gedreven. Wij zagen toe hoe onze bossen ten prooi vielen aan de bijl, aan het vuur en aan de bulldozer; wij zagen hoe in het wild levende diersoorten geheel of bijna geheel werden uitgeroeid. De graafstok en de tractor kwamen met elkaar in botsing; de tractor won.

Won hij werkelijk? Uitgestrekte hectaren land zijn nu stofbekkens; de bovenlaag van de grond spoelt in de zee; de rivieren zijn vervuild. Insekticiden verstoren het leefmilieu van insekten, vogels en zoogdieren en gaan nu zelfs een bedreiging voor de mens vormen. Evenals er slechts weinig inboorlingen over zijn, zijn ook van vele soorten zeldzame vogels en viervoetige dieren nog slechts kleine groepjes over, die snel in grootte en aantal afnemen.

Slechts in het uitgestrekte, droge, woestijnachtige binnenland van Australië leiden enkele groepjes inboorlingen nog het leven uit hun droomtijd. Met een van deze groepjes, de Pintubi-stam, werd nog onlangs (1957 G.T.) door een journalist uit Melbourne in de Gibson-woestijn, 960 kilometer ten westen van Alice Springs, contact opgenomen. In zijn verslag stond onder andere het volgende: zij hadden nog nooit tevoren een blanke man gezien, ook geen geld, geen vis of meel; zij jaagden met tamme dingo’s, aten knaagdieren en hagedissen, liepen naakt, hadden zich nog nooit gewassen en spraken slechts op zachte fluisterende toon.

Zou ik daar graag met hen willen leven? Nee, beslist niet! Ook zou ik niet graag terug willen naar de dagen van onze droomtijd zoals ik dat voorheen wel wilde. Weet u, ik heb in de afgelopen jaren veel geleerd over wat de bijbel zegt omtrent de nabije toekomst van de mensheid, hoe deze gehele aarde tot een nieuwe hof van Eden herschapen zal worden. Niets wat hier ook maar op leek, is ooit in onze „dromen” opgeschreven. In plaats van uit te zien naar het verleden, verlang ik nu naar wat de toekomst zal inhouden en hoop ik dat ik een aandeel zal mogen hebben aan het in cultuur brengen van ons land, dat ik water zal zien stromen waar nu woestijnen zijn, dat ik hier zal zijn als mijn voorouders uit de opstanding terugkomen, en dat ik aan hun „droomtijd” de gelukkige inlichtingen mag toevoegen over Jehovah’s koninkrijk en hen mag aanmoedigen met mij een aandeel te hebben aan het tot een paradijs maken van ons vriendelijke land, Australië.

[Illustratie op blz. 23]

Het gebruik van de vuurboor

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen