Bonsai — De verbazingwekkende dwergbomen
Door Ontwaakt!-correspondent in Brazilië
WIJ HADDEN vanaf de stad São Paulo ongeveer 50 kilometer gereisd om te komen kijken naar dat wat de Japanners „bonsai” noemen. Onder het genot van een kop thee dat ons door de vrouw van de kweker was gebracht, uitten wij onze verbazing toen hij ons vertelde dat enkele van zijn vierhonderd dwergbomen dertig jaar oud waren.
Op één lange tafel stonden enkele kleine denneboompjes die eruitzagen als oude, door de wind geteisterde bomen. Op andere schappen en planken stonden bomen afzonderlijk in ondiepe schalen. De beschrijving die erbij stond, scheen wel toepasselijk: „Eenzame boom op het vlakke veld.” Andere zagen er verdord uit, met neerhangende takken die kennelijk over een denkbeeldige steile rotswand heenstaken. Twee andere groeiden uit dezelfde stronk; „de tweelingen” werden ze genoemd. Nog een andere had hoge blootliggende wortels, die zich, alsof het leven ervan afhing, trouw vasthielden aan een oever waarvan de grond door het water vrijwel was weggeslepen, althans zo leek het.
Bij sommige van deze boompjes is het fascinerende in de wijde vertakking van de wortels gelegen, bij andere in de zich uitspreidende takken, het uiterlijk van de tronk, de bladeren of de bloemen. Soms is een beetje mos of wat kiezelstenen voldoende om er het idee van een echt landschap aan te geven.
Een twintigjarige persimoen met vruchten van natuurlijke grootte had een hoogte van nauwelijks zestig centimeter. Ook een zelfs nog kleinere sinaasappelboom en verscheidene pruimebomen trokken onze aandacht.
Een aantal van dezelfde of verschillende bomen in groepen doen aan een bos denken. En de boompjes die uit een rots te voorschijn groeien, lijken bedrieglijk veel op bomen die door aanhoudende storm en wind tegen een steile bergwand klein gebleven zijn. Ja, er zijn inderdaad bergbeklimmers die hun leven riskeren om te trachten werkelijk kleingebleven bomen van hachelijke plaatsen zoals aan weer en wind blootgestelde rotsen en rotswanden vandaan te halen.
Wie zou toch ooit op de gedachte gekomen zijn, bomen van normale grootte tot deze mini-afmeting terug te brengen? vroegen wij ons af. Wij kwamen te weten dat een Japanse tempelbezitter, Honen Sjonin genaamd, volgens zeggen in de twaalfde eeuw van onze gewone tijdrekening miniatuurbomen heeft gekweekt om zijn kleine Bodo-tempel te versieren. Het is evenwel niet bekend of hij het werkelijk is geweest die met het kweken van dwergbomen is begonnen of dat hij deze techniek alleen maar heeft overgenomen.
De dwergbomen kwamen bekend te staan als „bonsai”, letterlijk bone (ondiepe pot) en saigh (teelt), of met andere woorden: „potdwergbomen”. Al gauw waren ze over Japan, China, Zuid-Azië, het Stille-Oceaangebied, Europa en Amerika verbreid en vonden ze vrijwel overal bewonderaars. In de zeventiende eeuw brachten de Hollanders deze kunst naar de West. Tegenwoordig is het niet langer alleen maar een kwestie van ruimte waardoor enthousiaste bewonderaars en amateur-tuiniers tot het kweken van dwergvormen worden geïnspireerd. Het gaat om de sierlijkheid en schoonheid van de dwergbomen.
Japanse emigranten brachten de bonsai ongeveer dertig jaar geleden naar São Paulo. Thans kweken zij niet alleen dwergvariëteiten van geïmporteerde bomen, maar ook van soorten die in Brazilië algemeen voorkomen, zoals guajava- en palmbomen, de gele ipê, de bougainvillea en vele andere.
De leeftijd van deze dwergbomen is opmerkelijk. Sommige bijvoorbeeld die vanuit Japan naar Brazilië werden gebracht, zijn meer dan tweehonderd jaar oud. En in Japan zijn er die volgens berekening een leeftijd van zeshonderd jaar hebben bereikt, zoals één dwergboom in Osaka.
Hoe men dwergvormen kweekt
De meest populaire manier om een boom te verkleinen is nog steeds de natuurlijke methode, hoewel ter verkrijging van nog kleinere exemplaren dan de gebruikelijke hoogte van ongeveer vijftig centimeter van chemicaliën en hormonen gebruik wordt gemaakt.
De boom wordt vele jaren lang in vorm gebracht en ’gedresseerd’ totdat hij de statige vorm van een grote boom krijgt. Bonsai kunnen zowel van zaden als van stekken worden gekweekt. In het eerste geval gebruikt men bij voorkeur zaden van bomen die van nature al kleiner zijn en plant die dan in grond die voor de helft met zand is vermengd. Na vier tot acht maanden ontkiemen ze, waarna men ze op de normale wijze laat groeien. Stekken worden net zo geplant als van elke andere boom. Het verkleiningsproces begint na zeven tot negen of twaalf maanden terwijl ze nog buiten in de grond staan.
De zijwortels worden op ongeveer vijftien tot twintig centimeter van de tronk met een spade afgestoken. Zelfs in dit stadium kan een tak nog in de gewenste vorm worden gebogen door er sterk ijzerdraad omheen te winden. Met achttien maanden worden de zijwortels opnieuw afgestoken. Dit proces wordt met 24, 32 en 36 maanden herhaald. Gedurende de eerste drie beslissende jaren kan er wel 60 tot 70 percent van de jonge planten afsterven.
Vervolgens wordt de boom in een ondiepe bloempot geplant. Ditmaal wordt de hoofdwortel gedeeltelijk weggesneden; men laat er slechts vijf centimeter van onder de tronk zitten. Op deze manier wordt de groei in alle opzichten belemmerd.
De vorm van de bak of schaal moet één geheel vormen met de boomsoort en de schilderachtige omgeving waarvan de toeschouwer een indruk moet krijgen. Gewoonlijk is deze bak of schaal van aardewerk, en de vorm en diepte ervan moeten in juiste verhouding staan tot de boom.
Men bevestigt een metalen net in de pot om te voorkomen dat de aarde aan de kanten vast blijft kleven. Een op juiste wijze geplante bonsai kan op elk willekeurig moment uit zijn pot worden gehaald, maar hij blijft er twee tot drie jaar in; dan wordt er nieuwe grond in gedaan om te voorkomen dat de wortels gaan rotten. Vervolgens is de plant zover dat de twijgen met een schaar kunnen worden gesnoeid en de takken zo gebogen kunnen worden als de kweker het wenst.
Over het algemeen krijgen ze een- of tweemaal per dag water, uitgezonderd in de winter, wanneer de boom in rusttoestand is. Velen steken een droge lucifer in de grond en halen hem er daarna weer uit. Als hij vochtig is, geven zij de boom geen water, doch als hij droog is, dan wel.
Tijdens de groeiperiode wordt de boom bij geregelde tussenpozen uit de pot gelicht om de wortels in te korten. Men gaat hiermee voort totdat de boom, na misschien tien tot vijftien jaar of nog meer, zijn „volle wasdom” heeft bereikt.
Behalve tijdens koud winterweer kunnen de bonsai buiten blijven staan. Frisse lucht is noodzakelijk, dus ingeval van centrale verwarming kunnen ze niet langer dan een week aan één stuk binnenblijven.
Onze gastheer gaf zijn zoon de een of andere opdracht in het Japans, en weldra keerde deze terug en bood hij ons twee cypres-bonsai ten geschenke aan. Wij uitten onze dank voor deze onverwachte royale gift en vervolgden onze weg, terwijl in onze oren zijn woorden nog naklonken:
„De waarde van een bonsai is in zijn vorm, hoogte en leeftijd gelegen. Hoe ouder de boom is, hoe waardevoller. Hoewel hij wat afmetingen betreft een miniatuurboom is en er zeer oud uitziet, is het een boom waar uw kinderen, uw kindskinderen en komende generaties zelfs nog in uw eigen woonkamer plezier van zullen hebben.”