Laat je hand niet rusten
1 Het bericht in het Jaarboek 1988 geeft ons redenen om ons uitbundig te verheugen wanneer wij nadenken over de geestelijke voorspoed die Jehovah’s volk overal geniet. Terzelfder tijd toont het aan dat er nog ’volop te doen is in het werk van de Heer’. — 1 Kor. 15:58.
2 Alleen al in de Verenigde Staten bijvoorbeeld, waren er 1.778.066 aanwezigen op de Gedachtenisviering op 12 april 1987, en werden er 13.562 personen gedoopt op de „Vertrouw op Jehovah”-districtscongressen. In Nederland was het aanwezigenaantal op het Avondmaal 50.846, terwijl er gedurende het afgelopen dienstjaar 1038 dopelingen waren. Dienen wij, aangezien deze resultaten ten dele werden voortgebracht door ijverige, systematische gebiedsbewerking, er gedurende het dienstjaar 1988 niet mee voort te gaan ons gebied grondig te bewerken? Onze arbeid zal niet tevergeefs zijn.
TOEGENOMEN KRACHTSINSPANNINGEN OM TE PREDIKEN IN WEINIG BEWERKT GEBIED
3 Indien je gemeente gebieden heeft die zelden worden bewerkt, kun je vragen of een ervan als persoonlijk gebied aan jou kan worden toegewezen. Jouw verzoek kan de gemeente misschien in staat stellen delen van het gebied te bewerken die niet vaak aandacht krijgen.
4 Daarnaast kunnen ouderlingen in zulke gemeenten passende regelingen treffen voor groepsgetuigenis, ten einde het weinig bewerkte gebied te bewerken. Misschien kunnen verkondigers hun lunch meenemen en een hele dag werken in verder gelegen delen van het gemeentegebied. Waarom niet als doel gesteld om dit jaar zoveel mogelijk van deze gebieden te bewerken?
5 Indien je gemeente regelmatig al haar gebied bewerkt, heb je misschien de gelegenheid om op tijdelijke basis gemeenten in een andere omgeving te helpen bij de bewerking van hun gebied. Vooral verscheidene gemeenten in de grote steden in het westen van ons land kunnen heel goed hulp bij hun gebiedsbewerking gebruiken. Sommige groepen en gezinnen hebben dit gedaan, met voortreffelijke resultaten.
6 Onlangs trof één gezin in het oosten van ons land regelingen om een week vakantie te besteden aan het samenwerken met een grote gemeente in Amsterdam, waar men slechts één keer per half jaar door het gebied komt. De vader, die als ouderling dient, wilde mede daardoor bij zijn kinderen de pioniersgeest aankweken. Behalve dat zij genoten van de gastvrije contacten met de broeders en zusters en van het enthousiasme van de plaatselijke pioniers, vonden zij het heel verfrissend om een totaal ander publiek, waaronder veel buitenlanders, aan te treffen. Ook benutten zij de unieke mogelijkheden voor straatwerk die een grote stad biedt. Hun verspreiding was veel hoger dan normaal, de vader en zijn dochter troffen zelfs iemand die vertelde om bezoek van de Getuigen te hebben gebeden. Het is onnodig te zeggen dat het gezin bijzonder opgebouwd weer thuis kwam.
7 Dat het gemeentegebied evenredig wordt bewerkt, is echter niet het enige dat van belang is. Zo doeltreffend mogelijk te werk gaan, is een ander aspect dat onze aandacht verdient. Hebben wij inmiddels de vele voordelen ervaren van het werken in kleine groepjes van 4-6 verkondigers, zoals in Onze Koninkrijksdienst van oktober 1986, blz. 1 werd besproken? Is het gebiedssysteem in de gemeente dienovereenkomstig aangepast, zodat er voldoende kleine gebiedjes zijn gemaakt? Kan de mogelijkheid voor avondgetuigenis nog verder worden benut, door bijvoorbeeld de tijd vóór de gemeenteboekstudie te gebruiken? Er is dus veel wat zowel verantwoordelijke broeders als alle verkondigers kunnen doen om nog vollediger gehoor te geven aan de opdracht om ’alom het koninkrijk Gods bekend te maken’. — Luk. 9:60.
HEB EEN AANDEEL AAN HET ZAAIEN VAN HET KONINKRIJKSZAAD
8 Wij hebben alle reden om onze handen aan de ploeg te slaan en te zien naar de dingen die voor ons liggen (Luk. 9:62). Denk eraan, wij weten niet waar verdere toename vandaan zal komen (Pred. 11:6). Laten wij onszelf daarom net als Filippus, als gewillige werktuigen in de handen van Jehovah en zijn organisatie plaatsen, erop voorbereid om Koninkrijkszaad te zaaien waar dit maar nodig is voordat het einde komt. — Hand. 8:26, 27; Matth. 28:20.