Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • km 9/74 blz. 5-6
  • Aan alle opgedragen dienstknechten van Jehovah

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Aan alle opgedragen dienstknechten van Jehovah
  • Koninkrijksdienst 1974
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ons van onze verantwoordelijkheid ten opzichte van de mensenwereld kwijten
  • Een voortreffelijk gedrag bewaren
  • Welke uitwerking heeft het op u dat u „die dag en dat uur” niet weet?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
  • Een brief van mensen die om u geven
    Koninkrijksdienst 1974
  • De soort van personen die worden goedgekeurd voor Gods nieuwe ordening
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Jaartekst voor 1976
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1976
Meer weergeven
Koninkrijksdienst 1974
km 9/74 blz. 5-6

Aan alle opgedragen dienstknechten van Jehovah

15 september 1974

Geliefde broeders en zusters,

Vorige week hadden wij een tot nadenken stemmende speciale vergadering met pasverbondenen, is het niet? Degenen die blijk hebben gegeven van belangstelling voor Jehovah en zijn grandioze voornemen werden stellig aangemoedigd ernstig en onder gebed na te denken over de positie die zij voor het aangezicht van de Schepper innemen. Hun werd op het hart gedrukt hoe dringend de tijd is en hoe belangrijk het is dat zij zich er door hun liefde voor Jehovah toe laten bewegen te kennen te geven dat zij aan zijn zijde staan voordat de „grote verdrukking” losbarst.

Met het oog op de tijd moeten ook wij ernstig en onder gebed over onze verhouding tot Jehovah God nadenken. Het is niet slechts een kwestie van vol verwachting naar de „grote verdrukking” en leven in Gods nieuwe ordening uit te zien. Er zijn voortdurende krachtsinspanningen voor nodig om ons Jehovah’s toegewijde dienstknechten te betonen. De apostel Petrus vermaande: „Aangezien gij deze dingen verwacht, doet uw uiterste best om tenslotte door hem onbevlekt en onbesmet en in vrede bevonden te worden.” — 2 Petr. 3:14.

Als volk slaan wij acht op de geïnspireerde raad van de apostel en zijn wij ons ook bewust van de noodzaak vorderingen te blijven maken in een christelijke levenswijze. Maar dat is niet noodzakelijkerwijs het geval met elke afzonderlijke persoon die belijdt een gedoopte discipel van Jezus Christus te zijn. Het is daarom goed wanneer wij allen, individueel, ernstig en onder gebed nadenken over wat wij in de slotfase van de „laatste dagen” met ons leven doen. Hoe zou onze positie voor het aangezicht van Jehovah zijn als de „grote verdrukking” morgen zou beginnen?

Ons van onze verantwoordelijkheid ten opzichte van de mensenwereld kwijten

Beschouw eens wat je doet om je van je verantwoordelijkheid ten opzichte van degenen die nog geen goedgekeurde dienstknechten van Jehovah zijn, te kwijten. Hun leven verkeert in de snel naderbij komende „grote verdrukking” in ernstig gevaar. Geef je gehoor aan hun dringende behoefte aan hulp? Zijn je omstandigheden dusdanig dat je wijzigingen in je levensroutine zou kunnen aanbrengen zodat je een groter aandeel kunt hebben aan het belangrijke waarschuwings- en reddingswerk dat weldra zal eindigen?

Dit wil niet zeggen dat je je tot het uiterste moet inspannen en absoluut geen tijd aan ontspanning dient te besteden. Zelfs Jezus Christus zag erop toe dat zijn discipelen de nodige rust en verkwikking kregen (Mark. 6:31, 32). Maar de wijze waarop je je tijd besteedt, dient te onthullen dat het overheersende verlangen van je hart is, je een loyale ’medewerker’ van Jehovah God te betonen, dat je jezelf in een positie plaatst om volledig door hem gebruikt te worden bij het openen van de harten van je medemensen om de waarheid te aanvaarden. — 1 Kor. 3:9; Hand. 16:14.

Zouden in sommige gevallen besprekingen in de gezinskring er misschien toe kunnen leiden dat één lid van het gezin een vollediger aandeel aan deze slotfase van het predikingswerk kan hebben? Misschien zou door een samenbundeling van geldmiddelen en krachten één gezinslid als gewone of tijdelijke pionier werkzaam kunnen zijn. Ook al zou dat wegens gezinsverantwoordelijkheden niet mogelijk zijn, zou zo’n eensgezinde krachtsinspanning er dan misschien toe kunnen leiden dat de activiteit in het prediken en onderwijzen als gezin wordt vergroot? Zou deze slotfase van de „laatste dagen” niet een geschikte tijd zijn voor verhoogde activiteit?

Wij willen niet dat ons bloedschuld ten laste wordt gelegd omdat wij onverschillig zijn geweest voor de kritieke situatie van de mensen in ons gebied. (Vergelijk Ezechiël 3:17-19.) En dit zal met ons als groep niet het geval zijn. Oprechte liefde en bezorgdheid voor onze medemensen zal ons niet toestaan slechts een symbolische dienst te verrichten.

Het is er thans stellig niet de tijd voor afgeleid te worden door een verlangen het ons in de wereld zo geriefelijk mogelijk te maken of door ons onnodig bezorgd te maken over het voorzien in ons levensonderhoud (Matth. 13:22; Luk. 21:34, 35; 1 Tim. 6:9, 10; 1 Joh. 2:15-17). Omdat ware christenen de opdracht hebben ontvangen te prediken en discipelen te maken, hebben zij altijd al wereldse bezigheden op de tweede plaats moeten stellen door de tijd en krachten die anders terecht besteed hadden kunnen worden aan het bevorderen van materiële belangen, aan prediken en onderwijzen te besteden (Matth. 28:19, 20). Dient dit dan niet in het bijzonder het geval te zijn in deze slotfase van de „tijd van het einde”?

Ons wereldse werk op de juiste plaats te houden, door het namelijk als een middel te zien om ons in Gods dienst te ondersteunen en anderen te helpen in hun fysieke behoeften te voorzien, zal ons in de moeilijke tijden die ons ongetwijfeld in de nabije toekomst te wachten staan, beschermen (Ef. 4:28; 1 Tim. 6:6-8, 17-19). Misschien wordt er wel een beroep op ons gedaan om het weinige dat wij hebben, te delen met broeders die misschien in nog behoeftiger omstandigheden verkeren. Zullen wij verlangend en bereid zijn dat te doen?

Voorts hebben wij geen verzekering dat ook maar iets van onze stoffelijke bezittingen gespaard zal worden in de „grote verdrukking”. Denk aan Lot. Hij verloor zijn huis en andere stoffelijke bezittingen en moest zich daarna het ongerief getroosten om met zijn dochters in een grot te wonen (Gen. 19:2, 16, 24, 25, 30). Ook wij kunnen de situatie zowel tijdens als na de vernietiging van dit goddeloze samenstel een tijdlang erg ongeriefelijk vinden. Zouden wij door thans onnodige belangrijkheid aan materiële dingen toe te kennen, er misschien toe gebracht worden dan te gaan klagen en het alleen maar nog onaangenamer voor onszelf en anderen te maken? (Vergelijk Numeri 11:4-6, 10; 20:3-5.) Een nog grotere tragedie zou het zijn wanneer de uit ons hart komende waardering voor onze verhouding tot Jehovah uitgeblust zou worden doordat wij thans overmatig bezorgd zijn voor materiële bezittingen en evenals Lots vrouw het leven verliezen. — Gen. 19:26.

Een voortreffelijk gedrag bewaren

Ons onbevlekt en onbesmet bewaren, is niet beperkt tot een verstandig gebruik maken van onze tijd en middelen ten einde ons van onze verantwoordelijkheid om te prediken, te kwijten (Hand. 20:26, 27). Ook ons persoonlijke gedrag is erbij betrokken (Matth. 5:14-16). Streven wij er evenals de apostel Paulus naar zondige neigingen in bedwang te houden? (1 Kor. 9:27) Maken wij vorderingen in het aankweken van de vruchten van Gods geest? (Gal. 5:16-18, 22-24) Beseffen wij dat vijandschap, twist, verdeeldheid en afgunst even slecht in Jehovah’s ogen zijn als hoererij, dronkenschap en afgoderij? — Gal. 5:19-21.

Verreweg de meesten van degenen die zich aan Jehovah God hebben opgedragen, bewaren een voortreffelijk gedrag in een wereld die snel steeds ontaarder wordt. Wij zijn ons ook ten zeerste bewust van onze zwakheden en doen dagelijks een beroep op Jehovah ons onze zonden te vergeven, terwijl wij er moeite voor doen ons te verbeteren. — 1 Joh. 1:8-10.

Maar enkelen hebben toegestaan dat er zich haat in hun hart heeft ontwikkeld. Zij weigeren wellicht tegen bepaalde broeders en zusters te spreken en koesteren een wrok wegens werkelijke of vermeende overtredingen die luttel van aard zijn. Misschien schrijven zij medegelovigen slechte motieven toe door hen verkeerd te beoordelen en te veroordelen. Misschien maken zij zich zelfs schuldig aan lasterpraat. — Gal. 5:13-15, 25, 26; Jak. 3:5-16; 4:11, 12.

Weer anderen trachten misschien zo dicht mogelijk bij de wegen van de wereld te komen. Zij willen wereldlingen tonen dat ook wij „pret” kunnen hebben. Zulk een handelwijze kan zich openbaren in onbescheiden dansen, zwaar drinken en dergelijke. — 1 Petr. 4:1-5.

Wat geeft een onderzoek van jouw gedrag te kennen? Als je terreinen ziet waarop je verbetering zou kunnen aanbrengen en je dit ook werkelijk wilt doen, heb je reden om gelukkig te zijn. Waarom? Omdat hieruit blijkt dat je hart op juiste wijze reageert en je in de juiste richting aandrijft. Daarentegen kan het zijn dat je erkent dat je hart zijn genegenheden op andere dingen dan geestelijke belangen heeft gericht. Of het kan zijn dat je er moeite mee hebt vredelievend met anderen om te gaan. In dat geval zul je er hard aan willen werken je denkwijze te veranderen opdat je situatie niet verergert en de „grote verdrukking” aanbreekt terwijl jij bevlekt en besmet en niet in harmonie met Jehovah God en zijn volk bent.

Wat wij als Jehovah’s dienstknechten hebben, is te kostbaar om thans op te offeren, nu wij zo dicht bij de verwezenlijking zijn van onze hoop — leven in Gods rechtvaardige nieuwe ordening. Zou het niet dwaas zijn toe te laten dat wij voor verleiding zwichten en beoefenaars van zonde worden? Zou het niet tragisch zijn het leven te verliezen door tijdelijke materiële rijkdom na te jagen, onder druk van de wereld te schipperen of een onverschillige houding ten opzichte van het levenreddende predikingswerk en het maken van discipelen te ontwikkelen?

Nu reeds genieten wij rijke beloningen door Jehovah te dienen. Wij hebben ware vrienden die zich werkelijk om ons bekommeren. Hoewel wij nog steeds problemen hebben, is onze situatie veel beter dan voordat wij de waarheid kenden. De in de bijbel vervatte wijsheid heeft ons in staat gesteld veel beter tegen de problemen van het leven opgewassen te zijn. Gehoorzaamheid aan Gods Woord heeft ons in staat gesteld zowel in de gezinskring als in ons dagelijks contact met anderen beter met elkaar op te schieten. Heeft dit het leven niet aangenamer voor ons gemaakt? Ja, wat voor betere manier is er dan als een toegewijde dienstknecht van Jehovah God te leven? Dit op zich is reeds iets om angstvallig te behoeden, te zamen met het vooruitzicht op eeuwig leven in de snel naderbij komende Nieuwe Ordening. — Mark. 10:29, 30.

Neem het plechtige besluit je uiterste best te doen om door Jehovah God „onbevlekt en onbesmet en in vrede” bevonden te worden. Span je krachtig in om anderen te helpen redding te verwerven zolang er nog tijd voor is. Laat je gehele levenswijze ervan getuigen dat je ervan overtuigd bent dat je verhouding tot Jehovah het allerbelangrijkste in je leven is. Leef elke dag zo alsof het je laatste dag is. Als je dit doet, kun je ervan verzekerd zijn dat ongeacht wanneer de „grote verdrukking” losbarst, je er niet door overrompeld zult worden en zult vallen, maar als een goedgekeurde dienstknecht van Jehovah staande zult blijven. — Openb. 7:14-17.

Je mededienstknechten,

Watch Tower B.&T. Society

OF PENNSYLVANIA

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen