Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g72 8/6 blz. 12-16
  • Angst op zee

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Angst op zee
  • Ontwaakt! 1972
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Er breekt brand uit
  • Tijdelijke opluchting; grotere paniek
  • Beneden wachten
  • Een wanhopige situatie
  • De zee in
  • Vechten om het leven
  • Gered
  • Gemengde gevoelens
  • Overleving op zee!
    Ontwaakt! 1978
  • „Ik heb de ondergang van de Titanic overleefd”
    Ontwaakt! 1982
  • Maar zult u de ondergang van dit stelsel overleven?
    Ontwaakt! 1982
  • Ik vond mijn geluk in het wereldwijde bijbelse onderwijzingswerk
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2005
Meer weergeven
Ontwaakt! 1972
g72 8/6 blz. 12-16

Angst op zee

DE MEESTEN van ons waren toeristen uit Italië en andere Europese landen die van vakantie in Griekenland terugkeerden. Wij verlieten de havenstad Patras op vrijdagmorgen, 27 augustus 1971, en koersten in noordwestelijke richting over de Ionische Zee en de Adriatische Zee naar Ancona in Italië. De hele vrijdag was het kalm weer, maar wij vorderden slechts langzaam. Soms leek het wel of het schip stil lag.

Wij bevonden ons op de Griekse veerboot Heleanna, een 170 meter lange, verbouwde tanker. Ondanks de reusachtige afmetingen van de boot was het niet moeilijk te zien dat hij overvol was; meer dan duizend passagiers hadden, te zamen met zo’n 200 auto’s, elke mogelijke hoek op de boot in beslag genomen. Ik was een van de talrijke passagiers die geen hut hadden, zodat ik het me op het bovendek maar zo gemakkelijk mogelijk maakte. Daar waren veel mensen die genoten van het zeewater in het zwembad en nog een beetje bruiner probeerden te worden.

Die avond sliepen velen van ons op het dek, waarbij alle beschikbare dekstoelen werden gebruikt. Dat was in het begin niet onaangenaam, maar tegen twee uur in de morgen stak er een lichte bries op die steeds meer aanwakkerde. Het werd onaangenaam koud. Heel velen gingen naar beneden om een wat beschutter plaatsje te vinden. Ik nam mijn dekstoel en volgde hen. In de eetzaal sliepen al veel passagiers; ik vond een plekje en vervolgde mijn rust.

Er breekt brand uit

Om 5.40 v.m. werd ik plotseling wakker. Er renden mensen heen en weer en ik zag buiten een lichte rook. Iemand zei dat er brand was. Toen hoorde ik een van de bemanningsleden de wacht uitschelden omdat zij het niet eerder hadden opgemerkt. Ik dacht dat iemand misschien een brandende sigaret had weggegooid en zodoende een kleine brand had veroorzaakt. Maar de kranten berichtten later dat de brand in de keuken begonnen was, aan de achterkant van het schip.

Ik ging terug naar het bovendek, waar mijn bagage stond. Overal liepen mensen, in elke richting. Velen hadden al zwemvesten aan. De rook werd dikker. Ik kon zien hoe aan de bakboordzijde, aan de achterkant van het schip, de vlammen hoog de lucht in sloegen. Enige bemanningsleden liepen met brandblusapparaten in de richting van de vuurhaard.

Met het erger worden van de brand nam ook de paniek toe. Vrouwen vielen flauw, kinderen huilden, en mannen protesteerden en dreigden. Een paar jonge officieren in zwemvesten namen foto’s om later bewijsmateriaal te hebben van de gebeurtenis.

De mensen renden naar de reddingsboten aan beide kanten van het dek. Ik sleepte mijn koffers, die dicht bij het vuur stonden, naar een plek die wat veiliger leek. Ik hield slechts een handkoffertje, met papieren en kostbare bezittingen bij me.

Ik ging naar een van de reddingsboten toe; enkele jonge bemanningsleden waren druk bezig om hem voor gebruik gereed te maken. Maar het leek wel of niets werkte. Het was niet mogelijk de boot neer te laten omdat de zware touwen waaraan de boot hing, te dik met verf waren besmeerd. Toen dit probleem was opgelost, werkte de handspaak om de boot neer te laten niet op de juiste manier.

Tijdelijke opluchting; grotere paniek

Ondertussen leek het erop dat de bemanning er toch enigszins in geslaagd was het vuur met de brandblusapparaten onder controle te krijgen. Men kon nu alleen nog maar een beetje rook zien. Het gevoel van opluchting werd nog versterkt door de korte aankondiging over de boordomroep — de enige keer dat deze gebruikt werd: ER IS GEEN GEVAAR; BLIJF WAAR U BENT.

Maar helaas! De werkelijkheid bleek anders te zijn. De sterke wind wakkerde spoedig de vlammen weer aan, en ongeveer vijf minuten na de aankondiging kon men ze hoog zien oplaaien. Aangejaagd door de wind, kwamen ze snel naderbij. Het was een verschrikkelijk schouwspel.

Deze keer renden de passagiers, aangegrepen door angst, als dolzinnigen naar de reddingsboten. De meesten van hen waren slechts gedeeltelijk gekleed, velen slechts in pyjama of nachtjapon omdat zij in een hut hadden geslapen. In enkele ogenblikken waren de reddingsboten vol. De mensen wisten absoluut niet wat zij moesten doen, want er was geen enkele instructie gegeven.

De bemanning trachtte hen er echter toe te overreden uit de boten te gaan, omdat deze anders niet neergelaten konden worden. Toen de mensen eruit klauterden, was er dus nog meer verwarring en paniek. Ik zag een dame die met een volledig verbrijzelde vinger op zoek was naar een dokter.

Ik zag geen reddingsboten komen en vroeg mij af of er wel een S.O.S.-bericht was uitgezonden. Wij waren niet ver van de Italiaanse kust want vroeger in de ochtend hadden wij de lichten van de kust gezien. Later vernamen wij dat wij slechts vierentwintig kilometer verwijderd waren van Torre Canne, in het zuidwesten van Italië. Het schijnt dat er pas om 6.40 v.m. een S.O.S.-bericht werd uitgezonden, ongeveer een uur nadat de brand was ontdekt.

Waar ik ook keek, overal zag ik wanhopige en angstige gezichten. Vlak bij mij stond een Italiaanse vrouw die bijna flauw viel en getroost en aangemoedigd werd door haar dochters. Daarginds stond een moedige Franse moeder die haar tienerdochters instructies gaf. Verderop was een echtpaar bezig al hun kinderen zwemvesten om te doen, terwijl zij controleerden of alles goed vast zat. Zelfs sommige bemanningsleden zagen zo wit als een doek.

Omstreeks deze tijd konden wij twee schepen voor ons aan de horizon waarnemen; ze waren echter nog een flink eind weg. Dit gaf een zeker gevoel van opluchting. Velen dachten dat de schepen hun reddingsboten zouden sturen om ons op te pikken. Er werd zelfs een bericht verspreid, afkomstig uit onbekende bron, dat wij naar beneden, naar de ontvangstruimte, moesten gaan en klaar moesten staan om in de reddingsboten te stappen als deze zouden aankomen. Ik volgde deze suggestie en ging naar beneden.

Beneden wachten

De ontvangstruimte was reeds vol mensen, die met hun gezicht naar de twee uitgangsdeuren gekeerd stonden. Gelukkig waaide er wat wind door deze deuren, zodat wij steeds verse zuurstof kregen om in te ademen.

Hier waren de mensen kalmer, hoewel sommigen een bezwijming nabij waren. Allen trachtten elkaar te bemoedigen. Iedereen keek in de richting van de open zee in de hoop een reddingsboot te zien naderen. Wij verwachtten een aankondiging over de boordomroep in verband met wat wij moesten doen, maar er kwam niets.

Er ging meer dan een half uur voorbij, en als de rook niet langs de trappen naar beneden was gekomen, hadden wij als muizen in de val gezeten en waren wij levend verbrand. Ik stond dicht bij de trap, en zodra ik de rook zag, rende ik naar het bovendek. Ik ging naar de voorkant van het schip, weg van het vuur; er stonden daar al veel mensen. Van achter de commandobrug steeg een dikke rook op.

Een wanhopige situatie

Tot op dat ogenblik was ik tamelijk optimistisch geweest, in de hoop dat wij, als wij onze auto’s en bagage zouden moeten verliezen, toch op zijn minst ons leven in veiligheid zouden kunnen stellen. Maar nu, met de vlammen in onze rug, was er geen reden meer tot optimisme. Ondanks het gevaar bleef ik echter kalm.

Ik zag mensen over de reling hangen en dacht dat men ladders had neergelaten om in de reddingsboten te gaan. Maar toen ik keek zag ik de zee vol met mensen! In plaats van ladders waren er zware touwen aan de reling gebonden en de mensen lieten zich daarlangs in zee zakken. Het dek lag ongeveer vijftien meter boven het water en de gedachte om daar boven die lege ruimte te hangen en je dan naar beneden te laten zakken, zonder zelfs te weten of het schip al stil lag of niet, deed mij bijna het bloed in de aderen stollen. Ik had geen zwemvest en ik wist niet waar de anderen ze vandaan hadden gehaald.

Toen ik naar de commandobrug keek, zag ik een bemanningslid met een zwemvest aan en ik vroeg hem of hij het mij wilde geven. Hij deed het uit en trachtte het naar mij toe te gooien. Maar wij zagen dat de sterke wind het weg zou waaien, zodat wij dan beiden zonder zwemvest zouden zijn. Daarom bedankte ik hem en keek om mij heen om te zien of er nog een andere reddingsmogelijkheid was. Ik zag een reddingsgordel op het dek liggen. Iemand vertelde mij dat die zelfs nog beter was dan een zwemvest, dus pakte ik hem op.

Ik had hem nauwelijks in mijn handen toen een jonge man, zelf zonder zwemvest, op mij toekwam met een klein meisje in zijn armen en mij vroeg: „Geeft u hem ons alstublieft. Wij zijn met ons vieren en wij hebben geen zwemvesten.” Naast hem stond zijn vrouw met een ander kindje in haar armen. Ik gaf de gordel onmiddellijk aan hem.

Ik had medelijden met dit jonge gezin wegens de toestand waarin het verkeerde. Hoe zouden zij ooit met twee kleine kinderen weg kunnen komen? Vlak voor hen stond een jonge man die op het punt stond langs het touw af te dalen. Wanhopig smeekte de vader hem een van zijn kinderen te nemen. De man stemde op onzelfzuchtige wijze toe en begon buitengewoon behendig en voorzichtig met het kind in zijn armen het touw af te dalen. Mijn adem stokte toen ik het zag, en ik was heel blij later te horen dat alle vier de leden van het gezin gered waren.

De zee in

Nu moest ik zelf iets gaan doen. Er was geen tijd te verliezen. De rook werd steeds dikker en de wind steeds sterker. Ik had geen andere keus; ik moest langs een van die touwen naar beneden, het water in! Ik verzamelde al mijn moed, ontdeed mezelf van mijn regenjas en schoenen, liet mijn handkoffer staan en klom over de reling. Ik hield me stevig aan het touw vast; door het gewicht van mijn lichaam zakte ik snel naar beneden. Ik had een behoorlijke snelheid gekregen en dook diep het water in. Onmiddellijk worstelde ik mij naar de oppervlakte. Ik haalde diep adem en trachtte uit de buurt te blijven van de touwen die langs het schip in het water hingen.

Toen ontdekte ik dat er aan sommige van mijn vingers en in de palm van mijn linkerhand diepe wonden waren, maar ik voelde geen enkele pijn. Het water was vol mensen, en de een na de ander kwam van het schip naar beneden. Meer dan eens vielen de mensen boven op mij, zodat ik onder water geduwd werd.

Ik trachtte van het schip weg te komen, maar dat was niet gemakkelijk want er sloegen grote golven tegen de zijkant aan. Het leek wel alsof ik mij in een reusachtige draaikolk bevond die mij onder het schip wilde trekken, dat zich als een reusachtige, afschrikwekkende berg boven onze hoofden verhief. Het was verschrikkelijk! Ik voelde duidelijk dat ik elk ogenblik kon verdrinken.

Om alles nog erger te maken hing er boven onze hoofden een reddingsboot. Niemand wist of men nog bezig was hem neer te laten, of dat hij daar op de helft bleef hangen. Toen het vuur aan boord om zich heen greep, begonnen brandende stukken hout van de boot om ons heen in het water te vallen.

Het gevaar werd steeds groter; ik spande mij nog eens extra in en zwom naar de achterkant van de boot, naar de schroef. Gelukkig was het schip gestopt. Ik bereikte de schroef en hield hem een paar minuten vast om op adem te komen en een beetje uit te rusten. Toen begon ik naar de open zee te zwemmen.

Vechten om het leven

Vlakbij dreef een vrouw met een zwemvest aan. Ik hoorde haar met zwakke stem roepen: „Aiuto, aiuto” (Help, help). Het was een vrouw van middelbare leeftijd, en zeer waarschijnlijk niet erg vertrouwd met de zee. Daar wij ons nog heel dicht bij het schip bevonden, zei ik haar dat wij moesten proberen weg te komen om niet door vallende brokstukken gewond te raken. Ik nam haar hand en zwom met mijn andere arm, in een poging de open zee te bereiken.

De golven waren hoog, soms wel anderhalf tot twee en een halve meter, en het zwemmen was niet gemakkelijk. Niettemin bleef ik de hand van de vrouw vasthouden. Ik draaide mij om ten einde te kunnen zien hoe het met haar was, maar haar gelaat scheen levenloos. Toen ik naar haar riep, gaf zij geen antwoord. Haar ogen waren half open en op haar gezicht lag een rustige uitdrukking. Maar ik wist niet of zij het bewustzijn had verloren of dood was.

De zee werd ruwer, waardoor mijn situatie steeds penibeler werd, vooral omdat ik geen zwemvest had. Ook mijn kleding werd steeds zwaarder, maar ik kon me er niet van ontdoen. Niet ver van mij vandaan zag ik een halfverbrande touwladder in het water drijven. Ik probeerde hem te pakken te krijgen omdat ik dan makkelijker zou kunnen drijven, maar ik kon er niet bij komen.

Ik zag in dat er niets anders voor me op zat dan naar de twee schepen te zwemmen die ik had gezien voordat ik overboord ging. Nu was er ook een derde schip. Terwijl ik tegen de zware golven opzwom, hield ik met één hand het zwemvest van de vrouw vast. Ik was helemaal alleen, als een notedop in het midden van een reusachtige zee, met een vrouw die waarschijnlijk dood was, aan mijn zijde.

Dit was beslist geen aanmoedigende gedachte; toch voelde ik mij niet alleen en verlaten. Reeds bij het begin van de ramp had ik mijn gedachten op onze Schepper gericht, en hem nederig om zijn hulp en leiding gevraagd in dit moeilijke ogenblik in mijn leven. Ik nam niet vanzelfsprekend aan dat hij mij moest redden, maar ik wist dat hij het zou kunnen als het zijn wil was. Ik riep voortdurend zijn goddelijke naam Jehovah aan, en dat gaf mij kracht. Onwillekeurig moest ik denken aan wat ik in de bijbel had gelezen, in Handelingen hoofdstuk 27, over de schipbreuk die de apostel Paulus meemaakte toen hij ook naar Italië ging.

De uren kropen voorbij en hulp was nog nergens te zien. De golven werden hoger en krachtiger. Ik trachtte iedere keer boven op de kammen van de golven te komen die op mij aanstormden. Ik werd enigszins geholpen doordat ik mij aan het zwemvest van mijn dode metgezellin vasthield. Maar het voortdurende gevecht om te blijven drijven, matte me sterk af; mijn krachten slonken weg.

Een paar maal kwam er een helikopter over, klaarblijkelijk om te trachten de overlevenden op te sporen. Toen kwam er een andere. Ik zag dat hij ver achter mij mensen oppikte. De helikopter kwam in mijn richting, en ik zwaaide met mijn hand opdat hij me zou zien.

Tegen die tijd had ik bijna een van de schepen bereikt waar ik naar toe was gezwommen, maar de wind dreef mij naar rechts af. Maar omdat ik al mijn aandacht op de helikopter had gericht, had ik niet gezien dat er reeds een motorboot naar mij toe kwam. O, wat een opluchting! Wat een vreugde!

Gered

Toen zij mij hadden bereikt, wierpen zij een zwaar touw naar mij toe zodat ik dat kon grijpen en in de boot kon klimmen. Maar ik was daartoe niet meer in staat. Ik was volkomen uitgeput en had kramp in mijn rechterbeen. Twee zeelieden bogen zich daarom over de rand en trokken mij met hun sterke armen binnen boord. Zij dekten me onmiddellijk met een deken toe en gaven mij iets te drinken dat op cognac leek zodat ik het zeewater uitbraakte dat ik binnen had gekregen.

Ik was volkomen krachteloos. Maar wat gaf het mij een tevreden gevoel daar in die boot te zitten, eindelijk na een gevecht van meer dan drie uur bevrijd uit de armen van een woedende zee!

Ik had verdriet over mijn dode metgezellin. De zeelieden moesten haar op zee achterlaten, omdat zij haast maakten degenen op te pikken die nog in leven waren. Maar ik weet niet of ik zonder de hulp die zij mij onwetend gaf, nog in leven zou zijn geweest.

In de boot zaten nog meer overlevenden die reeds waren opgepikt. Allen waren in dekens gewikkeld, en op hun gezichten stond grote vermoeidheid te lezen. Snel zocht de motorboot rond naar nog meer overlevenden en toen hij vol was, keerde hij naar zijn basis terug, een Joegoslavisch schip met de naam Svoboda, wat „vrijheid” betekent.

De bemanning was buitengewoon behulpzaam. Bijna alles aan boord stond tot onze beschikking. Er waren al meer dan honderd overlevenden op de Svoboda, met inbegrip van de kapitein van de Heleanna, zijn vrouw en nog enkele andere bemanningsleden.

Gemengde gevoelens

De aanblik van de overlevenden van de schipbreuk was deerniswekkend. Weliswaar kon ik vreugde en voldoening op de vermoeide gezichten waarnemen, dankbaar dat zij gered waren. Maar toch waren enkelen er ernstig aan toe, sommigen hadden brandwonden opgelopen of een arm gebroken. En de meesten hadden, net als ik, hun handen verwond met het naar beneden glijden langs de touwen. Velen waren heel erg bezorgd omdat zij niet wisten wat er met de andere leden van hun gezin was gebeurd.

Aangrijpend was het te zien hoe een jongeman zijn zuster vond. Zij vielen elkaar in de armen en huilden omdat zij niet wisten wat er met hun moeder was gebeurd. De jongeman had haar trachten te helpen, maar toen hadden zijn krachten hem begeven. Er was een vrouw die met vier kinderen had gereisd; twee van hen waren met haar in leven gebleven, maar de twee jongsten waren zoek. In de hoek zat een Italiaans meisje, sprakeloos; zij had haar vader voor haar ogen zien verdrinken. Er heerste dus bij velen een sfeer van diepe droefheid.

Terwijl de Svoboda naar Bari in Italië voer, waar wij ongeveer drie uur later aankwamen, trachtten wij onze kleren in de warme zon te drogen en wat uit te rusten. Wij dachten er allen aan wat er had kunnen gebeuren als het vuur ’s nachts was uitgebroken, of als wij verder van de kust waren geweest. Dan zouden er misschien helemaal geen overlevenden zijn geweest. Nu waren er meer dan duizend mensen gered en waren er slechts vierentwintig omgekomen.

Aan de kust stonden politieautoriteiten, journalisten, verpleegsters en ambulancewagens op ons te wachten. Degenen van ons die medische verzorging nodig hadden werden onmiddellijk naar ziekenhuizen vervoerd, waar wij veel aandacht ontvingen en met liefdevolle zorg werden omringd. Alles werd gedaan om het ons zo aangenaam mogelijk te maken, waarvoor ik erg dankbaar ben. Ik denk ook met dankbaarheid terug aan mijn vrienden die mij opzochten en degenen rondom mij in het ziekenhuis verbaasden door hun talrijke, spontane uitingen van oprechte christelijke liefde.

Ik heb nu geen lichamelijke pijn meer van de opgelopen verwondingen. En hoewel ik een aanzienlijke materiële schade heb geleden, is er één troost: het kostbaarste bezit ik nog, mijn leven. — Ingezonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen