Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g72 22/2 blz. 16-20
  • Biedt het water van de aarde een oplossing voor het voedseltekort?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Biedt het water van de aarde een oplossing voor het voedseltekort?
  • Ontwaakt! 1972
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De hoeveelheid voedsel in de zee
  • Een andere methode
  • Een methode die reeds in de oudheid werd toegepast, maar nog steeds veel opbrengt
  • Meervallen, forellen en zalmen
  • Het kweken van schaaldieren
  • De echte maricultuur nog in het beginstadium
  • Een oplossing voor het voedseltekort?
  • Leven in de driedimensionale wereld der oceanen
    Ontwaakt! 1976
  • Aquacultuur — Vissen als „vee”
    Ontwaakt! 1995
  • Vis
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Vis
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
Meer weergeven
Ontwaakt! 1972
g72 22/2 blz. 16-20

Biedt het water van de aarde een oplossing voor het voedseltekort?

DOORDAT de bevolking van de aarde zo snel toeneemt, zijn er elk jaar tientallen miljoenen nieuwe monden die gevoed moeten worden. Toch sterven zelfs nu reeds veel mensen de hongerdood, terwijl anderen honger lijden. Waar kan men het voedsel vandaan halen om iedereen te voeden?

Men gelooft algemeen dat het water van de aarde een geschikte bron vormt. Een schrijver beweerde: „Met een reusachtige, praktisch onaangeroerde en mogelijk onbeperkte voedselvoorraad in de zee, behoeft niemand op aarde honger te lijden.” Maar is dat waar? Kunnen de zeeën voldoende voedsel leveren?

De hoeveelheid voedsel in de zee

De hoeveelheid voedsel die men uit het water van de aarde haalt, is zeer snel gestegen. Van de minder dan 19 miljoen ton in 1950 is de jaarlijkse opbrengst nu gestegen tot meer dan 60 miljoen ton. Dat lijkt misschien een heleboel. Maar men schat dat dit ongeveer overeenkomt met slechts iets meer dan 3 percent van de totale voedselopbrengst voor de mens. Kan de zee nog veel meer opleveren?

Enige personen die de uitgestrektheid van de zee in aanmerking namen — bijna drie kwart van de aarde wordt erdoor bedekt — hebben aangenomen dat dit kan. Maar sommigen zien iets over het hoofd. En dat is dat het grootste deel van de zee, net als het grootste deel van het land, in werkelijkheid geen voedsel voortbrengt.

Het nieuwe boek Environment — Resources, Pollution & Society, geredigeerd door W.W. Murdoch, merkt op: „De open zee — men schat ongeveer 90 percent van de oceaan — wordt biologisch als een woestijn beschouwd; dit gedeelte levert bijna niets op voor de normale visvangst en biedt ook weinig mogelijkheden voor de toekomst.” Het grootste deel van de zeedieren leeft in de betrekkelijk ondiepe kustwateren en wordt daar ook gevangen. De vissen leven voornamelijk in bepaalde gebieden dicht bij de kust. Hoe komt dit?

Gebieden met veel vis bevinden zich op plaatsen met een juiste combinatie van wind, stroming en helling van het continentale plat waardoor er vanuit de diepten van de oceaan water omhoog kan komen dat rijk is aan voedingsstoffen die afkomstig zijn van vergane levensvormen in de zee. Als de „opwellende” voedingsstoffen de hoogte bereiken waar het zonlicht doordringt, vermenigvuldigen de kleine zwevende diertjes en plantjes waarmee de vis zich voedt, zich zeer snel. Daarom merkt de bovenaangehaalde bron op: „De gebieden met het opwellende water vormen slechts 0,1 percent van de oceaan, maar ze leveren de helft van de vis voor de gehele wereld.”

Van welk belang is het feit dat vissen in kleine gebieden van de oceaan geconcentreerd zijn en elders niet veel voorkomen? Zoals visserij-bioloog W. Ricker waarschuwde, betekent dit dat de zee geen „bodemloos vat is waaruit men voedsel kan halen”. De diepzeeonderzoeker J. Y. Cousteau waarschuwde na zijn terugkeer van een wereldomvattende onderzoekingstocht onder water dat het leven in de oceanen sinds 1950, door overbevissing en verontreiniging, met 40 percent was gedaald.

Voor een grote toename in de voedsellevering kan de mens dus klaarblijkelijk niet op de conventionele vismethoden rekenen. Volgens verslagen als die van Cousteau bestaat zelfs het gevaar dat er in de toekomst minder voedsel uit de zee zal komen.

Een andere methode

Toch denken sommigen nog dat het water van de aarde een oplossing bevat voor het voedseltekort. Zij merken op dat vissersvloten rondzwerven op zoek naar hun vangst, zoals de mens vroeger op het land op dieren joeg. Maar men verkreeg op het land een grotere voedselproduktie toen de nadruk in plaats van op het jagen, op het fokken van landdieren werd gelegd. Men is van mening dat een dergelijke verschuiving van werkwijze op zee ook daar de produktiviteit zou kunnen verhogen. Het kweken van waterdieren in gevangenschap wordt aquicultuur (watercultuur) of maricultuur (zeecultuur) genoemd.

Aquicultuur heeft de laatste tijd tot de verbeelding van het publiek gesproken. Maar wat zijn de vooruitzichten? Kunnen dieren die in het water leven — evenals runderen, varkens en andere landdieren — voor voedsel worden opgefokt? Wat is er op dit gebied gedaan? Is aquicultuur een oplossing voor het probleem hoe het voedseltekort in de wereld bestreden kan worden?

Een methode die reeds in de oudheid werd toegepast, maar nog steeds veel opbrengt

Aquicultuur werd in feite al in de oudheid beoefend. Reeds in 475 v.G.T. werd er in China door een zekere Fan Li een verhandeling geschreven over het kweken van vis. Andere volken, met inbegrip van de Grieken en Romeinen uit de oudheid, beoefenden ook deze kunst.

In China is de aquicultuur zover ontwikkeld dat ze een belangrijke bron van voedsel vormt. Men heeft daar per jaar een produktie van ongeveer 1,5 miljoen ton aan karpers en op karper gelijkende vissoorten. Dat vertegenwoordigt het grootste deel van de jaarlijkse opbrengst van de aquicultuur over de hele wereld, die meer dan 2 miljoen ton bedraagt.

Het platteland van China is bezaaid met zoetwatervijvers waarin karpers worden gekweekt. De karper wordt bij het kweken geselecteerd om een snel-groeiende vis met veel vlees en zo weinig mogelijk schubben te krijgen. En de Chinees let er goed op dat hij niet terugkeert tot de „wilde” grondvorm. Dat dit vlug kan gebeuren, wordt getoond door wat er in 1877, toen de karper in Amerika werd ingevoerd en men hem naar de rivieren en meren liet ontsnappen, plaatsvond. Hij keerde terug tot de wilde variëteit, met veel graat en schubben, waarop vaak door sportvissers wordt gevist.

De aquicultuur wordt ook op grote schaal in Indonesië, op de Filippijnen en op Taiwan beoefend, en op tamelijk grote schaal in het noorden van Italië. Langs de kusten van deze landen zijn tienduizenden hectaren aan vijvers met brak water in gebruik. Men kweekt er de bandeng (een tropische vis die op een grote haring lijkt) en de harder. Daar het winnen van broed van deze vissoorten in gevangenschap in het experimentele stadium verkeert, moeten de jonge vissen nog langs de kust verzameld worden en naar de vijvers worden overgebracht om volwassen te worden.

De opbrengst van deze vijvers loont de moeite. Op de Filippijnen bijvoorbeeld is de jaarlijkse opbrengst van de bandeng om en bij de 19 miljoen kilogram, een gemiddelde van ongeveer 560 kilogram per hectare. In Indonesië, waar men rioolslijk in de vijvers brengt, bedraagt de jaarlijkse produktie soms meer dan 4500 kilogram per hectare. Deze vis moet echter wel goed gekookt worden voordat ze gegeten wordt.

Meervallen, forellen en zalmen

In de Verenigde Staten heeft men belangrijke vorderingen gemaakt bij het opkweken van vis voor voedsel. In de laatste tien jaar is de aquicultuur van meervallen van een paar kwekers die de kunst door vallen en opstaan moesten leren, uitgegroeid tot een geweldige industrie. Tegen 1970 was er, voornamelijk in de Mississippi-delta, 23.400 hectare aan vijvers in gebruik. Deze vijvers hebben een produktie van ongeveer 35,4 miljoen kilogram aan meervallen! Dit vertegenwoordigt een opbrengst van meer dan 1500 kilogram per hectare, ver boven de 340 tot 450 kilogram vlees die men verkrijgt van een hectare goede weidegrond.

De forel en de zalm zijn ook belangrijk voor de aquicultuur, vooral de regenboogforel. In het dal van de Snake River, in de Amerikaanse staat Idaho, zorgt een reusachtig groot, ondergronds meer voor een snelle doorstroming van water van de juiste temperatuur (14,4 °C) door de visvijvers, wat ideaal is voor de forellenteelt. En door de regenboogforellen volgens een speciaal dieet te voeden, worden er fantastische jaarlijkse opbrengsten van 449.000 kilogram vis per hectare bereikt! In Indonesië zijn dezelfde opbrengsten bereikt door karpers in bamboekooien op te sluiten die zich in snelstromend water bevinden dat rijk is aan rioolafval.

Het kweken van zalm lijkt meer op het werk op een „ranch” dan op een „boerderij”. De zalm wordt geboren in de rivieren, gaat vervolgens naar zee tot hij volwassen is geworden en keert dan jaren later, gedreven door zijn instinct, weer terug naar zijn geboorteplaats om te paaien. Door een selectieve kweek toe te passen en speciale voeding te geven, heeft men zeer snel groeiende, stevige zalm verkregen. Daarom keren sommige exemplaren van de nieuwe kweek, in plaats van de gebruikelijke vier jaar in zee te blijven tot ze volwassen zijn, na slechts één jaar naar hun geboorteplaats terug. Er wordt gedacht aan het vormen van grote scholen zalm die na een jaar in zee doorgebracht te hebben, op hun terugweg naar huis geoogst kunnen worden.

Het kweken van schaaldieren

Het grootste deel van de opbrengst aan schaaldieren, tussen de 4 en 5 miljoen ton per jaar, wordt nog volgens de conventionele vismethoden uit de zee gehaald. Maar oesters, garnalen en andere schaaldieren worden thans ook op grote schaal gekweekt, waarbij Japan voorop gaat bij het toepassen van nieuwe methoden. De Japanners waren bijvoorbeeld de pioniers in het hangend kweken van oesters, een gebruik dat nu ook in de rest van de wereld wordt toegepast.

Nadat de oesterlarven zijn uitgekomen, zwemmen ze een korte tijd rond om een passend hard voorwerp uit te zoeken waarop ze zich permanent kunnen vasthechten om in volwassen oesters te veranderen. In Japan ontwikkelde men de methode om tot op vijftien meter diepte draden aan bamboevlotten in het water te laten hangen. Aan deze draden worden, op enige afstand van elkaar, mosselschelpen bevestigd. De oesterlarven die zich met miljarden op de mosselschelpen vasthechten, worden na een paar weken door arbeiders uitgedund tot de juiste dichtheid is bereikt. Als de oesters groeien, worden er drijvers aan de vlotten bevestigd opdat ze niet onder het toenemende gewicht zinken.

Deze drijfmethode heeft een aantal voordelen. Ze beschermt de oesters tegen rovers op de zeebodem en bovendien slibben ze niet onder. Ook kunnen de oesters zich nu met alle voedseldeeltjes die in de waterkolom zweven, voeden. Door het gebruik van deze methode bedraagt de jaarlijkse opbrengst in de baai van Hirosjima 56.000 ton oestervlees per hectare!

Schaaldieren die zich bewegen, zoals garnalen, zijn moeilijker te kweken. Al eeuwenlang heeft men aan de kusten in het Verre Oosten jonge garnalen gevangen en in vijvers met brak water volwassen laten worden tot ze de vereiste grootte voor de markt hadden bereikt. In Japan wordt echter met succes op commerciële schaal de echte maricultuur van garnalen beoefend. Daar staan de garnalen nu tijdens hun hele groei, van het ei tot de markt, onder controle.

De vrouwelijke dieren die eieren bij zich dragen, worden gevangen en in zorgvuldig gecontroleerde tanks met zeewater bewaard, waar ze de eieren leggen. Voordat de jongen volwassen zijn, doorlopen ze verscheidene larvestadiums, tijdens welke ze in verwarmde watertanks binnen worden gehouden. Later worden ze naar buiten gebracht, naar vijvers waarin men voor luchtverversing en circulatie van het water gezorgd heeft, alwaar ze blijven totdat ze groot genoeg zijn voor de markt. Er zijn nu verscheidene garnalenkwekerijen in Japan, maar de meeste hiervan krijgen de garnalen als deze jong zijn, omdat ze niet de technische uitrusting bezitten de garnalen vanaf het ei-stadium op te kweken.

De echte maricultuur nog in het beginstadium

Zoals men ziet, komt het voedsel dat afkomstig is van de aquicultuur voornamelijk uit vijvers met zoet en brak water. Het werkelijke bewerken van de zee — de echte maricultuur — heeft nog weinig opgeleverd. De meeste pogingen op het gebied van het bewerken van de zee bevinden zich nog in het experimentele stadium of er wordt alleen nog maar over gepraat. Vooral de Japanners, die gebonden zijn aan hun eilanden en voor 60 percent van hun eiwitvoorziening van de zee afhankelijk zijn, houden zich bijzonder actief met dit onderzoek bezig.

Het is begrijpelijk dat het afsluiten van bepaalde delen van de zee om daar vis in te houden, geen geringe onderneming is. Toch wordt het in de Seto-binnenzee van Japan gedaan — daar zijn reeds zeekwekerijen in gebruik. Bij één kwekerij wordt bij hoog water 73 hectare omsloten door afscheidingen en netten, en bij laag water 6,1 hectare. De ’yellowtails’, vissen die in ongeveer acht tot negen maanden groot genoeg zijn voor de verkoop, worden in deze afgesloten kwekerijen in zeer grote concentraties geteeld.

Het afsluiten van een deel van de zee vormt een werkelijke uitdaging; men heeft het idee gehad gebieden af te sluiten door een plastic pijp op de zeebodem te leggen die met kleine gaatjes is doorboord en aangesloten is op een luchtpomp. De opstijgende luchtbellen zouden dan dienen als gordijn waardoor ongewilde zeedieren buiten en de dieren van de kwekerij binnen gehouden zouden worden.

Ook heeft men gedacht aan de atollen in de Grote Oceaan, ringvormige koraaleilanden die een ondiepe lagune omgeven. Japanse geleerden hebben het voorstel gedaan tonijn — een vis die wel enkele honderden kilo’s kan wegen — in dergelijke afgesloten atollen te kweken.

Men heeft ook de methode onderzocht water met voedingsstoffen te verrijken zodat men er vis in kan kweken. Bij een proef op de Virgin Islands, voor de kust van St. Croix, werd een plastic buis met een middellijn van 9 centimeter bijna anderhalve kilometer diep in het water gestoken. Het koude water, dat rijk was aan voedingsstoffen, werd in vijvers op de kust gepompt en zat spoedig vol met kleine, plantaardige organismen, waardoor het ideaal werd voor het kweken van vis. Een geleerde opperde het idee van een zeegaande baggermolen die voedingsstoffen uit de diepte omhoog zou brengen en ze vlak onder het wateroppervlak zou verspreiden. Dan zou de vis die ten gevolge van het kunstmatige „opwellen” in dat gebied welig zou tieren, gevangen kunnen worden.

In Schotland heeft men in de maricultuur op experimentele schaal succes geboekt met het gebruik van warm water dat door een kernenergiecentrale werd geloosd. Door de temperatuur van een afgesloten deel van de zee te verhogen, werd de eetlust en de stofwisseling van de vis — in dit geval tong en schol — verhoogd, waardoor hun groei zeer werd versneld. Als commentaar op dit succesvolle experiment merkte het tijdschrift Sea Frontiers echter het volgende op:

„’Het bewerken van de zee’ is een uitdrukking die vaak wordt gehoord alsof het een eenvoudige uitbreiding is van het bewerken van het land. In werkelijkheid heeft men op het ogenblik meer problemen dan successen, en het opkweken van zelfs één enkele soort voor de handel vergt al een geweldige inspanning.” Men wordt er dus aan herinnerd dat de maricultuur nog in het beginstadium verkeert.

Een oplossing voor het voedseltekort?

Er bestaat op het ogenblik echter een directe behoefte aan voedsel, want reeds veel mensen sterven de hongerdood. Kan het in cultuur brengen van de zee zover worden ontwikkeld dat aan deze behoefte wordt voldaan?

Alles wijst erop dat dit niet kan. Het tijdschrift Bio-Science merkte in dit verband op: „Het is zeer belangrijk op dit punt op te merken dat de onmiddellijke opbrengst van de in cultuur gebrachte zee waarschijnlijk heel weinig zal bijdragen tot het verlichten van de honger van de ondervoede mensen in de wereld. Het is onwaarschijnlijk dat ooit uit de zee aan de calorie-behoefte van de hongerige volken voldaan zal kunnen worden. De bijdrage tot de onmiddellijke vermindering van de behoefte aan eiwit zal in het gunstigste geval klein zijn.”

Op het land schijnen de beste vooruitzichten voor de watercultuur te bestaan; op het ogenblik produceert men daar ook het meest. Dit geldt vooral ook met het oog op de dreiging dat de zee door de vervuiling geen veilige voedselbron meer zal zijn.

In de toekomst zal de kunst van de aquicultuur ongetwijfeld nog verder ontwikkeld worden, en veel mensen zullen er de gunstige gevolgen van ondervinden. Maar men kan zich er niet op verlaten als de oplossing voor het ernstige voedseltekort waarmee de mensheid te kampen heeft.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen