Duivelaanbidding en het katholicisme in Bolivia
Door Ontwaakt!-correspondent in Bolivia
DE SPAANS-SPREKENDE mijnwerkers noemen hem El Tío. In het Engels heet hij „Uncle”. Maar in beide talen is degene die bedoeld wordt de Duivel.
Het meest opmerkelijke in verband met degene die door de mensen in en rond de hooggelegen mijnstad Oruro, in Bolivia, El Tío wordt genoemd, is de wijze waarop hij door mensen die de katholieke religie beoefenen wordt aanbeden. Er is zelfs een „Duivelscarnaval” dat hier ieder jaar op het weekend vóór de Vastentijd wordt gevierd.
Hoe is het allemaal begonnen? En hoe werd deze Duivelaanbidding opgenomen in het plaatselijke katholieke geloof van de Bolivianen?
Een oude Indiaanse legende
De stad Oruro ontleent haar naam aan de Uru’s, een indianenstam die in dat gebied woonde toen de Spaanse conquistadores Zuid-Amerika binnenkwamen. Behalve de zon, de maan, de sterren en de aarde aanbaden de Uru’s een god genaamd Huari (ook bekend als Supay voor de Bolivianen die Quechua spreken), de god van de onderwereld en van de rijkdom aan mineralen die in dit onderaardse domein worden gevonden.
Een Uru-legende verhaalt hoe Huari besloot hen te straffen omdat zij de slechte levenswijze die door deze god van de onderwereld werd gesymboliseerd, de rug hadden toegekeerd. Een machtige slang, een enorme hagedis, een monsterachtige kikker en een horde mieren werden door Huari in slagorde geschaard en van verschillende kanten op de vreedzame indianenstam afgestuurd. Toen, op het kritieke moment, zo verhaalt de legende, verscheen er een mooie Nusta (jonge maagd) om de Uru’s te redden, waarbij zij de bonte mengeling van Huari’s strijdkrachten versloeg en hem onder de grond joeg.
Versmelting met het katholicisme
Wanneer verschijnt dan het katholicisme in het beeld? Dat gebeurde met de invasie van de Spanjaarden en de gedwongen bekering van de Indianen tot het katholieke geloof. Maar de oude legenden en aanbidding bleven bestaan. Nusta kwam bekend te staan als de „Maagd van Socavón”, de patrones van alle mijnwerkers. Men veronderstelt dat zij hen beschermt als zij onder de grond gaan om tin en andere metalen te delven, waardoor zij in de nabijheid komen van de god van de onderwereld, Huari. Om echter nog betere bescherming te krijgen, brengen de mijnwerkers geregeld offers aan Huari (nu El Tío genaamd), speciaal op de eerste vrijdag van iedere maand.
Een artikel in La Patria (8 februari 1970) dat laat zien hoe de Duivelaanbidding versmolten is met het katholicisme, zegt: „In Amerika stond de Iberische geestelijkheid [de geestelijkheid afkomstig uit Spanje], die werd geconfronteerd met de onmogelijkheid de oorspronkelijke religie uit te roeien, de Uru’s tenslotte toe Supay [of Huari] in de mijnen te blijven aanbidden . . . en, volgens de woorden van Ambrossetti, ’het geloof van de Indianen een katholiek vernisje te geven’.”
Dr. Augusto Beltrán H., een autoriteit op het gebied van de carnavalsgewoonten van Oruro, vergelijkt deze gewoonten met die op heidense Romeinse feesten, ter ere van goden zoals Saturnus, en zegt dat „de god van het Romeinse carnaval hier is vervangen door Lucifer, de Huari van de Uru’s of de Supay van de Quechua-Indianen.”
Maar in Oruro wordt Lucifer (de Duivel) verbonden met de Maagd doordat de offers die aan Huari (El Tío) worden gebracht, offers worden die aan haar worden gebracht. Zoals het artikel in La Patria verder zegt: „. . . de ’offers’ . . . van goud en zilver, afkomstig uit het domein van de onderwereld [worden door] de Duivels [mannen in duivelkostuums] naar het Plaza van Socavón [gedragen], waar de tempel die de naam van de Maagd draagt is opgericht. Zilverwerk en goud en zilveren juwelen worden op honderden bogen bevestigd . . . waaronder de processies, geleid door priesters en gevolgd door duivels met Lucifer als leider, zullen doorgaan.”
Het zoeken van de mijnwerkers naar veiligheid
Het leven is niet makkelijk voor de mijnwerkers van Oruro. Zij staan om vijf uur ’s morgens op en velen hebben alleen maar brood en koffie genuttigd voordat zij het harde werk in de mijnen aanvangen. Sommigen kauwen cocabladeren (die het verdovende middel cocaïne bevatten) om hun hongergevoel te doen verdwijnen en de kou niet te voelen. Hun inspannende werk duurt acht tot twaalf uur, met een rustpauze op het middaguur wanneer zij een eenvoudige maar warme maaltijd kunnen gebruiken die door hun vrouwen naar de mijn is gebracht. Uit vrees dat het leven steeds moeilijker zal worden, voelen velen zich verplicht de bijgelovige gewoonten die hun voorouders aan hen hebben doorgegeven, met inbegrip van de verering van El Tío, te volgen.
Behalve de speciale carnavalsoffers nemen de katholieke mijnwerkers van tijd tot tijd offers voor El Tío mee naar de mijn: misschien wat alcohol, narcotische cocabladeren of sigaretten. Als er een ernstig ongeluk in de mijnen gebeurt, trachten zij soms El Tío gunstig te stemmen door één of twee lama’s in de mijn te offeren en het bloed rondom te sprenkelen.
Hoe vreemd zouden veel van deze gewoonten voor katholieken in New York, Parijs of München zijn! Toch vormen ze een typisch voorbeeld van de gewoonte het katholicisme aan heidense gebruiken aan te passen ten einde de plaatselijke bevolking gemakkelijker onder het juk van de Kerk te brengen. Inderdaad volkomen verschillend van het beginsel dat nadrukkelijk door de apostel Paulus werd uiteengezet: „Wat heeft licht met duisternis gemeen? Welke overeenstemming bestaat er voorts tussen Christus en Belial [de Duivel]?” — 2 Kor. 6:14, 15.
Ondanks hun verering van de Maagd van Socavón, alsook van El Tío, heeft religie een geringe invloed op het dagelijkse leven van de meeste mijnwerkers. De invloed van de Kerk gaat gestadig achteruit nu meer en meer mijnwerkers, die geen werkelijke troost of hoop vinden, zich tot politieke groeperingen en het communisme keren, tevergeefs zoekend naar iets beters.
Gelukkig horen velen het goede nieuws van iets dat werkelijk beter is, als zij inlichtingen ontvangen over de reine aanbidding van de ware God die in de bijbel wordt geleerd. Door middel van de kosteloze bijbelstudies die door Jehovah’s getuigen bij hen thuis worden geleid, leren velen ’de waarheid die hen vrijmaakt’ kennen (Joh. 8:31, 32), doordat zij bevrijd worden van verslavende gewoonten en bijgelovige vrees. In plaats van te vertrouwen op politieke beloften, stellen zij van ganser harte hun vertrouwen in Gods koninkrijk als de enige regering die beslist betere toestanden zal brengen.