Onze verantwoordelijkheid om te prediken nakomen
1 „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt” (Matth. 24:14). Jezus wist dat dit tot stand gebracht zou worden voordat het einde zou komen. Jezus had vertrouwen hierin omdat hij wist dat vele bereidwillige discipelen van hem gunstig zouden reageren op de leiding van Jehovah’s geest (Ps. 110:3). Wij hebben het aan Jehovah’s onverdiende goedheid te danken dat het einde, hoewel het nabij is, nog niet gekomen is. Hoe zullen wij de resterende tijd gebruiken?
2 Hoe dichter wij de „grote verdrukking” naderen hoe minder tijd wij hebben om oprechte mensen te helpen uit dit ten ondergang gedoemde samenstel te vluchten. Wij bieden mensen uit alle natiën hun enige hoop voor redding aan. Het is dus zeer verstandig dat wij er in de korte tijd die ons nog rest op onze hoede voor zijn dat wij het gevoel van dringendheid dat verbonden is aan ons werk dat bestaat uit het kentekenen van oprechte mensen voordat het te laat is, niet verliezen.
3 Hoewel wij een vollediger begrip hebben van de verscheidenheid van bedieningen wil dit niet zeggen dat de noodzaak om te prediken minder is geworden. Een evenwichtige zienswijze met betrekking tot de activiteiten waaruit de christelijke bediening bestaat, houdt in dat wij waardering hebben voor ons aandeel in het vervullen van Matthéüs 24:14 en 28:19, 20. Laten wij er met het oog op de grote dringendheid om te prediken en discipelen te maken derhalve mee voortgaan onze gelegenheden te vergroten.
4 Wanneer wij naar het werk kijken dat jullie allen verrichten, is het duidelijk dat er veel goed werk wordt gedaan. Elke maand besteden jullie gemiddeld ruim 300.000 uur aan het prediken en onderwijzen en ieder jaar voegen zich meer bij Jehovah’s kudde. Het aantal predikers in dit land is zo groot geworden dat ons doel van tien percent nu 23.126 verkondigers bedraagt. Zou dit doel onbereikbaar zijn in de maand december? Misschien niet. Veel hangt natuurlijk af van ons persoonlijke enthousiasme in de dienst en in hoeverre velen van onze bijbelstudies gereed zijn om met het grootse werk te beginnen. Indien er zijn die hiervoor gereed zijn is het zeker passend hun in december de uitnodiging te doen toekomen en ben dan te helpen. De aanbieding van de bijbel en het ’Grote Onderwijzer’-boek is beslist uniek voor beginnelingen.
5 Wanneer de regelingen voor de velddienst worden beschouwd, vinden de ouderlingen wellicht wegen om ze nog doeltreffender te maken. Het is belangrijk dat er voor het weekeinde en voor door-de-weekse dagen de beste regelingen voor groepsgetuigenis getroffen worden, zodat iemand ongeacht zijn persoonlijke omstandigheden altijd in staat zal zijn elke week aan de velddienst deel te nemen. Zo mogelijk dient er altijd een bekwame broeder aanwezig te zijn om de leiding te nemen.
6 Voor de maand december hebben de ouderlingen met hun assistenten heel wat plannen gemaakt om iedereen in de gemeente te helpen. De gelegenheden om speciale activiteiten te ondersteunen zijn vele want december is een maand met vele vrije dagen. Wij raden jullie ten sterkste aan om vanaf het begin van de maand zelf actief te zijn en de helpende hand van liefdevolle hulp tot anderen uit te strekken. Wij weten niet wat er in zo’n wintermaand kan gebeuren. Het weer kan omslaan en ziekte veroorzaken, om maar iets te noemen. Neem je dus vast voor om in de eerste week van de maand reeds heel wat uren in de dienst te hebben gestaan en vanaf de eerste week van de maand afspraken te maken met hen die je speciaal zou willen helpen.
7 Nadat de „in het linnen geklede man” het kentekenen van degenen die voor redding in aanmerking kwamen, had voltooid, keerde hij terug en bracht verslag uit bij Jehovah met de woorden: „Ik heb gedaan juist zoals gij mij geboden had” (Ezech. 9:11). Tegen de tijd dat de „grote verdrukking” begint, zal het getrouwe overblijfsel dit kunnen zeggen. Wat zullen wij individueel kunnen zeggen? Dit zal ervan afhangen hoe goed wij onze opdracht zijn nagekomen NU het goede nieuws van het Koninkrijk te prediken!