Ik was een atheïst
IK KAN mij nog heel goed die dag in het begin van de jaren veertig herinneren toen ik nog maar vijf jaar oud was. Alle kinderen en hun ouders in de plaats waar ik woonde in midden-Zweden werden voor een zondagsschoolfeest uitgenodigd. De kinderen werd gevraagd iets tot het programma bij te dragen door de een of andere vorm van religieus amusement te bieden. Daar ik accordeon speelde, zette ik toen het mijn beurt was een populaire wals in. Mijn toehoorders waren niet erg enthousiast. Naderhand werd mij gezegd dat het een zonde was zulke muziek te spelen en dat ik mij diende te schamen.
In mijn vroege kinderjaren werd mij vaak gezegd dat het een zonde was bepaalde dingen te doen, maar niemand vertelde mij waarom. Daarom begon mijn hart met blinde vrees in plaats van liefde voor God vervuld te worden. Deze vrees bracht mij ertoe religie te mijden, ofschoon religieus onderricht een voornaam onderdeel van het gewone schoolonderwijs was. Gedurende mijn eerste schooljaren hadden de zogenoemde bijbellessen meer weg van fantastische verhalen. Ik luisterde met grote belangstelling naar de wonderen van Jezus en zijn discipelen, maar ik was er nooit van overtuigd dat die dingen werkelijk waren gebeurd.
Toen ik veertien was, kwam de tijd voor de confirmatie. Het was mijn eerste nauwe contact met een priester van de staatskerk. Het enige wat ik mij van hem kan herinneren is dat hij geïrriteerd, nerveus en een kettingroker was. De voorbereiding voor de confirmatie was meer een routinekwestie dan een gelegenheid om geloof in God en de bijbel op te bouwen. Op de dag van de confirmatie was ik opgewondener over het feit dat ik een nieuw fototoestel en een nieuw pak had dan over het feit dat ik aan het Heilig Avondmaal mocht deelnemen.
Geloof in God volledig verwoest
De volgende jaren op een middelbare school versterkten mijn geloof in God niet. De religieuze lessen werden door een priester gegeven die openlijk toegaf dat hij niet in alle gedeelten van de bijbel, met inbegrip van het scheppingsverslag geloofde. Hij zei dat de bijbel door mensen was geschreven en daarom net als ieder ander boek met een kritische houding gelezen diende te worden. Ik vond de evolutietheorie die in de biologielessen werd onderwezen een aanvaardbaar alternatief voor het bijbelse scheppingsverslag. Tijdens de studie van de moderne geschiedenis vernam ik over de pogingen van zogenaamd christelijke natiën om elkaar te vernietigen. Deze dingen droegen ertoe bij dat ik een atheïstische zienswijze ging ontwikkelen.
Er zouden nog meer geloofverwoestende ervaringen komen. Nadat ik de middelbare school had doorlopen, werd ik opgeroepen voor de militaire dienst. De legeraalmoezenier verklaarde dat oorlog een noodzakelijk kwaad was. Hij zei dat een soldaat een dienstknecht van God was omdat Jezus had gezegd dat degenen die het zwaard opnamen, door het zwaard zouden vergaan, en er moest iemand zijn om dat andere zwaard te hanteren. Hij beklemtoonde dat de oorlog door God was ingesteld als een middel om de ware religie te verwezenlijken. Ik dacht bij mezelf: Als het christendom niets beters te bieden heeft dan dat, heb ik het niet nodig!
Zo gebeurde het dat de jongen die een teleurstellende ervaring op de zondagsschool had meegemaakt, opgroeide tot een jongeman die er volledig van overtuigd was dat religie bedrog was en dat de moderne wetenschap God overbodig maakte. Ik had hetzelfde ondervonden als zoveel anderen en reageerde ongeveer net zo als zij. Ik hief mijn wijsvinger op en vroeg: „Hoe kan er een Almachtige, weldoende God daarboven zijn als wij zoveel corruptie en goddeloosheid hier op aarde hebben?” Voor mij was er slechts één antwoord op die vraag: Er is geen God!
Huwelijk en kijk op het leven
Deze atheïstische kijk was vanzelfsprekend van invloed op mijn levenswijze. Ik trouwde met een meisje dat ongeveer dezelfde opvatting toegedaan was. Aangezien de weg van de moederschoot naar het graf zo kort is, redeneerden wij: „Waarom trachten wij niet zoveel mogelijk van het leven te genieten terwijl wij nog jong en krachtig zijn!”
Wij bezagen het huwelijk niet als een zeer ernstige instelling. Wij dachten dat moraliteit een persoonlijke kwestie moest zijn. Wij konden niet alleen samen pret hebben, maar ook apart wanneer wij maar wilden. Wij dachten dat wij werkelijk vrij waren. Onze hele kijk op het leven was materialistisch, en zelfs mijn beroep was van materialistische aard. Ik was een systeemanalist bij een computercentrum in Stockholm. Wij hielpen grote maatschappijen bij het plannen-maken voor toekomstige financiële vooruitgang.
Een onverwachte bezoeker
Toen op een lentedag in 1963 belde er iemand bij ons aan. Ik deed de deur open. Een keurig net geklede jongeman stelde zich bescheiden voor als een bedienaar van het evangelie, een van Jehovah’s getuigen die bezoeken bracht om geloof in God te stimuleren. Mijn eerste gedachte was: „Arme fanatiekeling, je bent aan het verkeerde adres gekomen.” Maar er was iets aan hem dat mij ervan weerhield de deur te sluiten. Hij zag er niet als een fanatiekeling uit. Hij leek zo normaal, zo natuurlijk, zo ontspannen. „Goed,” dacht ik, „laat ik deze arme stumper op zijn minst tonen dat hij het bij het verkeerde eind heeft.”
Ik liet hem dus binnen. Terwijl mijn vrouw vanuit de slaapkamer luisterde, begon ik mijn verontwaardiging over God en religie te spuien. „Hoe kan iemand nu in God geloven als door wetenschappelijke onderzoekingen en logische redenering niet bewezen kan worden dat hij bestaat?” vroeg ik. Ik vertelde hem dat het meeste geloof dat ik in de religie had ontmoet een wanhopig geloof, een huichelachtig geloof, of een geloof tegen beter weten in was geweest. Ik toonde hem aan dat het christendom gefaald moest hebben, omdat het net zo min een eind had kunnen maken aan corruptie, oorlogen en gewelddaad als het heidendom.
Zo ging ik een heel poosje door, en toen ik dacht dat hij nu wel genoeg had gehoord om mij als een „hopeloos geval” te beschouwen en er de voorkeur aan zou geven op te stappen, knikte hij alleen maar kalm. Hij zei me dat hij mijn opvatting heel goed kon begrijpen en dat veel mensen er thans zo over dachten. Dat verzachtte mijn argument enigszins, en ik kon zien dat dit niet de eerste keer was dat hij met zo’n gesprek was geconfronteerd. Met gemengde gevoelens van nieuwsgierigheid en scepticisme liet ik hem dus spreken.
Christenheid niet hetzelfde als christendom
Hij zei me dat wij eerst een onderscheid moesten maken tussen ware en valse aanbidding voordat wij de zaak konden beoordelen. Hij zei dat zelfs al bleek het zogenaamde christendom vals en onbetrouwbaar te zijn, dit nog niet betekende dat er geen waar en betrouwbaar christendom was. „Er is een groot verschil tussen christenheid en christendom”, zei hij. „Het christendom kan niet veroordeeld worden op grond van wat de christenheid zegt of doet.”
Op het onderscheid tussen de christenheid en het ware christendom wijzend, merkte hij op: „Het is waar dat de christenheid de mensen heeft onderdrukt, maar het christendom niet; dat de christenheid oorlog heeft gevoerd, maar het christendom niet; dat de christenheid in gebreke is gebleven de morele ineenstorting tegen te houden, maar het christendom niet. De bijbel ondersteunt de christenheid niet. Integendeel, de christenheid wordt er profetisch in veroordeeld.
Beschouw alleen maar eens hoe de christenheid het Onze Vader verkeerd heeft voorgesteld”, vervolgde hij. Ze heeft gebeden: ’Onze Vader die in de hemelen zijt’, maar ze heeft geen interraciale broederschap beoefend. Ze heeft om de heiliging van Gods naam gebeden, maar ze heeft niet eens erkend dat God een naam heeft. Ze heeft om de komst van Gods koninkrijk gebeden, maar ze heeft op patriottische wijze haar eigen koninkrijken ondersteund. Ze heeft gebeden of Gods wil op aarde gelijk in de hemel mocht geschieden, maar ze heeft getracht haar eigen wereldlijke politiek te beoefenen. Ze heeft om haar dagelijks brood gebeden, maar hoe bereid is ze geweest haar overvloed van ’brood’ met honger lijdende mensen te delen? Ze heeft God gevraagd haar haar schulden en zonden te vergeven, maar hoe bereidwillig is ze geweest om in haar eigen conflicten met anderen te vergeven en te vergeten?”
Ik merkte stellig op dat deze jongeman de zaken niet verdoezelde door zijn ogen voor de feiten te sluiten of de zaken te verdraaien zoals de meeste andere religieuze personen met wie ik deze kwestie had besproken. Om eerlijk te zijn, moest ik deze punten toegeven daar ze een goede weerspiegeling vormden van mijn eigen ondervindingen. Maar ik zou niet zo gemakkelijk een gelovige worden. Louter het falen van de christenheid bewees niets omtrent het bestaan van God. Ik stelde dus de vraag: „Hoe kan de moderne mens nu in God geloven als door wetenschappelijke onderzoekingen en logische redenering niet bewezen kan worden dat hij bestaat?”
„Die vraag zou ik graag de volgende week met u willen behandelen”, zei hij.
Zijn tweede bezoek
Ik was de hele kwestie al bijna vergeten toen de Getuige terugkwam. Terwijl mijn vrouw weer vanuit de slaapkamer luisterde, begon het gesprek. Aan het begin verklaarde ik mijn geloof in evolutie, en ik voelde mij ondersteund door de hele wetenschappelijke wereld. Het scheen echter dat hij er voldoende zijn gedachten over had laten gaan, want hij zei dat het belangrijk was enig onderscheid te maken voor zover het de wetenschap betrof.
„Aan de ene kant”, zo zei hij, „is er de wetenschap die feiten omtrent de natuur ontdekt, waarneemt en beschrijft. Die wetenschap is in geen enkel opzicht in strijd met het geloof in God als de grote Oorzaak van de schepping. Aan de andere kant is er de zogenoemde wetenschap, die de oorsprong der dingen door middel van hypothesen en theorieën interpreteert en tracht te verklaren. Die wetenschap loochent dikwijls een Goddelijke Oorzaak. Een ware christen gelooft in exacte wetenschap, die feiten ontdekt, waarneemt en beschrijft, maar hij kan niet zonder aarzelen een hypothese of theorie als waar aannemen, laat staan zijn kijk op het leven daarop gronden.”
Ik moest toegeven dat ik niet had beschouwd dat de evolutie slechts een theorie was, hetgeen natuurlijk zo is. Maar ik was nog steeds van mening dat het een tamelijk waarschijnlijke theorie moest zijn, en dat vertelde ik hem dan ook.
Toeval of schepping
De Getuige liet mij er toen mee instemmen dat als wij een Intelligente Oorzaak achter de schepping uitsloten, wij ons op toeval zouden moeten verlaten als de leidende factor in de schepping. „Hoe waarschijnlijk is toeval?” vroeg hij.
„Wel, er is iets dat waarschijnlijkheidsrekening wordt genoemd om dat probleem op te lossen”, antwoordde ik, mij meer thuis voelend op mijn eigen terrein.
„Ja, en laten wij eens een voorbeeld van zo’n berekening nemen”, zei hij. Hij haalde een tijdschrift uit zijn tas en las: „Een andere geleerde berekende de waarschijnlijkheid van het toevallig ontstaan van één enkele eiwitmolecule (een van de moleculen die voor het leven van essentieel belang zijn). Zoals hij in het boek Human Destiny uiteenzette, zouden er 10 tot de 243ste [een 1 gevolgd door 243 nullen] miljarden jaren voor nodig zijn wilde dit ooit gebeuren! Daar geleerden de ouderdom van de aarde op slechts een paar miljard jaar schatten, zou hier niet eens genoeg tijd voor zijn geweest!”
Hij pauzeerde om dit grondig te laten bezinken en las toen verder: „Dezelfde geleerde verklaart: ’Eén enkele molecule heeft geen zin. Er zijn honderden miljoenen identieke exemplaren nodig . . . Indien men de waarschijnlijkheid van het ontstaan van een levende cel in wiskundige grootheden zou kunnen uitdrukken, zou men de voorgaande getallen wel kunnen verwaarlozen.’”
„Als dat zo is”, zei ik, „hoe verklaart u dan dat zoveel geleerden in evolutie geloven?”
„U gebruikt beslist het juiste woord wanneer u zegt dat zij erin geloven, want zij kunnen het niet bewijzen”, antwoordde hij.
„Maar hun geloof is beslist beter gefundeerd dan uw geloof in God”, protesteerde ik.
„Laten wij eens aannemen”, zei hij, „dat de bekwaamste geleerde in de wereld net zo met moleculen kon omspringen als een metselaar met stenen, en dat hij alleen maar een stapel eiwitmoleculen tot zijn beschikking had. Gelooft u dat hij een cel van miljarden van zulke moleculen zou kunnen maken? Zou hij die kunnen doen leven en groeien en kunnen maken dat ze zich voortplant en alleen haar eigen karakteristieke eigenschappen, en geen andere, op haar nakomelingen overdraagt? U weet dat hij dat niet zou kunnen.
Maar volgens de atheïstische geloofsovertuiging gebeurde datgene wat zelfs door de bekwaamste menselijke intelligentie niet tot stand gebracht kan worden, door louter toeval. Hoe goed gefundeerd is een dergelijke geloofsovertuiging? Wij kunnen maar tot één conclusie komen, namelijk dat degenen die erin geloven, een extreme wens moeten hebben om in één richting te geloven en te weigeren in een andere richting te geloven.”
Toen de jonge Getuige die avond vertrok, wist ik niet welk standpunt ik in het komende gesprek zou innemen. Hoe dan ook, hij liet de Awake! van 22 april 1963 (Nederlandse uitgave van 8 oktober 1963) waaruit hij aanhalingen had gedaan achter en ik besloot het tijdschrift te lezen om te zien welke onvolkomenheden erin zouden staan. Tijdens het lezen raakte ik echter steeds meer onder de indruk van de logische redenering die in de stof werd gevolgd en het bracht mij er werkelijk toe de zaak opnieuw te overdenken.
De mens — wonderbaar gemaakt
Onze gesprekken werden week na week voortgezet. Ik kan mij nog goed herinneren dat wij bespraken hoe wonderbaar de mens is gemaakt. Het was werkelijk ontnuchterend ons menselijk lichaam te beschouwen met zijn miljarden levende cellen die zo fantastisch zijn gemaakt dat ze in alle delen van het lichaam harmonisch samenwerken. En dan tevens te bedenken dat de mens in staat is lief te hebben, zich te verheugen, te denken, ontdekken, herinneren, zich voort te planten en de innerlijkste gedachten en gevoelens door middel van het gesproken en geschreven woord, glimlach en tranen, zang en muziek en spontane of zorgvuldig uitgedachte daden tot uitdrukking te brengen.
Dit gesprek doordrong mij ervan dat er een enorm grote kloof bestaat tussen het onbewuste leven en het bewuste leven, om nog maar niet te spreken over de kloof die er bestaat tussen een eiwitmolecule en een mens. Hierdoor welde ten slotte het verlangen in mij op iemand te hebben die ik kon bewonderen en voor dit alles kon danken, iemand die hoger is dan datgene wat wij slechts om ons heen kunnen zien.
Een veranderde levenswijze
Na enige tijd stemde ik erin toe de bijbel met de Getuige te bestuderen. Dit opende nieuwe terreinen van bewijzen voor het bestaan van God. De historische nauwkeurigheid van de bijbel, de innerlijke harmonie, de verheven stijl, de vervulling van de erin opgetekende profetieën en Gods voornemen met betrekking tot de mens en de aarde — dit alles maakte een diepe indruk op mij.
Mijn vrouw, die onze gesprekken zo vaak in de slaapkamer had afgeluisterd, begon weldra met de studie mee te doen. Na enkele maanden begonnen wij de vergaderingen in de Koninkrijkszaal van Jehovah’s getuigen te bezoeken. De tijd kwam ook dat wij een van hun congressen bezochten. Hier ontmoetten wij een groep christenen die een grote familie vormen van vele nationaliteiten, alle leeftijden, verschillende beroepen en sociale achtergronden, maar vrij van tweedracht en vijandschap. Het geloof en de activiteit waarin zij gemeenschappelijk delen, verenigen hen in een broederschap waar wij nauwelijks van hadden kunnen dromen.
Het leven begon een nieuwe betekenis voor ons te krijgen en werd waardevoller voor ons. Er werd een wonderbare toekomst geopend. Ons pasgevonden geloof maakte ons afhankelijk van God, in plaats van op onszelf te vertrouwen. Deze afhankelijkheid werd een correctief in ons leven, en dit is een werkelijke zegen geweest. Het heeft ons geholpen om mentaal en, als gevolg daarvan, fysiek rein te worden. Ons huwelijk is stabieler en belangrijker voor ons geworden. Wij stellen nu volledig vertrouwen in elkaar en voelen ons veel beter toegerust om ons zoontje groot te brengen. Nu wij onze denkwijze hebben veranderd en ons leven aan Jehovah God hebben opgedragen, voelen wij ons nauw verbonden met God als een werkelijke Persoon.
Dit is geen sentimentele idealisatie die gefundeerd is op een wanhopig geloof of een huichelachtig geloof of een geloof tegen beter weten in. Het is een werkelijkheid die gefundeerd is op een evenwichtig, zuiver en gegrond geloof in God. Daarom kan ik nu zeggen: Ik was een atheïst, maar dat wil ik nooit meer worden. — Ingezonden.
[Kader op blz. 5]
DE CHRISTENHEID HEEFT —
□ De mensen onderdrukt en oorlog gevoerd.
□ Is in gebreke gebleven haar eigen morele ineenstorting tegen te houden.
□ Heeft geen interraciale broederschap beoefend.
□ Heeft om Gods koninkrijk gebeden en gesmeekt of Zijn wil mocht geschieden, maar heeft haar eigen wereldlijke politiek voorgestaan.
☞ Bewijst dit dat het christendom heeft gefaald? Neen! Christenheid en christendom is niet hetzelfde.
[Illustratie op blz. 6]
Hoe „waarschijnlijk” is het dat één enkele eiwitmolecule door toeval zou ontstaan? Een geleerde heeft geschat dat er 10243 (een 1 gevolgd door 243 nullen) miljarden jaren voor nodig zijn wilde dit ooit gebeuren. Zo lang bestaat de aarde nog niet