De verschrikkelijke branden in Californië
HUIZEN laaiden als fakkels. De vlammen sloegen van het ene huis over naar het andere. Mensen renden voor hun leven, terwijl vuurbollen langs de overlevenden kolkten. Waar vond deze catastrofe plaats? Binnen het gezichtsveld van Los Angeles — een van de grootste steden ter wereld!
Een uiterst droge zomer, en winden met uitschieters van 130 kilometer per uur, verenigden zich om het kleinste vuurtje in een brullend inferno te veranderen. De rook steeg tot een hoogte van 3000 meter. Ongeveer 240 kilometer naar het zuidoosten hingen andere dreigende rookwolken boven de county San Diego. Er waren maar weinig bewoners van zuidelijk Californië die geen grote brand met hun ogen konden waarnemen.
In minder dan een week brandde in het zuiden van Californië 177.000 hectare af — een oppervlakte zo groot als een gebied van 20 kilometer breed en 88,5 kilometer lang! Meer dan 400 huizen werden verwoest en tien personen verloren het leven.
Een van de grotere branden begon om 10.30 uur in de morgen van vrijdag 25 september 1970 in de heuvels ten westen van de San-Fernandovallei, waar ongeveer de helft van de bevolking van Los Angeles en omgeving woont. In vijf minuten joeg de brand over meer dan 20 hectare. Binnen een uur stond er 100 hectare in brand. De vlammen schoten door de welvarende Malibu-cañon en sloegen over naar de bergen. Ze dansten 18 meter hoog de lucht in en joegen met snelheden tot 130 kilometer per uur genadeloos in de richting van de Grote Oceaan. Vlammen die op bijna 65 kilometer afstand te zien waren, verteerden kostbare huizen in slechts enkele minuten. Vonken en brandende houtsplinters werden door de wind meegevoerd en brachten het vuur over. Houten dakspanen die van de daken van brandende huizen waren losgescheurd, werden brandend en wel over honderden meters door de wind naar andere huizen meegesleurd.
In zijn meedogenloze race naar de zee sprong het vuur over de hoofdverkeersweg langs de kust van de Grote Oceaan en verteerde groepjes huizen langs het strand. Op een gegeven moment stonden er in Malibu 20 dure huizen tegelijkertijd in brand!
Vanuit de lucht geleek de kustvlakte op een door oorlogsgeweld verwoest gebied. De hitte was zo intens dat vensterruiten en zelfs metaal in de vlammen smolten.
Eén inwoonster van Malibu had het volste vertrouwen dat haar huis niet door het vuur zou worden aangetast. „Plotseling”, zo vertelt zij, „werden de wolken koolzwart, doorregen van vuur.” Het vuur kwam over de top van de bergrug, ongeveer 800 meter hiervandaan, en toen was het „binnen enkele seconden overal om ons heen, en de wind maakte een geluid als van een locomotief die door de cañon kwam rijden. Aan weerszijden van de weg geflankeerd door vuur, maakten wij in de auto dat wij wegkwamen, zonder zelfs nog te stoppen voor mijn portemonnaie”.
Alles was reddeloos verloren. Het enige wat het er levend had afgebracht, waren twee eendjes, die bewegingloos doch gespaard voor het vuur, in een vijver vol met verkoolde rommel werden aangetroffen. Zij zei: „Ze vormden het enige opwekkende in wat er in de hele puinhoop te zien was.”
Nog meer branden!
Dit was echter niet de enige brand. In de buurt van Newhall, ruim 30 kilometer landinwaarts vanaf de plaats waar de brand van Malibu was begonnen, deden brullende stormwinden hoogspanningsmasten afknappen, waardoor een tweede noodlottige vuurzee werd aangestoken. Een derde ontstond ongeveer 16 kilometer naar het westen, in de buurt van Thousand Oaks. Zaterdag, tegen de middag, ontmoetten de drie branden elkaar en vormden een 56 kilometer lange halve maan van vlammen rond het westeinde van de San-Fernandovallei. Deze samensmelting van branden had een omtrek van 235 kilometer!
„Bosbranden zijn hier in de vallei niet ongewoon”, zei F. Tanner, „en het is niet ongewoon in deze streek rook te zien. Wat de mensen hier in de buurt werkelijk wakker maakte, was het bericht dat er in Chatsworth huizen in brand stonden, en dat men het vuur volstrekt niet meester kon worden.” In Chatsworth brandden 35 huizen af — huizen van de $70.000-klasse.
Een inwoner van een van de eerste huizen in Chatsworth die afbrandden, zei: „Ik dacht dat we ons nergens zorgen over hoefden te maken. Ik dacht er niet aan het dak nat te maken — er viel daar toch al nooit een druppel water.” Hij wees op een kleine ronde heuvel achter zijn huis en zei: „Nog geen vijf minuten vóór de brand was ik op die heuvel, en ik zag niets! Er was heel wat rook, en ik dacht dat we beter konden gaan, maar vuur zag ik niet.”
In nog geen vijf minuten, zo zei hij, joeg de wind het vuur als een soldeerlamp door het gras op de heuvel. Zijn huis brandde tot de grond toe af. Het vuur blies van het ene huis naar het andere. De daken gingen eerst, en dan was het hele huis in vijftien tot twintig minuten uitgebrand. Aan de zuidkant van één straat brandden veertien nieuwe huizen af. Een vijftiende, midden tussen de afgebrande huizen, ontsnapte geheel aan het vuur!
In veel gebieden van de wereld zullen de mensen het vreemd vinden dat zulke huizen niet van steen worden gebouwd, met daken van dakpannen, maar hout is hier het normale bouwmateriaal.
De brand bij San Diego
Ongeveer 240 kilometer ten zuidoosten van de vuurzee bij Los Angeles werd nog een schrikaanjagende brand door dezelfde stormwinden voortgedreven. Deze brand begon op zaterdag, hoog in het Clevelandse Bosreservaat. De windvlagen hadden een hoogspanningsmast neergeveld, waardoor het droge kreupelhout was gaan branden. Voortgedreven door windstoten van 120 kilometer per uur, vloog het vuur brullend over berghellingen en door cañons en weelderig begroeide valleien in de richting van woongebieden.
Naar schatting trokken 40.000-60.000 personen weg. „Het was net een spookstad hier, iedereen was weg”, zei L. Crooks, uit de bosrijke woongemeenschap Pine Valley, ongeveer 80 kilometer ten oosten van San Diego. De mannen van de sheriff patrouilleerden heel intensief, opdat er niet geplunderd zou worden.”
Een vuurkegel, die eruitzag als de trechtervormige slurf van een cycloon, deed één huis in vlammen opgaan, splitste zich vervolgens in twee takken, waarvan er één brandend door het bosperceel naast het huis van Crooks trok, vlak langs de rand van zijn omheining, tot op ongeveer een halve meter van zijn huis, zonder dat zelfs de verf ging schroeien. Hij wees verscheidene bomen aan die aan één kant waren verbrand, terwijl aan de andere kant alles nog groen was — afhankelijk van de grillige wisseling van de windvlagen.
In het landelijke woongebied Alpine, 50 kilometer oostelijk van San Diego, moest C. Engebretson tweemaal evacueren. De eerste keer passeerde het vuur zijn huis op ongeveer 400 meter afstand. Over de tweede evacuatie zei zijn vrouw: „De wind was zo krachtig dat je je echt moest inspannen om te lopen. Je zou het niet geloven zo snel als het allemaal ging, net als een brandende lont van een dynamietlading. Wij verzamelden enkel en alleen de dieren en de kinderen, gingen in de auto’s en vertrokken.” Toen zij terugkeerden waren zij in de stellige verwachting dat zij hun huis tot de grond toe afgebrand zouden vinden. De wind had het vuur echter door het bosperceel naast het hunne heen gejaagd en had hun huis geheel overgeslagen.
In La Cresta, ongeveer 11 kilometer ten westen van Alpine, werd A. Davis naar zijn zeggen zondagsmorgens om ongeveer vijf uur wakker. „Wij konden zien hoe van Alpine af, daarginds,” zei hij, de vallei over wijzend, „het vuur overal, zo ver als je maar kunt zien, om zich heen greep.” Harbison Canyon lag tussen La Cresta en Alpine. Het zou het toneel worden van uitzonderlijke verwoesting. „Toen wij die zondag evacueerden”, zei zijn vrouw, „zagen wij de wind het vuur over de rand van de cañon blazen. Vuurbollen werden over de rotswand geblazen en vielen beneden in de cañon neer.” In de loop van de middag werden ongeveer 80 huizen in de cañon verwoest of beschadigd.
Vervolgens joeg de wind het vuur de heuvel op naar La Cresta, een gebied met huizen van $30.000-$40.000. „Hier op deze plaats stonden verscheidene huizen”, zei Davis. Gedeelten van schoorstenen zijn overeind blijven staan. In een van de tuinen stond nog het frame van een kinderschommel. Een verslaggever telde 40 huizen in La Cresta die in meerdere of mindere mate beschadigd waren.
Het vuur pakte lukraak de huizen van zowel rijk als arm. Sommige huizen brandden af, andere ontsprongen de dans op onverklaarbare wijze.
„Niemand denkt werkelijk over brand totdat hij er middenin zit”, zei J. Taschetti uit El Cajon, slechts 29 kilometer van San Diego. Hij was een vriend gaan helpen wiens huis gevaar liep. „Het vuur kwam met kolossale sprongen naar ons toe”, zei hij. „Het nam soms een sprong van wel 30 meter, stak alles in brand en sprong dan weer verder. Auto’s explodeerden. Huizen brandden tot de grond toe af.” B. Jenson zei: „Niemand die zich in de baan van het vuur bevond, kon ervoor weglopen. Je moest je toevallig op een open plek in het bos bevinden zoals wij.”
Toen de brand bij San Diego ten slotte woensdags om zes uur was bedwongen, was er ongeveer 75.000 hectare in vlammen opgegaan en waren er minstens 250 huizen verwoest.
Hoe waren zulke branden mogelijk?
Hoe ontstaan zulke verschrikkelijke branden, en waarom kunnen ze niet onder controle worden gehouden?
Zuidelijk Californië is een droog gebied. Gras, struiken en lage bomen houden in de winter het water vast, maar gedurende de lange zomermaanden worden deze lage planten bruin en dor. Droog en vettig als ze zijn, is een klein vonkje dat er bij ongeluk tussen verzeild raakt voldoende om ze in vlammen te doen opgaan. Het gevaar voor brand is zo groot dat in gebieden die het meeste gevaar lopen grote borden langs de verkeerswegen het roken verbieden.
Nog een factor is de wind. Af en toe jagen warme, droge woestijnwinden, afkomstig van een hogedrukgebied boven de woestijn in het binnenland, door de trechtervormige cañons naar een lagedrukgebied boven de Grote Oceaan. Deze plaatselijk zo genoemde „Santa Ana”-winden maken het brandgevaar buitengewoon groot. De bijzonder gunstige omstandigheden voor de hevigste „Santa Ana”-winden van de jongste geschiedenis waren voor deze ramp verantwoordelijk. De winden kwamen ongewoon vroeg voor de tijd van het jaar, waren ongewoon krachtig en bevatten vrijwel geen vocht. Vonken werden daardoor een ramp voor alles wat zich beneden de wind bevond.
„Vuurstormen”
Onder zulke omstandigheden ontwikkelen zich de gevreesde „vuurstormen”. Brandweerlieden spreken over temperaturen van meer dan 1000 graden Celsius. De hete lucht stijgt zo snel op dat vanuit elke richting wind wordt aangezogen. Kolkende vlammen springen 20 tot 30 meter hoog de lucht in, waarbij vonken tot anderhalve kilometer hoog opvliegen.
In ontoegankelijke bergstreken zijn branden niet meer in de hand te houden, zodat ze vervolgens dood en verderf zaaien langs de bewoonde gebieden. Toch blijven de mensen in gevarenzones wonen. In de buurt van de bergen heeft men betere lucht, de weelde van een prachtig uitzicht over de omgeving of heeft men het gevoel, zo vlak bij een wereldstad toch nog van het „Oude Westen” te kunnen genieten.
Als zulke branden uit de hand lopen, is er eenvoudig niet genoeg brandblusmateriaal om elk huis te beschermen. Brandweerlieden trachten het vuur in zijn flanken terug te dringen en te redden wat zij kunnen.
Duizenden mannen voerden een dagenlange strijd. Eigenaars hebben hun huis gered met behulp van tuinslangen, emmers en schoppen. Men stelde tuinsproeiers boven op het dak in werking en liet ze daar. Men gebruikte natte dekens om er gloeiende stukken hout die tot vlak bij hun gebouwen werden geblazen mee uit te slaan. Huiseigenaars trotseerden windvlagen die soms krachtig genoeg waren om een auto heen en weer te schudden of een man tegen de grond te slaan. Als zij de strijd verloren, zagen zij hoe hun huis in een tien meter hoge vlammentoren werd verzwolgen.
Water en chemicaliën werden vanuit de lucht neergelaten. Met bulderend geraas vlogen B-17-bommenwerpers van 25 jaar oud op 30 meter hoogte over bergkammen en gooiden water uit. Een speciaal vliegtuig uit Canada vloog laag over de nabijgelegen Grote Oceaan, zoog met behulp van brandslangen water op en spoot vervolgens elke zes minuten 5450 liter water op het vuur uit.
Brandweerlieden maakten brandgangen met behulp van bulldozers en staken tegenvuren aan — die zij echter wel onder controle hielden — om kreupelhout te verbranden dat als voedsel voor de hoofdbrand had kunnen dienen. Het eerste doel van de brandweer was het vuur in bedwang te houden, dat wil zeggen het binnen een bepaald gebied te houden in plaats van alle branden die er woedden te blussen.
Toen de stormwinden tot bedaren kwamen, slaagden de uitgeputte brandweerlieden erin alle branden in zuidelijk Californië eerst onder controle te krijgen en daarna te blussen. Het nieuwe probleem was overstroming. Zulke uitgestrekte stroomgebieden zouden, nu ze van hun normale bovenlaag waren ontdaan, in rampzalige modderverschuivingen en overstromingen kunnen veranderen. Men vreesde dat de winterregens evenveel schade zouden aanrichten als het vuur!
Buren hielpen elkaar
Brandweerlieden vochten dapper. Openbare instellingen werden overstelpt met aanbiedingen om te helpen. Er boden zich meer vrijwilligers aan dan men kon gebruiken. Iedereen sprak over de hulp die hij van anderen had ontvangen. Eén man, wiens huis zo juist was afgebrand, stond boven op het dak van een ander huis dat gevaar liep en hielp mee het te redden.
Opzieners van tal van gemeenten van Jehovah’s getuigen gingen persoonlijk na of iedereen een plaats had waar hij naar toe kon gaan (ongeveer 85 percent van de gemeente Pine Valley moest evacueren). Andere gemeenten boden onderdak aan en verschaften materiële hulp waar dit nodig was. Opzieners bemerkten vaak dat de gemeenteboekstudiedienaren al evacuatieregelingen hadden getroffen en bezig waren anderen te helpen hun huis nat te houden.
L. Harding, opziener van een van de gemeenten te Saugus, zei: „Een van de dingen die de meeste indruk op ons maakten, was dat onze broeders overal waar wij kwamen al uit zichzelf waren geweest en zij voor elkaar zorgden.” Vijfendertig tot veertig leden van zijn gemeente hadden de bedreigde hoogvlakte verlaten en waren naar beneden gekomen waar zij in het huis van een Getuige onderdak vonden.
G. Chart was niet thuis geweest. Hij had geen ogenblik gedacht dat zijn huis gevaar liep. Op weg naar huis zag hij dat de heuvel achter het huis in brand stond en hij nam aan dat zijn huis was afgebrand. Maar neen, ongeveer 20 personen waren daar. „Er stonden zoveel auto’s van broeders om ons huis heen”, zei hij, „dat wij bij iemand anders op de oprijlaan moesten parkeren.” Belangrijke dingen had men uit zijn huis verwijderd, en zijn huisdieren waren elders ondergebracht. Er waren mensen bezig zijn huis en tuin nat te houden en, zo zei hij, „alles was geweldig!”
Het huis van Jeanne Fuchs in Malibu brandde geheel af. Zij zei: „Iedereen was erg lief. Er is heel wat vriendelijkheid betoond. De mensen hebben zich werkelijk uitgesloofd om te helpen — mensen van allerlei slag.”
Eén man vroeg: „Waarom kunnen de mensen niet zo zijn als er géén ramp is?”
„God heeft de mens met dit gevoel van mededogen geschapen”, zei later een van Jehovah’s getuigen. „De mens is niet een egoïstisch produkt van de evolutie. Hij is geen dier, dat alleen maar naar het ’overleven van de geschiktsten’ streeft. De mensen zijn daarentegen Gods schepping, naar Zijn beeld gemaakt, en zij spreiden nog altijd iets van Zijn goddelijke hoedanigheden wijsheid, gerechtigheid, liefde en macht ten toon.” Wat men ook heeft gedaan om die hoedanigheden te onderdrukken, en hoeveel de moderne menselijke samenleving, die op wedijver en materialisme is gebaseerd, ook heeft gedaan om ze te verzwakken, het feit blijft bestaan dat die gewenste hoedanigheden nog steeds aanwezig zijn!
Atheïsten, agnostici, ongelovigen en mensen van alle godsdienstige overtuigingen leggen deze hoedanigheden nog altijd aan de dag wanneer de nood werkelijk groot is.
Jehovah’s getuigen zijn blij te weten dat zulke door God geschonken gevoelens als mededogen spoedig door alle mensen aan de dag zullen worden gelegd, namelijk wanneer de Schepper der mensheid het zelfzuchtige samenstel dat thans hier op aarde bestaat, binnenkort door een werkelijk rechtvaardig samenstel zal vervangen.