Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 22/5 blz. 12-15
  • Verlangend mijn grootse Schepper te leren kennen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Verlangend mijn grootse Schepper te leren kennen
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Op zoek naar de waarheid
  • Op het goede spoor
  • Volle-tijddienst
  • Vreugden van de speciale pioniersdienst
  • Beschermende engelen
Ontwaakt! 1971
g71 22/5 blz. 12-15

Verlangend mijn grootse Schepper te leren kennen

Zoals verteld door Anna E. Zimmerman

IK BEN dankbaar voor de drieënzestig jaar sedert ik mijn leven aan mijn Grootse Schepper opdroeg. Meer dan achtenvijftig jaren hiervan heb ik in zijn volle-tijddienst doorgebracht. Wat een voorrecht is dit geweest! Ik blijf mijzelf echter de juiste zienswijze voorhouden die Christus Jezus heeft aanbevolen en als volgt onder woorden bracht: „Wij zijn onnutte slaven. Wij hebben gedaan wat wij moesten doen.” — Luk. 17:10.

Zou u graag willen weten wat mij heeft bewogen het leven van een volle-tijdpredikster van het „goede nieuws van het koninkrijk” te kiezen? Nu, ik werd in 1895 in Blue Ball, een dorp in het oostelijk deel van Pennsylvania, geboren en groeide op in de nabijgelegen stad New Holland. Hier begon in mijn vroege kinderjaren, waarin ik vaak de schoonheid van de sterrenhemel bewonderde, het verlangen te groeien meer over mijn Grootse Schepper te weten. Evenals David uit de oudheid was ik vol bewondering hoe ’de hemelen de heerlijkheid van God bekendmaakten’. Hoe kon ik hem echter beter leren kennen? Mijn ouders wisten niet wat Gods voornemen was. Zij wisten niet eens of hij wel een naam had. — Ps. 19:1.

Op zoek naar de waarheid

Ik besefte al gauw dat ook mijn vader naar de waarheid omtrent God en zijn voornemens zocht. Ik hoorde hem vaak tegen moeder zeggen: „Ik weet dat wij niet de waarheid uit de bijbel hebben, maar dat er ergens iemand is die deze wel heeft en ik zal net zolang zoeken tot ik haar gevonden heb.” Hij ging elke zondag naar een andere kerk en bleef dan na de dienst om de predikant vragen te stellen over de „hel”, „onsterfelijkheid van de ziel” en de „drieëenheid”. Bij zijn terugkomst kwamen wij altijd met de vraag voor de dag: „Heb je de waarheid gevonden?” Hij antwoordde altijd: „Neen.”

Ik herinner mij achter een dame en haar man aangegaan te zijn die naar het station gingen. Zij hadden namelijk een traktaatje aan onze deur afgegeven en toen ik het aan vader gaf, merkte hij op: „Zij zouden wel eens de waarheid kunnen hebben.” Dat was voldoende voor mij. Ik holde hen achterna en toen ik hen had ingehaald, pakte ik de dame bij de hand en nodigde haar uit terug te komen omdat „vader zegt dat u wel eens de waarheid uit de bijbel zou kunnen hebben”. Kunt u zich voorstellen hoe verbaasd zij waren?

Ik bood hun zelfs een nacht gratis logies, een avondmaaltijd en een ontbijt aan. De dame vroeg hoe oud ik was. Ik antwoordde: „Ik ben negen jaar.” Het was hun niet kwalijk te nemen dat zij zich verontschuldigden.

Op het goede spoor

In het begin van de daaropvolgende lente, 1905, solliciteerde een Bijbelonderzoeker naar een betrekking op mijn vaders kantoor. Hij kreeg de betrekking en wij kregen de waarheid. Vader bracht hem die dag mee naar huis voor het middageten en stelde hem aan ons voor. Hoe ontroerd was ik toen ik vader hoorde zeggen: „We hebben eindelijk de waarheid gevonden!” Het schijnt dat zij sinds zeven uur die morgen over de bijbel hadden gesproken. De rest van de dag en tot diep in de nacht genoot ik de vreugde bij de bespreking aanwezig te zijn. Eindelijk kwamen wij te weten dat Gods naam Jehovah is en dat hij een gemeente op aarde heeft.

Kort daarna vernamen wij dat Charles T. Russell, de eerste president van het Wachttorengenootschap, een rondreis door Canada en de Verenigde Staten zou maken en een lezing zou houden met de pakkende titel: „Heen en weer naar de hel.” Er werden regelingen getroffen om Lancaster, onze stad, in zijn reisplan op te nemen. De lezing werd wijd en zijd aangekondigd, zelfs door aanplakbiljetten op alle trams waarop met grote letters de ongewone titel stond, tot vermaak van velen. Het operagebouw was echter tjokvol en er werd zoveel belangstelling aan de dag gelegd dat er kort daarna een gemeente werd georganiseerd.

Familieleden, vrienden en vele anderen kregen weldra belangstelling en droegen hun leven aan Jehovah op. In 1907 werd ik als symbool van mijn opdracht gedoopt. Dit was in Norfolk, in de Amerikaanse staat Virginia, waar de dooplezing werd gehouden door Pastor Russell.

Mijn volgende doel was, als een „pionier”-verkondigster van het „goede nieuws” in de volle-tijddienst te gaan. Ik moest echter eerst nog een paar jaar naar school. Ik benutte de tijd door geregeld de bijbel te bestuderen. Ik genoot vooral van De Wachttoren en las elke uitgave zodra deze verscheen. Ik las hem vaak aan moeder voor als zij vruchten en groenten aan het inmaken was of andere huishoudelijke bezigheden verrichtte. Wat een dagelijks feest hadden wij!

Omstreeks deze tijd verhuisden wij naar de stad Lancaster. Hier had ik een aandeel aan het verspreiden van traktaten. Wij stonden ’s zondagsmorgens vroeg op, schoven onder elke deur een traktaat door en kwamen dan op tijd terug voor het middagmaal waarna wij ons gereedmaakten om naar onze bijbelstudievergadering te gaan. Wij reikten ook dikwijls traktaten uit als wij met de trein meegingen. Hierdoor hadden wij veel interessante ervaringen. De manier waarop ik mijn laatste twee schoolvakanties besteedde was, de mensen huis aan huis te bezoeken met hulpmiddelen voor bijbelstudie, getiteld „Schriftstudiën”, in linnen gebonden publikaties die tegen de kostprijs bij geïnteresseerden werden achtergelaten.

Volle-tijddienst

In januari 1912 ging ik als colportrice, zoals „pionier”-verkondigsters toen genoemd werden, in de volle-tijddienst. Het was heerlijk ’altijd volop te doen te hebben in het werk van de Heer’! (1 Kor. 15:58) En door het leven zo te benutten, bleef de geest altijd openstaan voor steeds meer onderzoek naar de eigenschappen, beginselen en voornemens van de Schepper. Het leek of men werkelijk met Jehovah wandelde en sprak. En wat een vreugde om ’van dag tot dag het goede nieuws van redding te vertellen’! — Ps. 96:2.

Mijn eerste gebiedstoewijzing omvatte York in Pennsylvania en een aantal andere steden. In één plaats rees er een waar probleem — in een groot gebied was er huis aan huis niemand thuis. Vrijwel iedereen werkte in de sigarenfabrieken. De oplossing van het probleem was de fabrieksdirecteuren te benaderen en vervolgens toestemming te krijgen om even met elke werknemer te spreken. Er werden bestellingen voor de drie delen van Schriftstudiën opgenomen. Daarna de onzekerheid: „Zouden degenen die een bestelling hadden gedaan op betaaldag wel betalen? Gelukkig, de meesten wel.

In één toewijzing verkreeg ik zonder het te weten een kamer in een spookhuis. Toen ik op een avond eerder dan verwacht naar huis terugkeerde en bemerkte dat de andere bewoners nog met vakantie waren, ging ik naar mijn kamer op de tweede verdieping. Toen ik de deur achter mij sloot, hoorde ik een griezelig geluid — iets dat leek op de zware tred van reusachtige dieren die de twee trappen naar mijn kamer opliepen. Toen zag ik de deurknop bewegen. Wat was ik op dat moment blij mij te herinneren wat ik vele jaren tevoren in de brochure van het Wachttorengenootschap over het spiritisme had gelezen!

Onverwijld bad ik Jehovah om bescherming. Ik pakte een bijbel op en, met mijn gezicht naar de deur gekeerd en stampend met mijn voet om mijn woorden kracht bij te zetten, zei ik op een duidelijke positieve toon: „In de naam van Jehovah gelast ik jullie weg te gaan en nooit meer terug te komen!” Onmiddellijk kon ik onzekere bewegingen op het portaal horen, toen ging er een raam open en was er het geluid van een krachtige, stevige bries, en toen sloeg het raam dicht. Hoe dankbaar was ik Jehovah voor de raad en hulp die hij door middel van zijn organisatie had verschaft!

Tegen het eind van de herfst van 1933 beleefde ik de vreugde dat mijn ouders met mij mee in de volle-tijddienst gingen en zij hebben getrouw in deze dienst volhard totdat zij hun loopbaan in de dood beëindigden. Herhaaldelijk gaven zij door wat zij zeiden duidelijk te kennen dat hun pioniersjaren de gelukkigste van alle bleken te zijn.

Vreugden van de speciale pioniersdienst

In 1942 werd ik uitgenodigd speciale pioniersdienst te verrichten, hetgeen betekent elke maand 150 uren aan het prediken van Gods Woord te besteden en zoveel mogelijk huisbijbelstudies op te richten. Ik verheug mij nog altijd in dat voorrecht — soms door te zaaien en andere keren door zaad te begieten dat reeds geplant is. Het is altijd opwindend te beseffen dat het „God [is] die het wasdom geeft” (1 Kor. 3:7, 9). Waarom? Omdat dit ons werkelijk tot medewerkers van God maakt! Hoe geweldig hem zo goed te kennen!

In Williamsburg, in Virginia, had ik het voorrecht een aandeel te hebben aan het oprichten van een nieuwe gemeente van aanbidders van Jehovah. Hier leidde ik twee bijbelstudies in gezinnen waarvan de echtgenoten net uit het leger kwamen en nu verhuisden de twee gezinnen naar het verre westen. Beide gezinnen zochten echter Jehovah’s getuigen op en bleven in hun nieuwe woonplaats in het westen studeren. En waar denkt u dat ik hen weer ontmoette? Ja, op een van onze grote congressen in New York. Nu zijn beide echtparen gedoopt en één ervan is in de pioniersdienst.

Beschermende engelen

Hoe beter ik mijn Schepper heb leren kennen, des te meer vertrouwen heb ik gekregen in de bescherming en zorg waarmee hij degenen omringt die hem van harte dienen. Men moet geloof hebben om met succes het hoofd te bieden aan tal van dingen die men in de prediking van het Koninkrijk meemaakt. Jehovah verzekert ons ten aanzien hiervan echter: „De engel van Jehovah legert zich rondom degenen die hem vrezen.” — Ps. 34:7.

Ik herinner mij levendig een ervaring waarin ik werkelijk geloof in deze belofte nodig had. Het gebeurde in Culpeper County in de staat Virginia. Terwijl ik tussen de middag in mijn auto mijn brood zat op te eten en verdiept was in het lezen van een exemplaar van De Wachttoren, werd ik plotseling twee lange armen gewaar die in de auto werden gestoken, één hand bij mijn keel en de andere achter mijn nek, met gekromde vingers die klaar stonden om mijn keel dicht te knijpen. Onmiddellijk smeekte ik Jehovah om hulp. De lange man stond doodstil.

Terwijl ik mijn hals buiten zijn bereik manoeuvreerde, leidde ik zijn gedachten af door hem te vertellen dat ik meestal De Wachttoren las terwijl ik mijn brood opat en dat ik werkelijk had genoten van het artikel dat ik zojuist had gelezen en waarin werd gesproken over de zegeningen die Christus’ koninkrijk weldra zou brengen, toestanden waarin niets pijn zal doen of bang zal maken. Toen mijn hals vrij was, maar met zijn armen nog steeds in mijn auto, draaide ik het contactsleuteltje om en zei: „Ik moet nu gaan. Leuk met u gesproken te hebben.” Hierop stapte hij achteruit, het zijn armen langs zijn zij vallen en het laatste wat ik in mijn achteruitkijkspiegel van hem zag, was dat hij daar nog altijd als een stenen standbeeld stond.

Deze ervaring bleef mij lang bij doch had tot gevolg dat ik mij in een intiemere verhouding tot de Schepper voelde staan. Ik wist dat God zijn dienstknechten zou beschermen en hun de kracht zou geven aan alle kwaad het hoofd te bieden.

Als ik terugblik op de jaren die ik besteed heb om Jehovah te leren kennen, kan ik vele vreugdevolle voorrechten opnoemen. Ik heb in elf verschillende staten alsook in het Columbiadistrict gepionierd. Ik heb het gezin van Jehovah’s aanbidders steeds groter zien worden totdat er thans honderdduizenden zijn die de hoop koesteren door het Armageddon van deze goddeloze wereld heen gespaard te worden en voor eeuwig in dit prachtige aardse tehuis te leven.

Ik begrijp echter dat er nog altijd veel over de liefdevolle Schepper valt te leren. In mijn hart ben ik nog altijd dat kleine meisje dat naar de sterrenhemel opkeek en nieuwsgierig was naar de Grote Persoon die alle dingen zo goed, zo prachtig en zo verrukkelijk voor de ogen van zijn aardse zonen en dochters had gemaakt. Ik wil nooit de kostbare schat van het dienen van mijn Schepper opgeven. Mijn hartewens is zo passend onder woorden gebracht door de psalmist: „Eén ding heb ik van Jehovah gevraagd — dat zal ik zoeken: Dat ik al de dagen van mijn leven in het huis van Jehovah mag wonen om de aangenaamheid van Jehovah te aanschouwen.” — Ps. 27:4.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen