Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g70 22/8 blz. 16-19
  • Hoe een Afrikaanse vrouw aan smaad het hoofd bood

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Hoe een Afrikaanse vrouw aan smaad het hoofd bood
  • Ontwaakt! 1970
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • „Als je trouwt”
  • Opleiding aan een oerwoudschool
  • De smaad van onvruchtbaarheid
  • „Ik kan niet huilen”
  • Smaad weggenomen
  • Een meisje uit een matriarchale maatschappij verkiest de ware God te dienen
    Ontwaakt! 1975
  • Zij verwierf Gods zienswijze over het huwelijk
    Ontwaakt! 1971
  • Een polygamist kiest een beter erfdeel
    Ontwaakt! 1976
  • Een vrouw die innig geliefd wordt
    Een gelukkig gezinsleven opbouwen
Meer weergeven
Ontwaakt! 1970
g70 22/8 blz. 16-19

Hoe een Afrikaanse vrouw aan smaad het hoofd bood

Zoals verteld aan een Ontwaakt!-correspondent in Liberia

IK WAS een van de dertien kinderen die mijn vader bij zijn drie vrouwen had. Ik koester herinneringen aan gelukkige kinderjaren, aan vissen, zwemmen en slangen-zoeken in de grote kreek bij mijn huis — een hut met een rieten dak in een groot Afrikaans dorp. Wat een plezier had ik als ik met mijn vriendinnetjes kleren waste in de stroom. Ik had er geen besef van dat de kreken vergeven waren van parasieten, klein genoeg om door de huid heen te dringen en het vermogen van een meisje om kinderen te krijgen — haar voornaamste rol in het leven in Afrika — aan te tasten.

Mijn familie geloofde dat alle bezigheden van het leven beheerst werden door geheimzinnige geesten. Men had mij verteld dat een van hen mij opmerkelijk succes in het vangen van vis had geschonken. De hulp van die geesten hing af van het houden van hun wetten. Toen ik eens ziek werd, vertelde de plaatselijke inheemse vrouwelijke zo — een soort van dokter — mijn ouders dus dat de wet van de geest was overtreden door iemand die mij op het hoofd had geslagen. Door mijn lichaam in de een of andere oplossing van kruiden te wassen, zouden mijn goede betrekkingen met mijn geest naar men meende weer hersteld worden.

Vaag besefte ik dat er een of andere grote Geest moest zijn die alles had gemaakt. Ik wist echter niets van bidden tot deze onbekende macht en evenmin wist ik hoe de dood zijn intrede op het menselijke toneel had gedaan. Rampspoed werd altijd toegeschreven aan een tovenaar, zoals degene die naar men dacht verantwoordelijk was voor de dood van mijn jongere broertje. Bij die droevige gebeurtenis kwam mijn vader onmiddellijk in actie om de rest van zijn gezin te beschermen. Hij moest rijst, witte kola en andere dingen naar de inheemse arts brengen, die vervolgens onder een grote boom een kip offerde en een drankje brouwde om het kwaad af te wenden.

Nu, wat denkt u dat mijn ouders verwachtten dat er zou gebeuren? Zij geloofden dat de schuldige tovenaar een ramp zou overkomen — hij zou dromen dat hij door een sterkere tovenaar werd geslagen. Hij zou ziek worden en ten slotte bekennen. Zo zou voldaan zijn aan de gerechtigheid, want het in de droom geslagen worden en de ziekte werden als verdiende straffen voor de misdaad beschouwd. Om nog meer klappen te voorkomen, zou de schuldige tovenaar echter een bedrag aan de inheemse dokter moeten betalen. De enige die er werkelijk voordeel van had, was de dokter, want hij ontving van beide partijen een honorarium. Ondertussen was mijn broertje er niet meer en niemand bood enige hoop dat wij hem ooit zouden terugzien.

„Als je trouwt”

Toen ik nog jong was, gaf mijn moeder mij raad opdat mij het verdriet bespaard zou worden dat zij het grootste gedeelte van haar huwelijksleven leed. Zij was de eerste vrouw voor wie mijn vader een bruidsschat had gegeven, dus zij was rechtens de hoofdvrouw en werd zeer gewaardeerd als een vruchtbare voortbrengster van kinderen. In overeenstemming met de heersende gewoonte schafte mijn vader zich later helaas echter nog meer vrouwen aan.

Hoewel vader meer van zijn tweede vrouw dan van de andere hield, was zij ook bij andere mannen in trek en vader kon het nooit over zich verkrijgen haar wegens ontrouw weg te doen. Deze situatie maakte dat moeder zwoer nooit meer het bed met vader te zullen delen; zij zou in het huisgezin blijven alsof zij een weduwe was. Daarna kwam de crisis toen de derde vrouw, degene die al het zware werk moest doen, besloot weg te gaan.

Onder tranen vertelde moeder hoe vaders vleiende gepraat dit harteleed teweeg had gebracht. Toen moeder de enige vrouw was, had vader haar overgehaald een pot te nemen en deze als bruidsschat aan een jong meisje aan te bieden opdat zij zijn tweede vrouw zou worden. Vader beweerde dat moeder hier voordeel van zou hebben, aangezien het gesloof van het water-halen en ander zwaar werk op de tweede vrouw zou overgaan. Wat verbitterd gaf zij mij nu echter de raad: „Mijn dochter, breng jezelf nooit in deze situatie door meisjes voor je man aan te nemen. Als je trouwt, moet je man jou alleen en niemand anders liefhebben!”

Opleiding aan een oerwoudschool

Toen ik twaalf was, ging ik een jaar van huis om een opleiding te ontvangen aan een oerwoudschool — een opleiding die mij op het huwelijk en het moederschap zou voorbereiden. Ik wilde graag uitmunten, knap en verstandig zijn, opdat ik mijn toekomstige echtgenoot in elk opzicht zou behagen.

De Sande, een geheim Afrikaans genootschap voor de vrouw, verschaft deze opleiding aan vele jonge meisjes in een afgelegen streek van het woud. Tijdens de hele periode waren wij volkomen van onze familie afgesneden. Wij werden als dood beschouwd, als opgeslokt door de vrouwelijke „duivel” of bosgeest. Onze terugkeer naar huis zag men als een verrijzenis uit de dood als een nieuwe schepsel.

Op school begon mijn tante, die een zo was, mij eveneens tot een zo op te leiden. Dit zou mij erop voorbereiden een grote koningin in de vrouwengemeenschap en een autoriteit op het gebied van oerwoud-geneeskunde te zijn. Ik leerde dus veel over verschillende bladeren en kruiden. De andere meisjes werden nuttige kunsten zoals katoenspinnen, mandenmaken en weven geleerd.

Er werd de nadruk op gelegd dat wij eerbied en nederigheid ten opzichte van oudere personen en ook tegenover onze toekomstige echtgenoot moesten aankweken. Een koppig, ongehoorzaam meisje moest soms op een hoop gebroken palmpitdoppen gaan zitten, of er werd urenlang onafgebroken water over haar heengegoten. Zelfs na de school te hebben doorlopen, had de zo de macht in ernstige gevallen van weerspannigheid een speciaal soort van vergif voor te schrijven dat tot doel had het slachtoffer van pijn ineen te doen krimpen en zo de hoogmoedige geest uit te drijven.

’Dit zal mij niet gebeuren’, nam ik mij vast voor. ’Ik wil geen smaad ondergaan om die reden.’ Ik had nog veel te leren over ware liefde, de diepgevoelde loyaliteit die geen smaad toevoegt.

De smaad van onvruchtbaarheid

Toen ik op de leeftijd kwam dat ik kinderen kon krijgen, beantwoordde ik het „ik houd van je” van een jongeman en ging een proefhuwelijk aan. Mijn ouders wilden er zeker van zijn dat mijn minnaar „een vrouw goed kon houden”. Ik keek uit naar de dag dat ik mijn eerste kind zou krijgen. Stelt u zich mijn teleurstelling voor toen ik een miskraam kreeg. Daarna was er geen „moederschoot” meer voor mij. Er was iets essentieels uit mijn leven gegaan. Ik was als een boom zonder vruchten, een wolk zonder regen.

Op zekere dag liet een verdacht uitziende oude man een boekje over God bij mijn minnaar achter. Hij beloofde terug te komen. Zodra ik het geluid van zijn motorfiets hoorde, vluchtte ik in het cassavebos. Waarom zou een vreemde man mensen zoals wij anders bezoeken dan om ons als slachtoffer te pakken te krijgen? Op zekere dag kwam hij te voet en kreeg hij ons inderdaad te pakken, doch zijn vriendelijke begroeting deed mij stilstaan.

Door middel van een tolk vertelde hij ons over een groot opperhoofd die veel goed bouwland ter beschikking stelde aan mensen die hij liefhad. Zij konden het land behouden zolang zij eerbied hadden voor het opperhoofd en zijn wetten. Zij bleven treurig in gebreke, tartten het opperhoofd en vervulden het land met zorgen en droefheid. Nu zou het vriendelijke opperhoofd spoedig komen om de onruststokers eruit te werpen en zijn bezit te geven aan mensen die er waardering voor hadden.

Door deze illustratie kwam ik voor het eerst Gods voornemen te weten. En ik vernam dat zijn naam Jehovah is. Welk een grootse toekomst werd degenen geboden die dit grote Hemelse Opperhoofd zouden behagen!

Diep in mij kwam iets tot leven, iets dat reeds lang daarvoor was gestorven. Alle offers waarvoor ik had betaald, hadden mij geen hoop kunnen geven. Nu was er toch nog iets om voor te leven. Het was alsof ik van de bodem van een donkere kuil geleidelijk naar het licht en naar warmte werd opgeheven. Ik stemde er graag in toe dat deze oude man ons geregeld de bijbel kwam onderwijzen.

Er werd geloof opgebouwd toen ik alles te weten kwam over degene die ’de sleutels van de dood en het graf’ had, Jezus Christus (Openb. 1:18). Er was hoop dat mijn broertje weer zou leven! Wat een groots vooruitzicht! En het was de Duivel die deze aarde met valse aanbidding, vergeefse slachtoffers en magische geneeskunst had vervuld waardoor de bijgelovigen in slavernij waren gebracht.

Mijn minnaar en ik begrepen ook dat een eerbaar huwelijk niet hetzelfde was als een halfslachtige regeling. De bruidsschat werd spoedig volledig betaald. Zowel hij als ik waren door kennis van de bijbel ten goede veranderd. Ik was van mening dat hij nu wel in staat moest zijn „mij goed te houden”. En wat een vreugde was het samen naar christelijke bijeenkomsten te gaan!

„Ik kan niet huilen”

Wij verheugden ons niet lang in dit geluk. „Laten wij ergens geld zien te verdienen”, kondigde mijn man op zekere dag aan. Ik deelde zijn enthousiasme niet. Het zou betekenen dat ik mijn christelijke vrienden moest verlaten en dat wij ons bezig moesten houden met het najagen van de mammon. De goede gewoonten en de vruchten van liefde, vreugde en vrede verdwenen al gauw. Toen wij naar ons dorp terugkeerden, was ik een mishandelde, verstote vrouw. Mijn man had belangstelling voor een andere vrouw. Wat verlangde ik naar de gemeentevergaderingen! Nu verbood mijn man mij echter nog iets met Jehovah’s getuigen te maken te hebben.

Tegen deze tijd had ik geleerd dat Jehovah de Opperste Wetgever is en niemand, zelfs niet een echtgenoot, kon terecht iemands verplichtingen jegens de Schepper teniet doen. Mijn man dreigde mij te vervolgen en liet mijn ouders en de dorpsoudsten komen. Met alle kracht die ik kon verzamelen, verklaarde ik ten overstaan van hen allen: „Wat Jehovah mij heeft geleerd, heeft geen van u mij in mijn leven geleerd. Ik kan er dus niet mee ophouden. Ik heb nu een nieuwe hoop!”

Toen deed mijn man een stap om mijn hart te breken. Onverwijld trouwde hij met mijn jongere zuster. Toen kwam hij zichzelf rechtvaardigen door te zeggen: „Zolang je bij mij bent, heb je nooit een kind gebaard. Ik heb geen kinderen bij jou. Ik weet dat wat ik jou zal aandoen je aan het huilen zal maken!” „Daar Jehovah’s naam op mij is”, gaf ik ten antwoord, „kan ik niet huilen. Aangezien het geld is dat je hebben wilt en je mijn zuster en al je andere vriendinnen hebt genomen en je mij nu vertelt dat ik alleen maar een onvruchtbare vrouw ben, zal ik maken dat je je geld krijgt!”

Toen mijn ouders de bruidsschat teruggaven, schreef hij zelf, volgens onze gewoonte, het ontvangstbewijs en mijn vrijlating uit: „Deze vrouw is vrij om met wie dan ook te trouwen. Mijn naam is niet meer op haar.”

Smaad weggenomen

Op deze wijze was ik als waardeloos opzijgezet. Ik was als een uitstervend vuur en moest door nauwe omgang met Gods volk weer aangewakkerd worden. Jehovah, en niet de een of andere geest, werd nu werkelijk mijn helper en onder zijn hoede maakte ik goede geestelijke vorderingen. Het was een onvergetelijke dag toen ik die oude Getuige — dezelfde voor wie ik zo vaak was weggelopen — in de predikingsdienst vergezelde. De mensen waren verbaasd toen ik hun dingen over God kon vertellen, hoewel ik nog nooit op een gewone school was geweest. Later leerde ik zelfs, hun de grootse beloften van God uit de bijbel voor te lezen.

Toen kwam na verloop van tijd de doop. Mijn leven had nu werkelijk zin gekregen, want nu behoorde ik God toe. Wat een zegen kon ik voor anderen zijn! Hoe goed begreep ik de angsten en wanhoop van mijn bijgelovige vrouwelijke landgenoten! Vooral voor hen die geen kinderen konden krijgen, stortte ik mijn hart uit. In plaats van tovenarij, zoals zij veronderstelden, was het mogelijkerwijs het werk van parasieten die de inwendige organen dusdanig kunnen aantasten dat „de jonge buik bedorven” wordt. Artsen spraken later de mening uit dat dit de oorzaak van mijn miskraam was geweest. De grote Geneesheer zal echter weldra ons onvolmaakte lichaam herstellen. Miskramen, doodgeboren, misvormde en ziekelijke kinderen zullen niet de vreugde bederven van degenen die een aandeel aan het opnieuw bevolken van de aarde hebben. Moeders zullen niet meer „baren tot ontsteltenis”. — Jes. 65:23.

Wat een voldoening geeft het, te zien hoe zaden van bijbelse waarheid in goede harten wortel schieten! Eén oude Kpellevrouw had heel haar leven geloofd dat de doden geesten zijn die nooit meer op aarde zullen leven. De waarheid dat mensen opgewekt zullen worden in een vleselijk lichaam om op aarde te leven, vervulde haar met geestdrift. Na verloop van tijd nam zij het ware christendom aan en werd gedoopt. Deze oude „ma” vergezelt mij nu als mijn geestelijke „dochter” in het predikingswerk. Ook mijn echte moeder luistert met eerbied naar de bijbelse boodschap. Moge zij handelen voor het te laat is.

Lang geleden zong Hanna Jehovah juichend en dankbaar toe: „Zelfs de onvruchtbare heeft er zeven gebaard, maar zij die rijk aan zonen was, is verwelkt.” Vaak kijk ik naar de vrolijke en zorgeloze kinderen in een dorp. Hun ouders zijn echter dikwijls trots en weerstaan het woord van Jehovah. Hoe kunnen zij in leven blijven wanneer God dit kromme geslacht wegvaagt? Hun smaad zal veel erger zijn dan die van een onvruchtbare vrouw. Zij brengen louter tot vernietiging voort. Hoe dankbaar ben ik Jehovah dat ik door zijn Woord en geest in staat ben gesteld als een nederig instrument te dienen om er „zeven” voort te brengen die voor altijd in leven mogen blijven! — 1 Sam. 2:5.

Ik ben niet van gedachten veranderd. „Daar Jehovah’s naam op mij is, kan ik niet huilen.” Ik kan mij alleen als een geestelijk vruchtbare tak, nu begeerd en bemind door een echtgenoot aan wiens zijde ik God dien, verheugen. Te zamen treffen wij voorbereidingen om de eindstrijd te overleven en de vreugde te smaken, onder het liefdevolle bestuur te leven van Degene die eeuwig leven belooft. Maar zelfs nu, in deze tijd, kan ik met vreugde en waardering de woorden van Rachel herhalen: „God heeft mijn smaad weggenomen!” — Gen. 30:23.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen