Gescheiden maar toch verenigd
Door Ontwaakt!-correspondent in Zuid-Afrika
DE VEELTALIGE bevolking van Zuid-Afrika is in drie hoofdgroepen — Europeanen (blanken), de inheemse bevolking van Afrika (negers) en kleurlingen (mensen van gemengd ras) — verdeeld. Alle drie groepen wonen in afzonderlijke stadswijken. Hoewel Jehovah’s getuigen door de wet zijn gescheiden, zijn zij in Zuid-Afrika in de geest en in hun aanbidding door een zeer krachtige band verenigd en geven zij daar op velerlei manieren blijk van, zoals bijvoorbeeld tijdens het onlangs gehouden „Mensen van goede wil”-congres.
Johannesburg zorgde voor drie uitstekende terreinen voor de congressen, die van 7-10 januari 1971 gehouden zouden worden. De Europese (blanke) Getuigen hielden hun congres op de tentoonstellingsterreinen van Milner Park. Ongeveer 6 1/2 tot 9 kilometer ten westen van Milner Park ligt het Unionstadion, een uitstekend sportgebouw met goede faciliteiten, en dit werd als congrescentrum voor de kleurling-Getuigen gekozen.
Ongeveer 11 kilometer verder naar het zuidwesten ligt Mofolo Park, waar het congres voor de Afrikaanse negerbroeders werd gehouden. Mofolo Park is een heel gerieflijke ruimte, geflankeerd door bomen en voorzien van haar eigen grote permanente podium met daarachter een prachtig klein meer. Het heeft geen zitplaatsen, geen overdekt gedeelte of gebouwen van welke aard maar ook. De Getuigen moesten daarom een kolossaal bouwproject ondernemen.
Voorbereiding voor het congres
De bouwwerkzaamheden werden onder leiding van Europese Getuigen die over de nodige kennis, bekwaamheid en uitrustingsstukken beschikten, uitgevoerd, en zij werden door honderden neger-Getuigen bijgestaan. De manier waarop deze christenen gelukkig en liefdevol samenwerkten, vormde het bewijs dat Jehovah’s getuigen in Zuid-Afrika verenigd zijn en liefde onder elkaar hebben.
Te zamen bouwden de Getuigen een grote vergaderplaats, met zitplaatsen die achteraan in negen rijen opliepen, waardoor een ronde vorm als van een stadion werd verkregen. Er werd voor voldoende zitplaatsen voor ongeveer 30.000 mensen gezorgd. De omstandigheden zijn hier heel anders dan de Afrikaanse situatie in het noorden. Er is geen rimboe of wildernis in de buurt, vanwaar men timmerhout en voorraden zou kunnen betrekken. Dit park ligt midden in een kolossale moderne stad. Alle timmerhout en andere materialen moesten van plaatselijke bedrijven worden gehuurd of geleend. Door alles nauwkeurig te organiseren en voor te bereiden, werd het hele stadion met inbegrip van de zitplaatsen voor slechts ƒ 5000 gebouwd. Kunt u zich voorstellen hoeveel werk ervoor nodig was om waterclosets en allerlei afdelingen voor deze enorme menigte van ongeveer 30.000 mensen te bouwen? De gemeentelijke autoriteiten die het congresterrein bezochten, maakten de opmerking: „Wij staan verbaasd over hetgeen jullie presteren. Jullie hebben maar liefst twee steden gebouwd!”
De vele Getuigen die aanwezig wilden zijn, moesten grondige voorbereidingen treffen. Sommigen legden grote afstanden af, hetgeen betekende dat zij al maanden tevoren moesten gaan sparen; dit gold vooral voor de kleurlingen en Afrikaanse negerbroeders. Eén negerbroeder uit Zuidwest-Afrika moest 560 kilometer naar de dichtstbijzijnde stad, Grootfontein, fietsen en vervolgens nog een afstand van 2700 kilometer per trein afleggen om het congres te bezoeken. Doordat er uitstekende voorbereidingen waren getroffen, waren veel kleurlingengemeenten voltallig op het congres aanwezig. Veel Indiase Getuigen troffen goede voorbereidingen en waren dan ook op het kleurlingencongres aanwezig, aangezien zij bij die etnologische groep waren ingedeeld. De sari’s van de Indiase vrouwelijke Getuigen zorgden op dit congres voor een kleurrijk decor. Toch was de geest van eenheid en welwillendheid die door zowel de kleurlingen als de Indiërs onder de Getuigen aan de dag werd gelegd zelfs nog aangenamer.
Bijbeldrama’s
Verderop in Milner Park deed zich bij de vertoning van het drama dat op het bijbelboek Esther was gebaseerd iets zeer belangwekkends voor. Voor de congressen van de Getuigen in Zuid-Afrika was het de eerste keer dat, terwijl het drama door één stel spelers werd opgevoerd, de begeleidende dialoog gelijktijdig in het Engels werd gehoord door hen die aan de ene kant van het stadion zaten en in het Afrikaans door hen die aan de andere kant zaten. De geluidstechnici legden uit hoe dit werd bereikt:
„In de allereerste plaats moest er speciale zorg worden besteed aan de vertaling in het Afrikaans. In tegenstelling tot de normale vertaalmethode moest de vertaling zo worden ingekleed dat de lengte van de zinnen nauwkeurig gelijk was aan die van de Engelse zinnen. De Afrikaans-sprekende deelnemers moesten vervolgens het Afrikaanse script met precies dezelfde snelheid lezen als het Engels, terwijl zij door middel van koptelefoons naar het Engels luisterden. Van de Afrikaanse vertaling van het drama werd een geluidsopname gemaakt die daarna met een Engelse stereoband werd gesynchroniseerd. Het synchroniseren en redigeren van deze band kostte alleen al zestig uren van geduldige arbeid.”
Bij de vertoning van het drama werd deze ene band afgedraaid op een stereorecorder die door het ene kanaal het Engels en door het andere het Afrikaans weergaf. Zo konden beide gedeelten van het publiek hetzelfde drama zien en volgen. In Mofolo Park werd dezelfde werkwijze gevolgd voor het inheems-Afrikaanse congres. Het hele programma werd hier voor het ene gedeelte (de Xosa- en Zoeloe-Getuigen) in het Zoeloe, en voor het andere gedeelte (de Sesotho-, Tswana- en Sepedi-Getuigen) in het Sesotho geboden.
Op veel manieren eenheid gedemonstreerd
De warme liefde onder de gesegregeerde, maar toch verenigde Getuigen in het zuiden van Afrika werd op heel veel manieren gedemonstreerd. Nog niet zo lang geleden was er bijvoorbeeld een flinke hongersnood in het land Lesotho, een enclave in Zuid-Afrika. Velen van de Getuigen daar verkeerden in ernstige moeilijkheden. Wegens hun neutraliteit in politieke aangelegenheden konden zij geen maïszaad krijgen om te planten. Sommigen waren zelfs aan het verhongeren. Toen dit de Getuigen uit Johannesburg tijdens de „huisvestings”-vergadering voor het congres onder de aandacht werd gebracht, werd het voorstel gedaan dat al het geld dat tijdens deze vergadering in de bijdragenbussen zou worden gedaan, zou worden opgezonden om de Getuigen in Lesotho te helpen. De reactie was overweldigend. Er werd meer dan ƒ 8600 bijgedragen, en binnen een week kregen de Getuigen in Lesotho hun zaad en het geld om voedsel te kopen.
Een van de vrouwelijke Getuigen in Lesotho die van deze liefdevolle regeling voordeel had getrokken, zei: „Wij hadden het punt bereikt dat er niets meer in huis was, nog geen dubbeltje om wat mieliemeel [maïsmeel] te kopen. Toen kwam er geld voor voedsel van onze blanke broeders in Zuid-Afrika. Ik kon geen woord uitbrengen; ik huilde alleen maar. De andere Getuigen en ik konden onze onmiddellijke problemen oplossen, en zodoende zijn wij, door Jehovah’s voorziening, in staat op dit congres te zijn en ons eveneens in een geestelijk feest te verheugen.”
Ofschoon de Getuigen van de drie raciale groepen niet vrij waren om met elkaar om te gaan, maakte het feit dat er zo’n groot aantal Getuigen tegelijkertijd in Johannesburg was, vanzelfsprekend dat er heel wat van hen met elkaar in aanraking kwamen. Een Europese Getuige vertelde met stralende ogen wat zij had meegemaakt:
„Ik parkeerde mijn wagen in het winkelcentrum van de stad, toen vijf bussen met Afrikaanse negers tot stilstand kwamen terwijl ze nergens parkeerruimte konden vinden. Mijn dochter wees erop dat de buspassagiers lapelkaartjes van het congres droegen. Wij wezen toen op onze lapelkaartjes, en de Getuigen in de bussen zwaaiden naar ons. Sommigen kwamen de bus uit en vertelden mij dat zij het Zuidafrikaanse bijkantoor van het Wachttorengenootschap wilden bezoeken maar de weg waren kwijtgeraakt. Op dat moment kwam er een verkeersagent naar ons toe. Ik kon de situatie uitleggen en verklaarde dat ik hen naar het bijkantoor van het Genootschap kon brengen. De verkeersagent was zo vriendelijk het verkeer stil te leggen, zodat de bussen konden keren, en daarop gingen ze in optocht achter mij aan naar het bijkantoor.”
Het was nog een heel probleem om de inheemse Getuigen naar hun nachtverblijven in het kolossale Soweto-complex te brengen. In dat uitgestrekte gebied maken boosaardige straatschendersbenden, die als „Tsotsis” bekendstaan, ’s nachts de straten onveilig en vallen iedereen aan die zo dwaas is om alleen te lopen en beroven hem. Veel Afrikaanse neger-Getuigen kwamen van rustige plattelandsgebieden en vormden een gemakkelijke prooi voor die „Tsotsis”. De Getuigen voelden zich daarom in hoge mate verantwoordelijk om hun christelijke broeders uit andere delen van het land te beschermen. Zij gaven van hun eenheid en bezorgdheid blijk door voor een speciaal systeem van „veiligheidsgidsen” te zorgen. De eerste bus zette bij elke bushalte een aantal van deze ter plaatse goed bekende gidsen af. De Getuigen die uit volgende bussen stapten, werden door twee of drie van deze gidsen veilig naar hun logeeradressen gebracht.
Voortreffelijke resultaten
Het aantal van hen die werden gedoopt waardoor zij Gods „mensen van goede wil” werden, weerspiegelde de voortreffelijke resultaten van dit congres. Op het congres voor kleurlingen bijvoorbeeld werden 112 Indiërs en kleurlingen ondergedompeld. Dit is een uitstekend resultaat vergeleken met het aantal Getuigen onder de kleurlingen, namelijk 1390. Het aantal gedoopte neger-Getuigen liep op tot 603 en op het Europese congres werden er 381 gedoopt. Dit brengt het totale aantal gedoopte personen op 1096. Dat is een voortreffelijk resultaat wanneer men bedenkt dat tot voor enkele jaren het totale aantal van hen die hier in de loop van een heel jaar werden gedoopt, doorgaans omstreeks 1000 bedroeg.
Wat het hoogtepunt van het congres, de openbare lezing, betreft, de mensen stroomden letterlijk de drie stadions binnen. Er waren er 2770 op het kleurlingencongres, 12.252 op het Europese congres en 33.757 op het congres voor Afrikaanse negers, zodat het gezamenlijke bezoekersaantal 48.779 bedroeg! Dit is een opmerkelijk goed resultaat, wanneer wij bedenken dat er slechts ongeveer 22.000 Getuigen in Zuid-Afrika zijn.
De vele duizenden die tot het laatste toe bleven om naar de slotopmerkingen van de president van het Wachttorengenootschap, N. H. Knorr, te luisteren, stond nog meer aanmoediging te wachten. Hij beschreef de voortreffelijke resultaten van de serie „Mensen van goede wil”-congressen in Afrika en vertelde ook over de plannen om het bijkantoor en de drukkerij van het Genootschap in Zuid-Afrika uit te breiden.
De geest van eenheid en liefde op alle drie congressen was zo opvallend dat zelfs de openbare pers commentaar gaf over de „vrede en welwillendheid die bij alle afgevaardigden zo duidelijk aan het licht traden” (The World, 12 januari 1971). En de beheerders van het Milner-Parkstadion waren diep onder de indruk van de orde en netheid. Iemand van het negerpersoneel gaf als zijn commentaar: ’Europeanen schreeuwen gewoonlijk tegen ons, maar jullie hebben netjes en beschaafd gesproken.’
Gescheiden maar toch verenigd, zien de Getuigen in Zuid-Afrika uit naar de tijd waarop, in Gods nieuwe ordening, allen bijeen kunnen komen om in nog grotere mate de liefde te ondervinden die zij in hun hart hebben en om zich in volledige en blijvende eenheid te verheugen.