Bosbrand — vriend of vijand?
In de Verenigde Staten vallen jaarlijks ruim 900.000 hectaren aan bosbranden ten prooi. Maar ook worden jaarlijks ruim 1 miljoen hectaren opzettelijk door het bosbeheer afgebrand. Men heeft hiervoor zes redenen.
TOEN ik de brand voor het eerst zag, was het vuur 8 kilometer verderop in het ravijn. De brand was klein en veraf. Er komen in het droge jaargetijde in de bergen van zuidelijk Californië dikwijls branden voor. Ik keek er dus even naar en ging toen het voer klaarmaken voor de vijf à zes wasberen die die nacht weer een maaltijd verwachtten aan te treffen, en het graan verzorgen voor de 60 tot 90 kwartels die ’s morgens vroeg hun ontbijt zouden komen halen. Ik dacht geen moment meer aan de brand.
De volgende ochtend controleerde ik even hoe het met de brand stond. Hij had zich uitgebreid. Het waaide, en ik hoorde sirenes loeien toen een paar vrachtwagens vol mannen met grote snelheid het ravijn inreden om het vuur te bestrijden. Zo nodig zouden ze een paar vliegtuigen sturen om vuurdovende chemicaliën op de vlammen te werpen. Ik besteedde enkele uren aan het begieten van de bloembedden en hellingen met ijsplantjes die net met hun najaarsbloei waren begonnen. Over enkele dagen zou ik flink wat water moeten geven aan de pijnbomen die ik in de loop van de tien jaar dat mijn vrouw en ik nu op deze heuveltop woonden — uitziende over het Groot Tujungaravijn — had geplant. Sommige bomen aan het begin van de oprit waren nu 12 meter hoog. Maar eerst moest ik een stuk grond gereed maken waarop ik de volgende dag beton zou storten.
Die avond stonden mijn vrouw en ik op een van de veranda’s van ons huis en keken naar de brand. Voortgezweept door de wind, was hij nu veel groter geworden en bood een zowel prachtige als angstaanjagende aanblik. Hij was nog maar vijf kilometer van ons af en begon me te denken te geven. Maar hij woedde nog hoog op de berghelling aan de overkant van de weg, in het staatsbos; er werden geen huizen bedreigd en een leger van mannen was de brand aan het bestrijden. Ik had trouwens het kreupelhout tot 30 meter van ons huis weggekapt. We gingen naar bed en vielen al gauw in slaap.
’s Nachts werd ik wakker door het heen en weer slaan van de schuifdeur. Rammer, de wasbeer, deed dit altijd als de voerbak leeg was. Ik ging naar buiten, pakte de bak, ging naar de voorraadkamer, deed er; wat droog hondevoer in en zette hem weer op zijn plaats terug — met Rammer voortdurend op mijn hielen. Er waren nog twee andere wasberen gekomen. Terwijl zij aten keek ik omhoog naar de brandende bergrug. Er woei nu geen gewone wind meer maar een hete ’Santa Ana’ die met stormkracht uit het noordoosten kwam geblazen. Hij voedde het vuur met een overmaat aan zuurstof, joeg de vlammen met verhoogde snelheid voort en zorgde ervoor dat het vuur reeds voorverhitte brandstof op zijn pad ontmoette.
De volgende ochtend vroeg vulde ik opnieuw een van de voederbuisjes van de kolibries en hield een vinger boven het stangetje waarop ze zouden neerstrijken. Al gauw zat er een kolibrie op mijn vinger suikerwater te nippen. Het vuur was nog maar drie kilometer weg, nog altijd voortgedreven door de ’Santa Ana’, die door de pijnbomen rond ons huis raasde. Ik ging aan het werk — zeer bezorgd. Een groot aantal dieren zou de vlammen kunnen ontvluchten, maar in dat ruige terrein, waar het nu een hel van vlammen was, zouden zeker ook honderden dieren levend verbranden — alleen omdat een paar kampeerders acht kilometer verderop in het ravijn niet wat voorzichtiger met hun kampvuur waren geweest.
Drie dagen lang had deze brand nu reeds op de oostelijke helling van het ravijn gewoed. Toen ik ’s middags thuiskwam was hij de ravijnbodem overgesprongen en stond de westelijke helling in brand. Aan weerszijden van ons huis, bovenop een kleine bergrug in het ravijn, woedden nu de vlammen. De hele volgende dag bleef ik de wacht houden en kijken hoe honderden mannen het vuur bestreden. Helikopters zetten mannen af bij brandsleuven. Boven ons hoofd cirkelden vliegtuigen, waarvan sommige de verbreiding van het vuur in kaart brachten en de werkzaamheden van de grondploegen leidden. Andere waren van televisiestations die films maakten voor de nieuwsuitzending van ’s avonds.
Gedwongen te evacueren
De volgende dag bedwongen de vuurbestrijders het vuur op de westelijke helling, maar op de oostelijke helling woedde de brand nog onverminderd voort. Op de vijfde avond van de brand zagen we van een van onze veranda’s hoe de wind stukjes brandend hout van de berghelling naar beneden voerde en 800 meter beneden de voornaamste vuurhaard op de berg nieuwe branden ontstak — gevaarlijk dicht bij een gebied met 200 huizen. Ongeveer 20 brandweerwagens stelden zich in slagorde rond deze huizen op. Wij gingen naar bed, maar al gauw stond ik weer op om de wacht te houden. Het vuur was nog maar nauwelijks 1500 meter van ons verwijderd en de brandende stukjes hout woeien onze richting uit. Tegen 2 uur in de ochtend was alles rond het woninggebied afgebrand; het vuur was de weg overgesprongen en kwam nu met grote snelheid op onze heuvel af.
Ik wekte mijn vrouw, pakte wat kleren bij elkaar en we vertrokken — zij in onze personenwagen met de hond en ik in mijn vrachtwagen. En terwijl de brandweerlieden ons uit het rampgebied dirigeerden, hadden de vlammen al onze enige vluchtweg bereikt en was de hitte als die van een hoogoven. Ik liet mijn vrouw en onze hond bij het gezin van een vriend achter en keerde met hem terug. De weg naar ons huis was onbegaanbaar. We gingen te voet verder, langs een omweg. Toen we de heuveltop bereikten, kon ik het andere einde, waar ons huis stond, zien. Grote fakkels laaiden op — de pijnbomen stonden in brand. Tegen de tijd dat we ons een weg door het dichte struikgewas hadden gebaand en op de rijweg kwamen, was het meeste vuur al weer gedoofd. Onze stapels brandhout stonden in lichterlaaie. Er vloog een helikopter overheen die er 500 liter water over uitstortte. Een brandweerwagen maakte zich gereed om te vertrekken. Ik bedankte de brandweerlieden, dat zij ons huis gered hadden. „U hoeft ons niet te bedanken”, antwoordde een van hen. „Het stenen dak heeft uw huis gered.”
De bloembedden, de planten, de rotstuin met z’n waterval — alles was één geblakerde woestenij. Kale zwarte staken van 6 tot 12 meter hoog wezen de lucht in — waaronder het restant van menige pijnboom die ik zelf had opgekweekt. Maar zelfs midden in deze woestenij was ik dankbaar dat het huis onbeschadigd was gebleven. Met een kettingzaag zaagde ik meer dan 50 verkoolde bomen om en plantte vervolgens 100 nieuwe exemplaren. Er kwamen nieuwe bloembedden en heesters. Twee houten veranda’s, die half afgebrand waren, werden gerepareerd. De waterval werd hersteld en het huis geschilderd. We leefden nog en het leven ging door.
Maar hoe was het de dieren vergaan? Een week na de brand werden we gewekt door het heen en weer slaan van de schuifdeur. Rammer was terug! Het was 3 uur in de ochtend, maar ik vond het heerlijk! De wasberen, de kwartels, de kolibries, de muizen en ratten, en zelfs de prairiewolven — allemaal kwamen ze weer hun kostje halen — maar het waren er niet zoveel als vóór de brand. Niet alle dieren waren aan de vlammen ontkomen.
Gunstige bosbranden
Een week na de brand verscheen er in een krant een artikel waarin stond dat de brand veel goeds had gedaan. Het huis van de schrijver was er natuurlijk niet bij betrokken geweest, en ik was er emotioneel nog niet aan toe om objectief te zijn, maar enkele maanden later bestelde ik bij het bosbeheer een door de regering uitgegeven boek „Forest Interpreter’s Primer on Fire Management”. Hierin stonden onder andere de volgende feiten:
In de Verenigde Staten worden van regeringswege meer hectaren bos opzettelijk afgebrand dan er door bosbranden verloren gaan. In 1970 viel zo’n 900.000 hectaren aan bosbranden ten prooi, terwijl 1 miljoen hectaren door zogenaamd voorgeschreven vuur werd afgebrand. Er zijn verscheidene redenen om voorgeschreven branden aan te wenden, maar op zes ervan werd in deze publikatie van het bosbeheer speciaal de nadruk gelegd.
Eén is het gebruik van vuur om vuur te bestrijden — misschien nauwkeuriger, om vuur te gebruiken ten einde vuur te voorkomen. Als bosgebieden tegen brand beschermd worden, vormt zich steeds meer kreupelhout, en op de plekken waar is gekapt, is de grond bedekt met houtsplinters. Wanneer er dan door bliksem of andere oorzaken een bosbrand uitbreekt, wordt het vuur door het opgehoopte brandbare materiaal op de bodem gevoed met het gevolg dat er kroonvuur ontstaat, een brand die door de boomkruinen voortraast, wat een grote ramp tot gevolg kan hebben. Als er echter met tussenpozen voorgeschreven branden aangewend worden, komt deze gevaarlijke opeenhoping van brandbaar materiaal niet tot stand en wordt een brand die bij ongeluk begint, nooit zo ernstig.
Ten tweede hebben de zaailingen van tal van commercieel belangrijke naaldbomen het volle zonlicht nodig om goed te kunnen gedijen en moeten ze op minerale bodem staan om te ontkiemen. Het gecontroleerd verbranden van opeengehoopte rommel op de bosgrond — grassen, naalden, kleine heesters — maakt de grond geschikt voor de ontkieming van zaden en vermindert tevens ernstig brandgevaar. Het voorgeschreven vuur draagt ook bij tot de voortplanting van bepaalde pijnboom- en sparresoorten die laatbloeiende kegels bezitten, welke hitte nodig hebben om open te gaan en hun zaad los te laten.
Een derde reden voor voorgeschreven branden is het onder controle houden van insekten en ziekten. In pijnbossen zullen kleine oppervlaktebranden bij zaailingen wel de door zwammen aangetaste naalden doden, maar niet de eindknoppen schaden. Eikebomen kunnen voor kernrot behoed worden. Schorskevers, die gaten in de schors van pijnbomen boren, overwinteren in bosafval, en kunnen dus door juiste toepassing van vuur worden gedood. Waar men pijnbomen voor commerciële doeleinden kweekt, zal voorgeschreven vuur jonge loofbomen opruimen en daardoor voorkomen dat ze licht en voedingsstoffen van de pijnbomen wegnemen. De dunne bast van loofbomen is erg vuurgevoelig, terwijl de bast van pijnbomen dik en hittebestendig is.
Nog een reden voor het uitvoeren van gecontroleerde branden, is dat ze nieuwe levensmogelijkheden verschaffen aan bessendragende struiken, in het bijzonder bosbessen. In de Amerikaanse staat Maine wordt dit geregeld gedaan. Het ontdoet de struik van oud hout en maakt dat er sterke, nieuwe scheuten uitspruiten en jonge struiken weer het nodige licht ontvangen. Voor gebieden met wilde bosbessenstruiken beveelt men deze branden elke vierde lente aan. Niet alleen de mens trekt voordeel van de verhoogde bessenproduktie, ook de voedselvoorraad voor de in het wild levende dieren neemt toe.
Het verbeteren van de leefruimte van in het wild levende dieren is trouwens de vijfde reden die voor voorgeschreven bosbranden wordt opgegeven. Ze vermeerderen de opbrengst en kwaliteit van grassen, kruiden, peulvruchten en jonge scheuten, hetgeen voedsel betekent voor de grazende en scheutenetende bosdieren en ook het vee, de schapen en de geiten die veefokkers op land van de regering houden.
De zesde reden die voor het uitvoeren van gecontroleerde branden wordt opgegeven, is het verhogen van de schoonheid en recreatieve waarde van natuurgebieden. De branden bevorderen de groei van kruiden en wilde bloemen en maken door het verwijderen van dicht kreupelhout het bos toegankelijk voor bezoekers. Een van de indrukwekkendste bomen is de reuzensequoia. En over deze boom lezen wij in verband met vuur:
„De reuzensequoia’s van Californië werden tot de recente aanwending van gereguleerd vuur met vernietiging door bosbranden bedreigd wegens de enorme opeenhoping van brandbaar materiaal ten gevolge van brandbescherming. Duizenden jaren lang hadden kleine oppervlaktebranden deze schitterende bossen in stand gehouden, maar door het voorkomen van brand konden andere, zeer brandbare boomsoorten, het gebied binnendringen. Thans wordt er, met behulp van voorgeschreven branden, vooruitgang geboekt bij het verminderen van brandgevaar en beginnen de sequoia’s zich op de blootgelegde, mineraalrijke grond rijkelijk voort te planten.” — Forest Interpreter’s Primer on Fire Management, blz. 46, 47.
Bosbrand — vriend of vijand? Dat hangt er vanaf. Onder controle kan een brand zich een ware vriend betonen. Maar ongecontroleerd, zoals de brand die onze pijnbomen, bloemen en veranda’s verwoestte en het aantal wilde dieren decimeerde dat ons reeds al die jaren met hun bezoeken op onze heuveltop had vereerd, zijn branden vijanden. Deze speciale brand betekende een vernietiging van de waterhoudende bovengrond op de bergen. Toen de regentijd kwam, werd deze mineraalrijke bovengrond weggespoeld en kwamen er grote massa’s modder naar beneden, waardoor veel huizen zwaar beschadigd raakten. Sommige branden zijn vrienden, maar deze was dat niet — voor mij niet althans. — Ingezonden.