De mens is uniek — Komt dit door evolutie of schepping?
„ALLES in de evolutie is heel erg speculatief.” Voor een vooraanstaand evolutionist is dat werkelijk een openhartige verklaring. Toch werd deze verklaring gedaan, en wel door niemand minder dan S. L. Washburn, hoogleraar in de antropologie aan de California-universiteit te Berkeley. En wat nog opmerkelijker is: hij verklaarde dit op een Nobelconferentie over het onderwerp „De mens is uniek”, in een lezing getiteld „De evolutie van het menselijk gedrag”.
De sprekers op deze conferentie, die aan een universiteit in het midden-westen van de Verenigde Staten werd gehouden, wezen erop hoe de mens in vergelijking met de dieren in vele opzichten uniek is. Toch bleven deze mensen naar de evolutie verwijzen alsof ze een bewezen feit was. Tot de punten die door de verschillende sprekers met betrekking tot de unieke plaats die de mens inneemt werden besproken, behoorde het volgende, hetgeen thans gepubliceerd is in het boek The Uniqueness of Man, uitgegeven door J. D. Roslansky:
„Geen enkele bekende groep van mensen ontdoet zich zonder ritueel of ceremonie van haar doden. In scherpe tegenstelling hiermee staat, dat geen enkel dier begrafenissen houdt van zijn eigen soortgenoten.” „De mens is het enige levende wezen dat bewustheid van zichzelf en bewustheid van de dood heeft ontwikkeld.” — Th. Dobzhansky, een geleerde van Russische origine.
Hoe zou de mens zo opvallend onderscheiden of uniek kunnen zijn als hij uit de dieren was geëvolueerd? Zou er in de levensvormen waarvan wordt beweerd dat ze de voorouders van de mens zijn, niet op zijn minst genomen een klein beetje bewustheid van zichzelf en bewustheid van de dood moeten worden aangetroffen? Voor het feit dat de mens in dit opzicht uniek is, heeft de evolutie geen verklaring, maar Gods Woord wel. De bijbel zet uiteen dat alleen de mens naar Gods beeld werd geschapen. Alleen hij werd met rede, met verbeeldingskracht en met een moreel zedelijkheidsbesef begiftigd. — Gen. 1:26-28.
Met betrekking tot het vermogen van de mens om zich, in tegenstelling tot andere vormen van communicatie welke door de dieren worden gebruikt, van een taal te bedienen, zei Dr. E. McMullin, die verbonden is aan de medische faculteit van de Notre-Dame-universiteit, het volgende:
„In recente tijden is men veel te weten gekomen over de ’talen’ van honingbijen, mieren, dolfijnen en andere hooggeorganiseerde dieren. Deze ’talen’ onderscheiden zich echter in verschillende opzichten scherp van de talen van de mens. In de eerste plaats zijn ze soortspecifiek, geërfd en niet aangeleerd. Er wordt instinctief, niet reflectief gebruik van gemaakt. Honingbijen van de ene soort zullen de taal van een andere soort niet kunnen ’volgen’, noch kunnen leren. Als gevolg van geografische scheiding kunnen zich zelfs genetische verschillen binnen de soort voordoen; een Italiaanse honingbij kan de tekens die door een zwerm Duitse neven worden gegeven, niet volgen. Eenmaal een Italiaanse honingbij, altijd een Italiaanse honingbij! Het individu kan zijn ’taal’ op geen enkele manier wijzigen of afleren, omdat ze (zover wij weten) geheel genetisch bepaald en in oorsprong volkomen instinctief is. In de tweede plaats zijn alle tekens die worden gebruikt strikt genomen signalen, dat wil zeggen dat ze onmiddellijke actie ontlokken. Er bestaat geen reden om er enige logische redenering aan toe te schrijven. Ze worden niet gebruikt om een uiteenzetting te geven over de suikerbron, doch veeleer om als stimulans te dienen voor een instinctieve reactie van de zijde van andere bijen, waardoor deze naar de juiste plaats zullen worden gestuurd. In de derde plaats zijn deze talen uitsluitend beperkt tot één bepaalde situatie, namelijk een die van biologische betekenis is voor de soort, bijvoorbeeld voedsel verzamelen of hofmakerij.”
Ja, het taalprobleem stelt de evolutionisten voor een raadsel. Taalgeleerden hebben vele theorieën geopperd, maar geen van deze is zo redelijk of onweerlegbaar geweest dat ze algemeen werd aanvaard. Een kleine vogel, de papegaai, kan, zij het niet verstandelijk, praten; maar een aap, met veel lichamelijke kenmerken gelijk die van de mens — tanden, lippen, tong, stembanden en veel meer intelligentie dan een papegaai — kan dit niet. Waarom niet? Omdat, zoals Wooten in zijn Up from the Ape aantoont, de aap niet over de nodige intelligentie beschikt.
Professor W. H. Thorpe, een vooraanstaande Engelse etholooga, had, toen hij door nog een ander voorbeeld aantoonde hoe uniek de mens is, het volgende te zeggen:
„De mens kan zich dusdanig van volkomen abstracte symbolen bedienen als in de dierenwereld bij lange na niet mogelijk is; op dit vermogen is wiskunde gebaseerd. Ik geloof niet dat dieren ooit wiskunde zullen kunnen beoefenen. . . . De mens heeft een abstract zedelijkheidsbesef waardoor een volmaakt inzicht kan worden verworven van algemeen geldende morele wetten — met andere woorden, hij kan het wezenlijke verschil beseffen tussen datgene wat is en dat wat eigenlijk zou moeten zijn, en daardoor komt het, denk ik, . . . dat de mens een filosofisch, een metafysisch en een religieus dier is.”
Nobelprijswinnaar Sir John Eccles sprak op deze Conferentie over het onderwerp „Het ervarende eigen ik”. Hij betoogde onder andere dat ’s mensen poging om de wereld te begrijpen, een maatstaf is voor de unieke positie die hij inneemt”. Dieren zijn tevreden met materiële genietingen en de bevrediging van hun honger- en sexinstinct. De mens evenwel, maar dan ook uitsluitend de mens, heeft een honger naar kennis, een honger om niet alleen de wereld maar ook het doel van zijn bestaan te willen weten en begrijpen. Gods Woord, de bijbel, verschaft daar licht over. — Ps. 119:105.
De in het begin van dit artikel aangehaalde hoogleraar, professor Washburn, leverde een verdere bijdrage tot het onderwerp van bespreking, namelijk dat de mens uniek is, door te zeggen:
„Ons hele ruimtebegrip verschilt totaal van dat van de niet-menselijke primaten. Apen brengen hun hele leven in een gebied van vijf tot acht vierkante kilometer door. De gorilla brengt zijn leven door in een ruimte van ongeveer veertig vierkante kilometer . . . En dit zijn nog wel dieren die zich veel sneller kunnen voortbewegen dan wij, met een goed bewegingsapparaat en met speciale zintuigen die zeer veel op de onze gelijken, doch zij brengen hun hele leven in dit buitengewoon kleine gebied door. . . . Men zou denken dat men apen heel gemakkelijk zou kunnen voortdrijven. . . . Het gaat vrij gemakkelijk . . . totdat ze het eind hebben bereikt van het gebied dat ze kennen. En als men ze dan nog verder tracht te drijven, zal de troep om u heen draaien en rechtsomkeert maken; ze zullen niet buiten de ruimte gaan die ze kennen. Een van de bepaald opmerkelijke kenmerken van de mens is, dat het operatieterrein van zelfs de meest primitieve mens niet beperkt is tot zulke kleine gebieden, maar honderden vierkante kilometers groot is. . . .
Voortdurende oefening is een kenmerk van het menselijke spel en is geen kenmerk van het spel van de niet-menselijke primaten. . . .
Onze hersenen hebben veel en veel meer macht over de woedereacties dan bij de niet-menselijke primaten het geval is. Stellig staat dit in verband met het vermogen om samen te werken en plannen te maken. Dit vermogen is natuurlijk eveneens uniek menselijk. . . . Dat bij de niet-menselijke primaten twee dieren samen iets zouden doen om er beiden voordeel van te hebben, is ongeveer het toppunt van hun samenwerking. . . .
Ook wat sex betreft is er een opmerkelijk verschil tussen menselijke wezens en de niet-menselijke primaten. . . . Het verlies van deze . . . niet te beheersen geslachtsdrift is buitengewoon belangrijk en . . . is het gevolg van het feit dat bij het seksuele gedrag van de mens het brein veel belangrijker is dan in het geval van niet-menselijke primaten.”
Hoe treffend wordt door alle voorgaande getuigenissen te kennen gegeven dat de mens uniek is! Met hem is een verbazingwekkende reeks unieke hoedanigheden plotseling tot bestaan gekomen. De talrijke aspecten die hier zijn genoemd, zijn echter lang niet de enige waarin de mens, vergeleken met de dieren, uniek is. Bij lange na niet!
Is het op grond van deze aspecten alleen al, echter wel redelijk om al deze facetten in verband met de unieke plaats die de mens onder al wat leeft inneemt, aan evolutie toe te schrijven? Dienen wij ze niet liever, net als Gods Woord de bijbel dit doet, aan de wijsheid van de goddelijke Schepper toe te schrijven? Stellig getuigen zowel de redelijkheid en als de waarheid voor de laatste van deze beide conclusies!
[Voetnoten]
a Een etholoog bestudeert de gedragingen van dieren in hun natuurlijke omgeving.