Verbazingwekkende artsen onder de dieren
ARTSEN onder de dieren? Ja, dat klinkt misschien als iets uit een sprookjesboek. Toch is het een feit dat veel dieren erin slagen hun ziekten te behandelen. Zij doen dit vaak op een manier die doeltreffender blijkt te zijn dan de methoden die de mens gebruikt. Ja, dieren zijn door de Schepper begiftigd met een instinctief vermogen om zichzelf een geneeskundige behandeling te geven wanneer ze bepaalde aandoeningen hebben.
A. Rutledge, schrijver en bioloog, herinnert zich dat hij als jongen op een plantage veel dieren als huisdieren hield, en een ervan was een klein hertje met een wit staartje. Op zekere dag merkte hij dat zijn lievelingsdier aan een prikkeldraadomheining een lelijke diepe wond in zijn zij had opgelopen. Om de wond te helpen genezen, reinigde en verbond hij die zorgvuldig.
Het hertje scheen echter beter dan zijn vriendje te weten wat het hieraan moest doen. Het dier trok het verband eraf, likte zorgvuldig het haar van de gewonde plek weg en zorgde toen dat er frisse lucht en zonlicht in overvloed bij kon komen. Wat gebeurde er? In korte tijd was de wond genezen.
Hoe kon dit hertje zulke goede resultaten verkrijgen? Men heeft ontdekt dat dieren over een prima antiseptisch middel op hun tong beschikken. De enzymen van hun speeksel werken als een natuurlijk en zacht kiemdodend middel. Experimenten hebben aangetoond dat bij toevoeging ervan aan een bacteriëncultuur de bacteriën niet gedijden. In culturen die niet met het speeksel werden behandeld, floreerden de ziektekiemen. Veel dieren schijnen dus een ingebouwd medicijnkastje in hun bek te hebben.
Hun medische werkwijzen en medicijnen
Wanneer de gezondheid van een dier door de een of andere verwonding of ziekte wordt bedreigd, stelt het door God gegeven instinct de diagnose en bepaalt dit wat er gedaan moet worden. Zo komt het dier aan de juiste medische voorschriften en kan het de beste therapie toepassen om van zijn kwaal te genezen. F. W. Lane merkt hierover in zijn boek Nature Parade op: „Door hun manier van doen is het net alsof dieren weten dat elke ziekte op een andere manier behandeld moet worden.”
Een dier dat gewond is, zal bijvoorbeeld de eenzaamheid zoeken waar het algehele rust kan vinden. Als het dier koorts heeft, zoekt het een luchtig, schaduwrijk plekje in de nabijheid van water. Het blijft daar en houdt zich rustig, eet heel weinig en drinkt vaak. Als het dier reumatisch is, zoekt het zoveel mogelijk de zon op om de warmte in zich op te nemen zodat het minder pijn heeft. Soms eet het gras om braakneigingen op te wekken. Bepaalde dieren zullen, als ze adstringerende middelen nodig hebben, schors en twijgjes van eiken eten, die het adstringerende medicijn looizuur bevatten.
J. Delmont, een wilde-dierenverzamelaar, kreeg een nogal grappige demonstratie te zien van de doeltreffendheid waarmee dieren de geneeskunde uitoefenen. Op zekere dag zag hij hoe de orang-oetan die hij als huisdier hield, zich in de zon zat te koesteren, met beide handen tegen zijn linkerwang. Hij merkte op dat de orang-oetan de linkerkant van zijn gezicht met vochtige klei had ingesmeerd en dat hij een andere grote klomp klei tegen zijn linkeronderkaak hield. Ook zag hij dat de orang-oetan zijn mond volgestopt had met klei. Was dit soms een dolle orang-oetanstreek? Neen, want Delmont ontdekte al gauw dat zijn lievelingsdier een gezwollen kaak met een ernstige tandvleesontsteking had.
Het werd alras duidelijk wat de orang-oetan trachtte te doen. Hij behandelde zijn ziekte met behulp van een koude klei-omslag. Slaagde hij erin op deze manier genezing tot stand te brengen? Drie dagen later trok de orang-oetan de zieke kies eruit en kwam hij die met kennelijke trots naar zijn meester brengen om hem het succes van zijn medische prestatie mee te delen. Ja, voor Dr. Orang-oetan was het geen probleem van zijn kiespijn af te komen.
Wanneer het erop aankomt aan gezondheidsproblemen het hoofd te bieden, is het met de Afrikaanse buffel in geen enkel opzicht minder gesteld. Delmont vertelt dat hij een plotselinge ontmoeting met een kudde van deze buffels had en dat ze lelijke schurftplekken vertoonden. Hij volgde deze dieren om te zien wat er van ze terecht zou komen, en na tien dagreizen bereikten ze de oever van een modderig meer. Daar gingen de buffels tot een gedeeltelijke vasten over terwijl ze de hele dag vrijwel niets anders deden dan zich in de modder wentelen, waarbij ze tot de hals in het water stonden.
Na een maand slaagde Delmont erin één exemplaar te onderzoeken en zag hij dat er op de zieke plekken weer haar begon te groeien en dat de hinderlijke mijten bijna verdwenen waren. Aangezien de kudde geen aanstalten maakte om verder te trekken, bleef hij de dieren observeren. Na enkele dagen begonnen ze hun nek en hals een beurt te geven door er vaak mee in de modder te rollen waardoor zich harde, dikke modderkorsten over de laatste geïnfecteerde plaatsen vormden. De buffels gingen niet eerder tot hun normale dieet over en hielden niet eerder met hun modderbehandeling op dan toen ze volkomen genezen waren.
Preventieve geneeskunde
Natuurlijk bestaat er een groot verschil tussen het genezen van een ziekte en het nemen van voorzorgsmaatregelen om ziekte te voorkomen. En wat dit laatste betreft, wij bemerken dat heel wat dieren door God zijn toegerust met het instinctieve vermogen om preventieve geneeskunde te beoefenen. Ja, veel schepselen, zowel grote als kleine, doen de nodige stappen om gezond te blijven.
Zowel vogels als viervoetige dieren, zegt Rutledge, „nemen regelmatig een bad om hun lichaam niet alleen van parasieten maar ook van mogelijke bronnen van infectie te bevrijden. Het bad kan heel verschillend van aard zijn — water, zon, modder, stof. . . . Het is bijna een dagelijkse gewoonte van vliegend wild zoals de kwartel, het gekraagde sneeuwhoen en de wilde kalkoen om stofbaden te nemen tegen insekten.”
Denk eens aan hetgeen de wilde kalkoen doet om zijn jongen gezond te houden. Als het regent, vermindert de weerstand tegen ziekten bij jonge kalkoenen. Moeder kalkoen dwingt ze dus de bittere bladeren van de Noordamerikaanse koortsstruik te eten. Hoewel deze bladeren niet tot het normale voedsel van de kalkoen behoren, verschaffen ze het tonicum dat de jongen in deze kritieke tijd nodig hebben.
Zelfs gieren, die zich met kadavers voeden, volgen een gezondheidsprogramma van praktische hygiëne dat terecht preventieve geneeskunde kan worden genoemd. Ze houden hun eetgerei, hun grote snavels, kraakzindelijk. Ook kiezen ze een hoge plaats in het volle zonlicht uit en zitten daar dan met hun vleugels uitgespreid om hun veren schoon te krijgen. Rutledge merkt op dat de manier waarop de gier leeft „speciale voorzichtigheid in het nemen van gezondheidsmaatregelen vereist, en hij ís voorzichtig”. Hierdoor wordt mede verklaard waarom deze aasvogels door wat ze eten geen infectie oplopen.
De Noordamerikaanse beer of baribal is, als hij in het voorjaar uit zijn winterrust komt, vatbaar voor ziekte omdat hij niet in goede conditie verkeert. Op welke wijze beoefenen deze dieren preventieve geneeskunde? Ze eten bessen en graven een overvloed van bepaalde bloembollen op waarvan de laxerende werking ertoe bijdraagt dat de dieren weer in goede conditie komen.
Wist u dat als bepaalde dieren met een vacht zoals honden en katten zich likken, dit in werkelijkheid preventieve geneeskunde is? De meeste van deze dieren krijgen niet voldoende vitamine D in hun voedsel. De inwerking van de zon op hun vacht zorgt er echter voor dat ze die krijgen. Daarom likken ze zich om via hun maag deze belangrijke vitamineoogst binnen te halen. Hierdoor vermijden ze rachitis.
Wij zijn geneigd te denken dat dieren die in de zee leven, zich eigenlijk constant baden, maar toch zijn deze zeebewoners voortdurend bezig zich van allerlei ongerechtigheden die zich op hun lichaam afzetten te reinigen. Veel schaaldieren doen dit met hun poten. Sommige vissen hebben kleine schaaldieren aan zich kleven, en deze vervullen de taak van vuilverslinders. Ja, waterdieren passen eveneens preventieve geneeskunde toe.
Sir Ray Lankester, die het hoofd is geweest van het Britse Museum voor Natuurlijke Historie, heeft gezegd: „Het is opmerkelijk dat de aanpassing van organismen aan hun omgeving in de Natuur zo buitengewoon volledig is dat, afgezien van de mens, ziekte als geregeld en normaal verschijnsel onder die omstandigheden onbekend is. Behalve kortstondige ziekten en dan nog in zeer uitzonderlijke gevallen, is elke ziekte waarvan dieren het slachtoffer worden, aan de tussenkomst van de mens te wijten.”