Vaklieden in miniatuur
IK ZOU me graag willen voorstellen. Ik ben een insekt. Het lijkt mij toe dat de reuzen der schepping meer ontzag inboezemen dan wij als insekten. Maar wij insekten zijn toch in het bezit van enkele bijzondere getuigschriften. U zou kunnen zeggen dat vele van ons vaklieden in miniatuur zijn. Men zou toch moeten denken dat wij als hardwerkende, geminiaturiseerde vaklieden, in dit transistortijdperk wel enige belangstelling verdienen.
Laat mij u eens iets over enige neven van mij vertellen, de amazonemieren uit het oerwoud. Deze vaklieden bouwen hangende tuinen op bomen en heesters; ook hun nesten maken ze daar. Ze doen dit op de volgende wijze: ze dragen aarde aan en plaatsen dit in toenemende hoeveelheden op de takken. Vervolgens worden er vlug en handig tunnels en kamers geboord, die verstevigd worden met papierachtig materiaal. Dan planten ze speciale zaden van oudere tuinen. De nieuwe tuinen nemen in grootte toe tot ze ten slotte het nest in de boom helemaal omgeven, waardoor dit tegen de felle zon en harde regen wordt beschermd.
Deze hangende tuinen intrigeren de mensen die ze bestuderen. Een van de redenen is dat de planten in deze door insekten gemaakte hangende tuinen, klaarblijkelijk verschillen van elke soort die ergens anders groeit. Tot nu toe hebben jullie deskundigen veertien verschillende soorten van planten geïdentificeerd, en geen ervan heeft men ergens anders gevonden dan in deze hangende tuinen! Misschien weten alleen de mieren waar ze groeien. De hangende tuinen van Babylon werden als een van de zeven wereldwonderen van de oudheid beschouwd, maar wij hebben vele eeuwen lang een zelfde wonder tot stand gebracht, en in miniatuur!
Behangers en kleermakers
In mijn familie zijn vele uitstekende behangers. Ik ken een bijensoort die prachtig werk levert. Deze fijngevoelige kunstenaars bekleden hun broedcellen helemaal met opeenvolgende lagen van een verbazend dun vlies dat schitterender is dan het mooiste satijn. Het glinstert zelfs! Stelt u eens voor, ze gebruiken hun eigen tong als fijn gevormde pleisterspaan en al het behangselmateriaal verkrijgen ze door een speciale afscheiding uit hun eigen lichaam.
Onder de hommels is een soort die niet groter is dan één en een kwart centimeter. Het wijfje vergaart materiaal van buiten in plaats van dit zelf af te scheiden. Het materiaal is een zachte substantie die ze verkrijgt van verschillende planten. Het is voor haar een genoegen haar „operatiebasis” te behangen. Sommige soorten maken hun cellen door holle rietstengels, lege slakkehuisjes of regenwormgaten te bekleden; zelfs geweerlopen kunnen behangen worden.
Andere leden van mijn familie zijn kleermakers. Dit is bittere noodzaak, willen ze niet opgegeten worden of willen ze een maaltijd verkrijgen. Mijn verwanten verschillen van de menselijke kleermakers; ze vervaardigen namelijk alleen maar kleren voor zichzelf en niet voor anderen. Wij leveren zeer verfijnd werk.
U vindt de kleermot misschien schadelijk, maar hij is een goede kleermaker. De kledingetende larve van deze mot leeft in een koker of cocon, gemaakt van stukjes wol, bont of ander kledingmateriaal, samengesponnen met zijde. Als de larve groeit, wordt de koker te krap. Aangezien er geen zomen „uitgelegd” kunnen worden, maakt de larve van het eind naar het midden een snede en zet er nieuw materiaal tussen waardoor de cocon groter wordt. Vanwege de symmetrie doet hij aan de andere kant hetzelfde. Het resultaat? U bent misschien boos, maar mijn neef heeft zichzelf een ruimer jasje aangemeten, zonder gedurende de verandering zijn bescherming te verliezen.
Bij een experiment heeft men deze kleine kleermaker een veelkleurige jas laten weven door hem op stof van verschillende tint te zetten.
Ik ben ook onder de indruk van de bekwaamheden van mijn neef schietmot, ook wel kokerjuffer genoemd. De larve van de schietmot leeft gewoonlijk in stromend water. Daar bouwt hij zijn huisje of koker; iedere soort bouwt zijn eigen karakteristieke onderwaterwoning. Eerst maakt de larve een buisvormig zijden omhulsel. Maar om het heerlijk smakende, tere lijf van de schietmot tegen eventuele maaltijdgebruikers te beschermen, moet er meer worden gedaan, daarom versterkt de schietmot zijn omhulsel met het materiaal dat hij verkiest: steentjes, zand, schelpen, enzovoort. Sommige soorten maken een beschermende bedekking van bladeren die ze om hun zijden koker wikkelen. Als het materiaal dat de bepaalde soort graag gebruikt niet voorhanden is, kunnen schietmotten elk ander soort materiaal dat er wel is, gebruiken.
Eén soort schietmot geeft de voorkeur aan kleine waterslakken, die hij aan zijn zijden omhulsel bevestigt; de bewoners van deze slakkehuizen zijn er dan nog levend en wel in. Zo’n beschermende bedekking van levende slakken schijnt wat moeilijk te hanteren te zijn, daarom doet deze kleermaker aan iedere kant een stokje ten einde de vereiste opwaartse druk te leveren, maar niet zo dat het wonderbaarlijke kledingstuk gaat drijven. De lange poten van de schietmot steken uit zijn omhulsel en als hij op zoek is naar voedsel neemt hij zijn huis gemakkelijk mee. Alsof dit nog niet genoeg is, kan dit kleine schepsel, terwijl het zich in stromend water bevindt, de lengte en omvang van zijn prachtige behuizing vermeerderen!
Bouwmeesters
Wij insekten hebben onder ons enkele geweldige bouwmeesters. En onze bouwwijze is architectonisch precies aangepast aan onze behoeften. Neem eens een bekend voorbeeld, de cel van de raat van de honingbij. Deze is zeskantig van structuur — een regelmatige zeshoek. Voor de honingbij is dat precies de juiste vorm! Weet u, een cel met zes kanten kan meer honing bevatten dan een driehoekige of vierkante. Ook geeft deze vorm, door het contact met de andere cellen, een grote stevigheid aan het bouwsel. De bijen zelf weten natuurlijk niets van meetkunde af en daarom wordt dit voorbeeld van vakmanschap wel „het wonderbaarlijkste van alle bekende instincten” genoemd.
Ja, door het instinct waarmee wij kleine vaklieden werden geschapen, kunnen wij bepaalde verbazingwekkende prestaties verrichten. Neem bijvoorbeeld eens het vak van webbenmaken. Hoewel spinnen zuiver biologisch bezien niet tot de insekten behoren, zijn ze wel vaklieden in miniatuur. Bij het bouwen van hun web moeten ze afstanden meten, hoeken berekenen, draden evenwijdig aan elkaar trekken en de ingewikkelde meetkundige structuur kennen. Bekijk eens het web van een spin, met een middellijn van 56 centimeter. Hoeveel werk was hiervoor nodig? Het nam precies zesendertig minuten in beslag. Er werd 37 meter draad in verwerkt, dat op 699 plaatsen werd vastgemaakt. De spin heeft meer dan 54 meter afgelegd zonder in de war te raken of niet verder te kunnen!
Het is interessant dat spinnen zichzelf alleen maar oliën op de plekken waar ze met hun web in contact komen. Een vijftien centimeter grote Indiase oerwoudspin gaat zich bij zonsondergang één uur lang oliën; zijn instinct zorgt ervoor dat hij met overleg handelt, waardoor er niets wordt verspeeld.
Tot ons, insekten, behoren ook termieten in Afrika die heuvels bouwen die zelfs door de mens als wonderen van bouwkunst worden beschouwd. Sommige van deze bouwwerken lijken op reusachtige paddestoelen. En de architectuur wisselt naar gelang de omstandigheden die de termieten ontmoeten. In een bepaald gebied bouwen de termieten misschien een soort kasteel met torentjes; in een streek met andere grond kan de heuvel lijken op een zes meter hoge toren.
Een van de meest verbazingwekkende, door insekten gebouwde heuvels vindt men in Australië. Daar bouwen de termieten een zogenaamde „kompasheuvel”. Deze kan drie en een halve meter hoog en drie meter lang zijn, en hij is bijna altijd in de richting noord-zuid gebouwd, met de platte kanten naar het oosten en westen. Ik begrijp dat jullie insektenkenners nog steeds niet begrijpen waarom deze vaklieden in miniatuur hun heuvels volgens de richting van het kompas bouwen. En wat ons betreft, wij vertellen het niet.
Boormeesters en mijnwerkers
Dan hebben wij de vrouwelijke sluipwesp die in het bezit is van een vijf tot dertien centimeter lange, haardunne buis. Daarmee kan ze verscheidene centimeters in de stam van een boom boren en de verborgen tunnel van een houtetende insekt bereiken. Dan legt ze door de buis haar eieren, die, als ze uitkomen, de andere insekten opeten. Hoe kan ze zo’n dunne buis door hard hout boren? Aan de top van de buis zitten kleine tandjes, die de houtvezels loszagen. Ook heeft deze wesp een verbazingwekkend vermogen om de boorplaats te bepalen. Ze gaat eenvoudig de boom zorgvuldig na, waarbij ze nu en dan met haar antennes klopt. Ten slotte is ze tevreden, zet haar poten in de schors en begint naar het verborgen doel te boren — midden in de roos!
De larven van de houtwesp zijn verbazingwekkende mijnwerkers. Zo legde eens een houtwesp haar eieren in een stuk dennehout dat vervolgens werd omgeven door bijna vier centimeter (vijftien lagen) lood. Toen het tijd werd om te voorschijn te komen, boorden de larven zich door het hout heen en botsten op het lood. Hevig met hun kaken rukkend, knaagden ze zich door laag na laag; sommige verloren tijdens de tocht het leven, maar de andere kwamen door bijna vier centimeter zuiver lood heen. En dit werd gedaan door pasgeborenen, gedreven door hun instinct!
Andere verbazingwekkende mijnwerkers in het insektenrijk zijn de parasolmieren en bepaalde termieten. Een aantal parasolmieren groef eens een tunnel onder de bedding van de rivier de Paraiba door, een Braziliaanse rivier die even breed is als de Theems bij de London Bridge. En bepaalde termieten uit de woestijn graven verticale tunnels tot op veertig meter diepte in de zandige grond! Als ze water bereiken, brengen ze wat ze nodig hebben naar boven, naar het nest.
Er is nog veel meer dat ik u zou kunnen vertellen. Tenslotte zijn wij insekten veel talrijker dan jullie mensen. Maar wat u hebt gelezen is voor vandaag genoeg. Ik vond het fijn dat ik u beter met ons, vaklieden in miniatuur, heb kunnen laten kennismaken.