Ogen die aan de behoefte voldoen
● „Ik heb bemerkt dat lang voordat de mens zich van allerlei gemakken zoals jaloezieën, gekleurde glazen, dubbele ramen, dubbelgeslepen lenzen, ruitenwissers en de beste camera’s met de modernste snufjes ging voorzien, de ogen die men in de natuur aantreft reeds getrouwe tegenhangers van deze dingen bezaten”, zo schreef Constance P. Warner in de National Geographic Magazine.
Bij de in holen levende prairiehond bijvoorbeeld staan de ogen hoog boven in de kop en ver uit elkaar, zoals bij vele andere dieren waarop gejaagd wordt. De ogen kunnen zelfs helemaal in de rondte draaien zonder dat het dier zich ook maar door één beweging verraadt. Bij ontleding van de oogbol van een prairiehond ontdekt men een amberkleurige lens die de schittering van de woestijnvlakten tegenhoudt.
De gewone paling leeft in zowel zoet als zout water, tussen stenen, in modder, soms zelfs buiten het water, blootgesteld aan de lucht die hem uitdroogt. Zijn ogen kan hij wegdraaien, zodat ze goed beschermd liggen achter taaie, doorzichtige beeldvensters, die duidelijk in het vel van zijn kop te zien zijn.
De Anableps (vieroogvis) is een Middenamerikaanse vis die aan het wateroppervlak zwemt, met uitpuilende ogen die elk in twee helften zijn gescheiden zodat ze gelijktijdig in de lucht en in het water kunnen zien. Voor deze twee verschillende middenstoffen is een lens met twee brandpuntsafstanden nodig”. Voor Anableps is dit geen probleem want hij heeft „een eivormige bifocale lens. De lichtstralen die vanuit de lucht binnenvallen, gaan door de lens met korte brandpuntsafstand; de lichtstralen vanuit het water komen het oog binnen via de lens met lange brandpuntsafstand”.
Zouden al deze uitmuntende optische eigenschappen het gevolg zijn van blind toeval? Het zou dwaas zijn dit te denken. Er wordt echter onmiskenbaar door bewezen dat er een intelligente Ontwerper en Maker van dit alles is. — Spr. 20:12.