Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 22/5 blz. 20-23
  • Kan Lima het ooit vergeten?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Kan Lima het ooit vergeten?
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De inquisitie
  • Lima onder de gesel
  • Allerlei slachtoffers
  • Het hoofdkwartier van het „Heilig Officie” in Lima
  • Reden om niet te vergeten
  • De verschrikkelijke inquisitie
    Ontwaakt! 1986
  • De Spaanse inquisitie — Hoe kon het gebeuren?
    Ontwaakt! 1987
  • De berechting en terechtstelling van een „ketter”
    Ontwaakt! 1997
  • Werktuigen voor onvoorstelbare folteringen
    Ontwaakt! 1998
Meer weergeven
Ontwaakt! 1971
g71 22/5 blz. 20-23

Kan Lima het ooit vergeten?

Door Ontwaakt!-correspondent in Peru

NEGEN JANUARI VIJFTIENHONDERD ZEVENTIG! Dat was een datum die schrik in het leven van het koloniale Peru bracht en de herinnering daaraan bezorgt nog altijd een koude rilling van vrees. Het was, vreemd genoeg, een warme zonnige dag toen een schip met de vlag van koning Filips II van Spanje in top de haven van Callao binnenvoer en het anker liet vallen te midden van barken en brigantijnen uit vele verre landen. De bemanning maakte bedrijvig de tuigage vast, terwijl de passagiers in een kleine boot naar de wal voeren.

Een van die passagiers, een Spanjaard, Serván de Cerezuela, droeg onder zijn arm een officiële portefeuille, waarvan de inhoud heel spoedig grote opschudding onder de kolonisten zou veroorzaken. Het was een koninklijk document dat bijna een jaar geleden was getekend en verzegeld en dat op de inwoners een driehonderd jaar durende campagne van intimidatie en onafgebroken terreur zou loslaten. Het gezag van het gevreesde „Heilig Officie”, beter bekend als de Spaanse inquisitie, had zich nu uitgestrekt tot Peru.

Niet zonder reden bezagen de Europese inwoners van Peru deze ontwikkeling met grote bezorgdheid. Waren zij er niet getuige van geweest hoe het „Heilig Officie” in hun vaderland te werk ging? Ongetwijfeld drongen zich alle herinneringen aan en geruchten over verminkingen ten gevolge van afschuwelijke folteringen en een pijnlijke dood aan hen op.

De inquisitie

Dit geduchte wapen van vrees, de inquisitie, werd voor het eerst in de dertiende eeuw gesmeed. Het doel was het opsporen en straffen van ketters en ongelovigen. Ze begon vaste vorm aan te nemen toen paus Gregorius IX in 1232 permanente rechters aanstelde die later bekend kwamen te staan als „inquisiteurs”. Iedereen die in een zogenaamd „christelijk” land leefde, werd tot loyaliteit aan de ene kerk gedwongen. Er werd geen afscheiding, geen handelen volgens eigen oordeel, geen twijfel aan kerkelijke leerstellingen toegestaan.

Vertegenwoordigers van de kerk beweerden nadrukkelijk dat hun onderzoek, met inbegrip van foltering, uit liefde voor de slachtoffers werd gedaan. En wat de verantwoordelijkheid voor het op de brandstapel brengen van talloze personen betreft, zij verklaarden dat dergelijke terechtstellingen niet door de kerk maar door de wereldlijke autoriteiten werden verricht.

De werkelijke verantwoordelijkheid voor het grote aantal van hen die op afschuwelijke wijze om het leven werden gebracht, kunnen wij echter het beste vaststellen door te verwijzen naar de Catholic Encyclopedia, waarin de volgende erkenning voorkomt: „Het overwegend kerkelijke karakter van het [„Heilig Officie”] valt niet te betwijfelen. . . . De burgerlijke autoriteiten werd derhalve, op straffe van excommunicatie, opgelegd de gerechtelijke vonnissen waarbij schuldig verklaarde, onboetvaardige ketters tot de brandstapel waren veroordeeld, te voltrekken” (Deel 8, blz. 34, 37). Later werd het martelen zelf, dat in 1252 door paus Innocentius IV gewettigd werd, om redenen van geheimhouding aan de inquisiteurs zelf toevertrouwd.

Tot hoever die zogenaamd christelijke inquisiteurs gingen om bekentenissen of incriminerende bewijzen uit hun slachtoffers te krijgen, doet een mens het bloed in de aderen stollen. Het waren dikwijls monniken die gekozen waren uit de rijen van de orde der dominicanen, mannen die door hun onnatuurlijke, van familie en gezin verstoken leven en door hun fanatisme zo verhard waren dat zij geen meegevoel hadden voor het lijden van hun slachtoffers en er niet voor terugdeinsden de meest ondraaglijke folteringen toe te passen.

Lima onder de gesel

Geen wonder dus dat de inwoners van Lima in consternatie verkeerden. Geen geheim zou nu heilig zijn. Elk woord van iemand kon nu een grond voor beschuldiging worden. Men zou wel eens door zijn eigen vrouw, man, kind of ouders aangebracht kunnen worden. Dit was in feite het doel van het „edict van beschuldiging”, een document dat elke derde zondag van de vastentijd na de „plechtige mis en preek” werd voorgelezen. De volgende passages, vertaald uit de annalen van de inquisitie van Lima, spreken voor zichzelf:

„Wij, de inquisiteurs tegen de ketterse zonden en afvalligheid in de koninkrijken van Peru, aan alle naburen en inwoners van de stad der koningen, van welke status, stand, hoe vooraanstaand en van welke waardigheid ook, groeten u in Christus.

Aangezien het voor de grotere bevordering van het geloof passend is het slechte zaad van het goede te scheiden en alle ondienst voor onze Heer te vermijden, maken wij u hiermee bekend dat wij een ieder van u gebieden dat, mocht u van iemand die leeft, aanwezig, afwezig of overleden is, weten, zien of horen dat hij ketterse woorden, onjuiste, onbezonnen, vals-klinkende, schandelijke of godslasterlijke meningen heeft geuit of geloofd, u dit aan ons dient te vertellen of te openbaren.

Wij gebieden u iedereen bij ons aan te brengen van wie u weet of hebt horen zeggen dat hij de sabbatten ter naleving van de wet van Mozes heeft gehouden. . . . of heeft verzekerd dat Jezus Christus niet God is, . . . of dat hij niet is geboren uit Onze Lieve Vrouwe die vóór de geboorte, tijdens de geboorte en na de geboorte maagd was. . . . of dat de paus of de dienaren van het altaar niet de macht hebben zonden te vergeven . . . of dat er geen vagevuur is en dat er geen heiligenbeelden in de kerken dienen te zijn, of dat er niet voor de doden gebeden behoeft te worden. . . .

Wij gebieden u het ons te verwittigen als u gehoord hebt van iemand of iemand kent die de bijbel in [het Spaans] heeft. . . .

Volgens de strekking van deze waarschuwing sporen wij u derhalve aan en eisen wij van u dat u, op straffe van de kerkelijke ban, . . . gelasten wij iedereen die een van bovengenoemde dingen te weten is gekomen of heeft gedaan, naar ons toe te komen en voor ons te verschijnen om het binnen zes dagen na de afkondiging van dit edict, of nadat hij ervan op de hoogte is gekomen, te vertellen en openbaar te maken.”

Is het niet overduidelijk dat de opzet van dit edict was, de hand van een ieder tegen zijn broeder te keren, om de mensen aan te sporen elkaar te bespioneren?

De „Calesa Verde” (het „groene rijtuig”) kon elk moment van de dag of de nacht in de straten van Lima verschijnen. Het door de inquisiteurs erop uitgestuurde rijtuig joeg degene die het zag doodsangst aan. Als het langzaam door de straat reed, raakte zelfs de gewone burger in paniek. Wat had hij gedaan? Welke onvoorzichtigheid had hij begaan? Wie had hem aangeklaagd? En als er midden in de nacht op de deur werd geklopt, was dit voldoende om de bewoner de stuipen op het lijf te jagen. Was het misschien het groene rijtuig?

Allerlei slachtoffers

Naar verluidt werden in Peru alleen al in de koloniale tijd negenenvijftig mensen op de brandstapel gebracht. De aanklachten betroffen godslastering, hekserij, bigamie, het in bezit hebben van een bijbel in de gewone spreektaal van het volk, afvalligheid en het belijden van een niet-katholiek geloof. Zelfs hooggeplaatste geestelijken werden niet gespaard. Op 13 april 1578 werd Fray Francisco de la Cruz op de brandstapel gebracht omdat hij leerde dat de kerk zich schuldig maakte aan het kopen en verkopen van officiële posities in de kerk; dat de oorbiecht afgeschaft diende te worden, dat geestelijken dienden te trouwen en dat de Heilige Schrift in de spreektaal diende te zijn.

Op 29 oktober 1581 werd een Engelse piraat, kapitein John Oxnem, met twee leden van zijn bemanning verbrand, niet voor zeeroverij, maar omdat zij lutheraan waren. Op 17 november 1595 werden de Portugees Juan Fernando de las Heras en drie van zijn landgenoten, die ervan beschuldigd waren „volgens de joodse leer levende joden” te zijn, verbrand. Zij hadden de zevende-dagsabbat onderhouden.

De bestraffing van de beschuldigden werd tot een openbare gebeurtenis gemaakt welke met plechtigheid en praal werd geleid. De auto-da-fé (letterlijk, handeling des geloofs), die in de vroege morgenuren aanving, duurde tot diep in de nacht. Geestelijken en vooraanstaande burgers kozen een plaats op de eerste rij om beter het oog te hebben op de veroordeelden in hun laatste momenten van folterende pijn in het vuur. Het geschreeuw en gejuich van het fanatieke gepeupel overstemde vaak de kreten van de slachtoffers.

Het hoofdkwartier van het „Heilig Officie” in Lima

Slechts weinigen die een bezoek brengen aan Lima zijn zich bewust van de geschiedenis van het gebouw met puntgevel in Grieks-Romaanse stijl dat uitziet op de Plaza Bolívar, vlak bij een van de drukste straten van de stad. Men kan de rustige beslotenheid ervan binnengaan, de bibliotheek van de kamer van afgevaardigden bezichtigen en de vergeelde documenten, getekend door vooraanstaande mannen van de vroege republiek, Simón Bolívar, José de la Mar en anderen, navorsen; men kan het ingewikkeld gebeeldhouwde mahoniehouten plafond bewonderen en er toch niet het flauwste vermoeden van hebben waarvoor het gebouw oorspronkelijk werd gebruikt.

In september 1813 wist de burgerij van Lima echter alles van dat hoofdkwartier van de inquisitie in Peru af. Dat was toen onderkoning Abascal de officiële uitspraak van de rechtbank bekendmaakte welke op 22 februari van dat jaar in Cadiz was ondertekend en waarbij het „Heilig Officie” werd afgeschaft. Lucht gevend aan hun haat en opgekropte frustraties, drong de menigte het gebouw binnen en plunderde het. Men verkreeg daardoor ook het onomstotelijke bewijs van de gruwelen die daar volgens de geruchten hadden plaatsgevonden. Enkele van de werktuigen die men ontdekte, waren:

Een levensgroot crucifix met een beweegbaar hoofd dat met touwen van achter een groen fluwelen gordijn bewogen kon worden. Menig lichtgelovig slachtoffer moet wel hebben gedacht dat Christus persoonlijk tussenbeide was gekomen om zich tegen hem te keren.

Een tafel van 2,40 bij 2,10 meter, met een door een rad aangedreven lier. De slachtoffers werden erop gelegd en letterlijk uitgerekt totdat gewrichten en gewrichtsbanden geen weerstand meer konden bieden.

Tegen één muur stond een ’blok’, een strafwerktuig waarin het hoofd en de handen werden geplaatst terwijl het slachtoffer van achteren werd gegeseld zonder zijn folteraar ooit te zien. Aan de wand hingen zwepen van geknoopt koord en ijzerdraad.

Een foltertuniek, gemaakt van gevlochten ijzerdraad met honderden kleine nijptangetjes om het vlees bij de geringste spierbeweging van de drager te kwellen.

Andere folterwerktuigen omvatten nijptangen voor de tong, schroeven om de vingers te mangelen, enzovoort.

Men kan nog altijd de plek zien waar de verbijsterde, in doodsangst verkerende beschuldigden voor de inquisiteurs stonden; de dikke houten deur met het kleine kijkgaatje dat alleen het oog van de anonieme beschuldiger liet zien; de oorspronkelijke muur van de arrestantenkamer, waar het nette handschrift van de ontwikkelde en het bijna onleesbare krabbelschrift van de arme man verhaalt van hun betuigingen van onschuld, hun geluidloze kreten om recht.

Reden om niet te vergeten

Kan dat verleden, die bange droom, echter niet beter vergeten worden? Hoewel er vier eeuwen zijn verstreken sedert het „Heilig Officie” officieel naar Peru kwam, vergeet Lima het niet. Ja, nog niet zo lang geleden publiceerde La Prensa, een van de belangrijkste kranten van Lima, een artikel over de inquisitie, een artikel dat nogmaals met een schok aan die „stad der koningen” herinnerde.

Als wij thans op de verschrikkelijke reputatie van de inquisitie terugblikken, kunnen wij zien dat het feit dat er geen aandacht aan de leer van de bijbel werd geschonken een van de voornaamste oorzaken was. Het is onmogelijk mensen tot geloof in God te dwingen of te pressen. De geboden van Christus, zoals deze in de bijbel zijn uiteengezet, moeten iemand onderwezen worden (Rom. 10:17). Zelfs als iemand die belijdt een christen te zijn een overtreding begaat tegen hetgeen juist is, moet hij in overeenstemming met de bijbel verhoord worden en moet zijn schuld door twee geloofwaardige getuigen worden vastgesteld (Matth. 18:16; Joh. 8:17). Dan kan de overtreder, als hij schuldig is en geen berouw heeft, van de omgang met ware gelovigen worden buitengesloten (1 Kor. 5:11, 13). De bijbel sanctioneert nergens de poging om door foltering een getuigenis dat bezwarend is voor de persoon zelf of welk ander getuigenis maar ook af te persen.

Het bijbelverslag toont aan dat, toen in de eerste eeuw velen van het geloof afvielen (Joh. 6:66), de apostelen van Christus Jezus niet hun toevlucht namen tot intimidatie, kracht of geweld. Waarom niet? Omdat zij niet meer konden doen dan wat hun geboden was, namelijk, ’discipelen van mensen uit alle natiën te maken’, en op dezelfde zachtaardige manier die Christus zelf op voorbeeldige wijze aan de dag legde, ’hun te leren’. — Matth. 28:19, 20.

Hoe staat het er, aangezien veronachtzaming van de bijbel en van bijbelstudie de gruwelen van de inquisitie tot gevolg hadden, thans voor? Dezelfde veronachtzaming van de bijbel heeft ertoe geleid dat katholieken in oorlogen en revoluties katholieken bevechten en doden. De New York Times van 29 december 1966 merkte op: „In het verleden hebben plaatselijke katholieke hiërarchieën bijna altijd de oorlogen van hun land gesteund, door de troepen te zegenen en gebeden voor de overwinning op te zenden, terwijl een andere groep van bisschoppen aan de kant van de tegenstanders in het openbaar om het tegenovergestelde resultaat baden.”

Het veronachtzamen van de bijbel is in de hele christenheid algemeen. De vrucht van die veronachtzaming is de huidige opleving van geweld. Rechtgeaarde mensen moeten zich afvragen: Zal ik deel blijven uitmaken van een religieuze organisatie die in gebreke blijft door woord en voorbeeld de waarheden van de bijbel in te prenten? Zolang er wordt nagelaten de juiste aandacht aan de leer van de bijbel te schenken, mogen zulke rechtgeaarde personen de les van de inquisitie niet vergeten. En om dezelfde reden kan Lima dit alles niet vergeten!

[Illustratie op blz. 21]

Een auto-da-fé, volgens een gravure uit die tijd

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen