Ik leerde op Jehovah te vertrouwen
ZOALS VERTELD DOOR JÁN KORPA-ONDO
Het was 1942 en ik werd vlak bij Koersk (Rusland) bewaakt door Hongaarse soldaten. Wij waren gevangenen van de asmogendheden die in de Tweede Wereldoorlog tegen de Russen vochten. Mijn graf was al gegraven en ik kreeg tien minuten om te beslissen of ik een document wilde tekenen waarin stond dat ik niet langer een van Jehovah’s Getuigen was. Laat mij voordat ik beschrijf wat er toen gebeurde, vertellen hoe ik daar was terechtgekomen.
IK BEN in 1904 geboren in het dorpje Zahor, dat nu in oostelijk Slowakije ligt. Na de Eerste Wereldoorlog werd Zahor een deel van het nieuwgevormde land Tsjechoslowakije. Ons dorp bestond uit ongeveer 200 huizen en twee kerken, de ene Grieks-katholiek en de andere calvinistisch.
Hoewel ik naar de calvinistische kerk ging, leidde ik een leven zonder morele beperkingen. Niet ver bij mij vandaan woonde een man die heel anders was. Op een dag begon hij een gesprek met mij en leende mij een bijbel. Het was de eerste keer dat ik dat boek in handen had. Omstreeks deze tijd, in 1926, trouwde ik met Barbora en al gauw kregen wij twee kinderen, Barbora en Ján.
Ik begon de bijbel te lezen maar er waren veel dingen die ik niet begreep. Dus ging ik naar mijn predikant en vroeg hem mij te helpen. „De bijbel is alleen voor ontwikkelde mensen,” zei hij, „ik zou het maar niet eens proberen hem te begrijpen.” Toen nodigde hij me uit voor een spelletje kaart.
Daarna ging ik naar de man die mij de bijbel had geleend. Hij was een Bijbelonderzoeker, zoals Jehovah’s Getuigen toen werden genoemd. Hij wilde me graag helpen en na enige tijd begonnen mijn ogen open te gaan. Ik hield op met overmatig drinken en begon een moreel rein leven te leiden; ik begon zelfs met anderen over Jehovah te spreken. In het begin van de jaren ’20 had de bijbelse waarheid vaste voet gekregen in Zahor en al gauw was er een actieve groep Bijbelonderzoekers.
Niettemin was er hevige religieuze tegenstand. De plaatselijke priester zette de meesten van mijn familie tegen mij op, waarbij hij beweerde dat ik gek geworden was. Maar mijn leven begon een doel te krijgen en ik nam het onwrikbare besluit om de ware God, Jehovah, te dienen. En zo symboliseerde ik in 1930 mijn opdracht aan Jehovah door mij te laten dopen.
Het begin van zware beproevingen
In 1938 kwam ons gebied onder het bestuur van Hongarije, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog de kant van Duitsland koos. Tegen die tijd hadden wij in ons dorp van minder dan duizend mensen zo’n vijftig Getuigen. Wij gingen door met prediken ook al zetten wij daarmee ons leven en onze vrijheid op het spel.
In 1940 werd ik opgeroepen voor het Hongaarse leger. Wat moest ik doen? Ik had de bijbelse profetieën gelezen over mensen die hun oorlogswapens tot vredeswerktuigen smeden en ik wist dat God op den duur alle oorlogen van de aarde zou verwijderen (Psalm 46:9; Jesaja 2:4). Zo was ik de oorlog gaan haten, en ik besloot niet in het leger te gaan, ongeacht de consequenties.
Ik werd veroordeeld tot veertien maanden gevangenisstraf en zat mijn straf uit in Pécs (Hongarije). Er waren vijf andere Getuigen in dezelfde gevangenis en wij vonden het fijn dat we met elkaar om konden gaan. Een tijdlang zat ik echter in eenzame opsluiting met ketens aan mijn voeten. Wanneer wij weigerden werk te doen dat verband hield met de oorlogsinspanningen, werden wij geslagen. Ook werden wij gedwongen om de hele dag in de houding te staan, behalve gedurende twee uur tussen de middag. Deze beproeving ging maanden door. Toch waren wij gelukkig omdat wij een rein geweten voor onze God hadden.
De kwestie van een compromis
Op een dag kwam er een groep van vijftien katholieke priesters om te proberen ons ervan te overtuigen dat het belangrijk was dat wij de oorlogsinspanningen zouden ondersteunen door in het leger te gaan. Tijdens de discussie zeiden wij: „Als jullie aan de hand van de bijbel kunnen bewijzen dat de ziel onsterfelijk is en dat wij naar de hemel gaan wanneer wij in de oorlog sterven, zullen wij in het leger gaan.” Uiteraard konden zij dit niet bewijzen en zij wilden het gesprek niet voortzetten.
Mijn gevangenisstraf eindigde in 1941 en ik zag ernaar uit mij weer bij mijn gezin te voegen. In plaats daarvan werd ik geboeid naar een legerplaats in Sárospatak (Hongarije) gebracht. Toen wij daar aankwamen, werd mij een gelegenheid geboden om vrij te komen. „Het enige wat je hoeft te doen,” zei men, „is deze belofte te tekenen dat je 200 pengö zult betalen wanneer je thuiskomt.”
„Hoe is dat mogelijk?”, vroeg ik. „Waarvoor wilt u het geld?”
„In ruil voor het geld”, werd mij verteld, „zul je een verklaring ontvangen dat je niet door de medische keuring voor het leger bent gekomen.”
Dit stelde mij voor een moeilijke beslissing. Ik had meer dan een jaar onder onmenselijke behandeling geleden; ik begon moe te worden. Door in te stemmen met het betalen van een beetje geld kon ik nu vrijkomen. „Ik zal erover nadenken”, mompelde ik.
Welke beslissing zou ik nemen? Ik moest aan mijn vrouw en kinderen denken. Omstreeks deze tijd ontving ik een brief van een medechristen waarin hij mij aanmoedigde. Hij haalde Hebreeën 10:38 aan, waar de apostel Paulus Jehovah’s woorden citeert: „’Mijn rechtvaardige zal wegens geloof leven’ en ’indien hij terugdeinst, heeft mijn ziel geen behagen in hem’.” Kort daarna waren het twee Hongaarse officieren bij de barakken die met mij spraken, en een van hen merkte op: „Je weet niet hoeveel respect wij ervoor hebben dat je de bijbelse beginselen zo krachtig hoog houdt! Geef het niet op!”
De volgende dag ging ik naar degenen die mij mijn vrijheid hadden aangeboden voor 200 pengö en zei: „Aangezien Jehovah God het heeft toegelaten dat ik werd gevangengezet, zal hij ook voor mijn vrijlating zorgen. Ik zal mezelf niet vrijkopen.” Dus werd ik veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Maar dat was niet de laatste poging om mij tot een compromis te bewegen. De rechtbank bood aan mij gratie te verlenen als ik ermee zou instemmen slechts twee maanden in het leger te dienen, en ik zou niet eens een wapen hoeven dragen! Ik sloeg ook dat aanbod af, en mijn gevangenisstraf begon.
De vervolging neemt toe
Ik werd opnieuw naar de gevangenis in Pécs gebracht. Deze keer was het martelen zelfs nog erger. Ik werd zo’n twee uur lang opgehangen aan mijn handen die achter mijn rug waren gebonden. Het gevolg was dat mijn beide schouders ontwricht raakten. Deze marteling werd gedurende een periode van ongeveer zes maanden herhaald. Ik kan alleen Jehovah danken dat ik het niet heb opgegeven.
In 1942 werd een groep van ons — politieke gevangenen, joden en 26 Jehovah’s Getuigen — naar de stad Koersk gebracht, in een gebied dat door de Duitse troepen was bezet. Wij werden aan de Duitsers overgedragen en zij zetten de gevangenen aan het werk om voedsel, wapens en kleding naar de soldaten aan het front te brengen. Wij Getuigen weigerden het werk omdat het onze christelijke neutraliteit geweld aandeed. Als gevolg hiervan werden wij teruggebracht naar de Hongaren.
Uiteindelijk werden wij in de plaatselijke gevangenis in Koersk ondergebracht. Een paar dagen lang werden wij driemaal per dag met gummiknuppels afgeranseld. Ik kreeg een klap op mijn slaap en ging tegen de grond. Terwijl ik werd geslagen, dacht ik: ’Sterven is niet zo moeilijk.’ Mijn hele lichaam raakte verdoofd, en ik voelde dus niets meer. Drie dagen kregen we helemaal niets te eten. Daarna werden we naar de rechtbank gebracht en zes werden er ter dood veroordeeld. Toen het vonnis werd voltrokken, bleven wij met twintig over.
De geloofsbeproevingen die ik die dagen in oktober 1942 in Koersk ondervond, waren de zwaarste die ik ooit heb meegemaakt. Onze gevoelens werden goed onder woorden gebracht door koning Josafat uit de oudheid toen zijn volk voor een overmacht kwam te staan: „In ons is geen kracht tegenover deze grote menigte die op ons afkomt; en wijzelf weten niet wat wij dienen te doen, maar onze ogen zijn op u gericht.” — 2 Kronieken 20:12.
Wij werden alle twintig naar buiten gebracht om ons gemeenschappelijke graf te graven, onder het toeziend oog van achttien Hongaarse soldaten. Toen wij klaar waren met graven, werd ons verteld dat wij tien minuten hadden om een document te tekenen dat gedeeltelijk luidde: „De leer van de Jehovah’s Getuigen is verkeerd. Ik zal er niet langer in geloven of haar ondersteunen. Ik zal voor het Hongaarse vaderland strijden . . . Met mijn handtekening bevestig ik dat ik mij bij de Rooms-Katholieke Kerk aansluit.”
Na de tien minuten kwam het bevel: „Rechtsomkeert, mars! Naar het graf!” Toen kwam de order: „Eerste en derde gevangene in de kuil gaan staan!” Deze twee kregen weer tien minuten om te beslissen of zij het document wilden ondertekenen. Een van de soldaten smeekte: „Geef je geloof op en kom uit het graf!” Niemand zei iets. Toen schoot de dienstdoende officier hen beiden dood.
„En de anderen?”, vroeg een soldaat aan de dienstdoende officier.
„Bind ze vast”, antwoordde hij. „Wij zullen hen nog wat martelen en morgen om zes uur executeren.”
Plotseling werd ik bang, niet om te sterven, maar dat ik niet in staat zou zijn de marteling te doorstaan en dan een compromis zou sluiten. Dus stapte ik naar voren en zei: „Meneer, wij hebben dezelfde overtreding begaan als onze broeders die u zojuist hebt doodgeschoten. Waarom executeert u ons ook niet?”
Maar dat deden zij niet. Onze handen werden achter onze rug gebonden. Vervolgens werden wij aan onze handen opgehangen. Telkens wanneer wij het bewustzijn verloren, gooiden zij water over ons heen. De pijn was verschrikkelijk omdat het gewicht van het lichaam onze schouders ontwricht had. Deze marteling ging ongeveer drie uur door. Toen kwam er plotseling een bevel om geen getuigen van Jehovah meer te executeren.
Naar het oosten en een ontsnapping
Drie weken later moesten wij een paar dagen in formatie marcheren totdat wij de oevers van de rivier de Don hadden bereikt. Degenen die de leiding hadden, vertelden ons dat het niet de bedoeling was dat wij levend teruggebracht zouden worden. Overdag kregen wij zinloos werk, greppels graven en die weer dichtgooien. ’s Avonds hadden wij een zekere mate van bewegingsvrijheid.
Zoals ik het bekeek, waren er twee mogelijkheden. Wij konden ter plekke sterven, of wij konden ontsnappen aan de Duitsers en ons overgeven aan de Russen. Slechts drie van ons besloten een ontsnapping te wagen over de bevroren Don. Op 12 december 1942 baden wij tot Jehovah en vertrokken. Wij bereikten het Russische front en werden onmiddellijk in een gevangenkamp met ongeveer 35.000 gevangenen ondergebracht. Tegen het voorjaar waren er nog slechts zo’n 2300 gevangenen in leven. De rest was de hongerdood gestorven.
Vrijheid maar nog een tragedie
Ik overleefde de rest van de oorlog plus een aantal maanden erna als gevangene van de Russen. In november 1945 lukte het mij ten slotte thuis te komen, in Zahor. Onze boerderij verkeerde in slechte staat, dus moest ik helemaal opnieuw beginnen. Mijn vrouw en kinderen hadden tijdens de oorlog voor de boerderij gezorgd, maar toen de Russen in oktober 1944 dichterbij kwamen, waren zij naar het oosten geëvacueerd. Alles wat wij bezaten, was geplunderd.
Het ergste van alles was dat mijn vrouw erg ziek was toen ik thuiskwam. In februari 1946 stierf zij. Zij was pas 38 jaar. Wij hadden zo weinig tijd om te genieten van onze hereniging na meer dan vijf lange moeilijke jaren gescheiden te zijn geweest.
Ik vond troost bij mijn geestelijke broeders, door de vergaderingen bij te wonen en deel te nemen aan de van-huis-tot-huisbediening. In 1947 kon ik wat geld lenen om naar Brno te reizen, een tocht van ongeveer 400 kilometer, om een congres bij te wonen. Te midden van mijn broeders daar, onder wie Nathan H. Knorr, de toenmalige president van de Watch Tower Bible and Tract Society, ontving ik veel troost en aanmoediging.
Wij genoten niet lang van onze naoorlogse vrijheid. In 1948 begonnen de communisten ons te onderdrukken. Veel van de broeders die de leiding hadden over het werk van Jehovah’s Getuigen in Tsjechoslowakije werden in 1952 gearresteerd en mij werd de verantwoordelijkheid gegeven om voor de gemeenten te zorgen. In 1954 werd ook ik gearresteerd en ik werd veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. Mijn zoon Ján en zijn zoon Juraj hebben ook gevangengezeten vanwege hun christelijke neutraliteit. Ik verbleef twee jaar in de Pankrác-staatsgevangenis te Praag. In 1956 werd er een amnestie afgekondigd en werd ik vrijgelaten.
Eindelijk vrijheid!
In 1989 verloor het communisme ten slotte zijn greep op Tsjechoslowakije en werd het werk van Jehovah’s Getuigen wettelijk geregistreerd. Dat gaf ons de vrijheid om openlijk samen te komen en te prediken. Inmiddels had Zahor bijna honderd Getuigen, wat betekende dat een op de tien personen in het dorp een Getuige was. Een paar jaar geleden bouwden wij in Zahor een prachtige ruime Koninkrijkszaal, met zitplaatsen voor zo’n 200 personen.
Mijn gezondheid is niet meer zo goed, en daarom word ik voor de vergaderingen opgehaald. Ik geniet ervan om daar te zijn en vind het fijn om commentaar te geven tijdens de Wachttoren-studie. Ik ben vooral gelukkig drie generaties familieleden in het dienen van Jehovah vertegenwoordigd te zien, met inbegrip van een aantal van de kleinkinderen. Een van hen diende als reizende opziener van Jehovah’s Getuigen in Tsjechoslowakije totdat dit schema vanwege zijn gezinsverantwoordelijkheden niet meer haalbaar was.
Ik ben Jehovah dankbaar dat hij mij gedurende veel tijden van beproeving gesterkt heeft. Mijn aandacht op hem richten — ’als zag ik de Onzichtbare’ — is wat mij staande heeft gehouden (Hebreeën 11:27). Ja, ik heb zijn machtige hand van bevrijding gevoeld. En daarom blijf ik ook nu nog proberen aanwezig te zijn op de gemeentevergaderingen en in de mate dat ik daartoe in staat ben een aandeel te hebben aan het bekendmaken van zijn naam in de openbare bediening.
[Illustratie op blz. 25]
De Koninkrijkszaal in Zahor
[Illustratie op blz. 26]
Ik waardeer het voorrecht om commentaar te geven tijdens de Wachttoren-studie