In vrijheid overeenkomstig de christelijke opdracht leven
„Waar de geest van Jehovah is, daar is vrijheid.” — 2 KORINTHIËRS 3:17.
1. Aan wie hebben Jehovah’s Getuigen zich opgedragen, en waarom maken zij gebruik van wettelijke organen?
JEHOVAH’S GETUIGEN geloven dat hun religie voor eeuwig zal blijven bestaan. Zij zien er derhalve naar uit God tot in alle eeuwigheid „met geest en waarheid” te dienen (Johannes 4:23, 24). Als mensen met een vrije wil hebben deze christenen zich onvoorwaardelijk aan Jehovah God opgedragen en zijn zij vastbesloten in overeenstemming met die opdracht te leven. Daartoe verlaten zij zich op Gods Woord en op zijn heilige geest. Terwijl zij zich in door God geschonken vrijheid van ganser harte van hun christelijke opdracht kwijten, geven de Getuigen blijk van gepast respect voor de rol van de ’superieure regeringsautoriteiten’ en maken zij een juist gebruik van wettige middelen en voorzieningen (Romeinen 13:1; Jakobus 1:25). De Getuigen maken bijvoorbeeld gebruik van het Wachttorengenootschap als een wettelijk instrument — een van de vele in diverse landen — om hen in staat te stellen het werk te volbrengen dat erin bestaat hun medemensen te helpen, vooral in geestelijk opzicht. Maar de Getuigen hebben zich aan God opgedragen, niet aan een wettelijk orgaan, en hun opdracht aan Jehovah zal eeuwigdurend zijn.
2. Waarom worden het Wachttorengenootschap en soortgelijke wettelijke organen door Jehovah’s Getuigen zeer gewaardeerd?
2 Als aan God opgedragen dienstknechten zijn Jehovah’s Getuigen verplicht Jezus’ instructies op te volgen om ’discipelen te maken van mensen uit alle natiën, hen dopende in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige geest, en hun te leren’ (Mattheüs 28:19, 20). Dit werk zal tot het einde van het samenstel van dingen voortgang vinden, want Jezus zei ook: „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt tot een getuigenis voor alle natiën, en dan zal het einde komen” (Mattheüs 24:3, 14). Elk jaar voorzien drukkerijen van het Wachttorengenootschap en soortgelijke wettelijke corporaties Jehovah’s Getuigen van miljoenen bijbels, boeken, brochures en tijdschriften om in hun wereldwijde predikingsactiviteit te gebruiken. Deze rechtspersoonlijkheid bezittende werktuigen zijn derhalve bijzonder waardevol om opgedragen dienstknechten van God te helpen overeenkomstig hun opdracht aan hem te leven.
3. In welke betekenis gebruikten Jehovah’s Getuigen vroeger de term „het Genootschap”?
3 Iemand betoogt misschien dat door de manier waarop de Getuigen over het Wachttorengenootschap — of vaker slechts „het Genootschap” — spreken, te kennen wordt gegeven dat zij het als meer dan een wettelijk instrument bezien. Beschouwen zij het niet als de gezaghebbende autoriteit in zaken die met aanbidding te maken hebben? Het boek Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk maakt dit punt duidelijk door uit te leggen dat „wanneer in De Wachttoren [september 1938] over ’Het Genootschap’ werd gesproken, dit geen betrekking had op louter een wettelijk instrument, maar op het lichaam van gezalfde christenen die dat wettelijke orgaan hadden gevormd en er gebruik van maakten”.a De uitdrukking had dus betrekking op „de getrouwe en beleidvolle slaaf” (Mattheüs 24:45). In deze betekenis hebben de Getuigen gewoonlijk de term „het Genootschap” gebruikt. Natuurlijk kunnen de termen de wettelijke corporatie en „de getrouwe en beleidvolle slaaf” niet door elkaar worden gebruikt. Bestuurders van het Wachttorengenootschap worden gekozen, terwijl Getuigen die de ’getrouwe slaaf’ vormen, door Jehovah’s heilige geest zijn gezalfd.
4. (a) Hoe drukken veel Getuigen zich uit teneinde misverstanden te voorkomen? (b) Waarom dienen wij met betrekking tot terminologie evenwichtig te zijn?
4 Teneinde misverstanden te voorkomen, proberen Jehovah’s Getuigen nauwkeurig te zijn als zij zich uiten. In plaats van te zeggen „Het Genootschap leert”, geven veel Getuigen er de voorkeur aan uitdrukkingen te gebruiken als „de bijbel zegt” of „ik begrijp dat de bijbel leert”. Op deze wijze beklemtonen zij de persoonlijke beslissing die iedere Getuige heeft genomen om de bijbelse leringen te aanvaarden en vermijden zij het ook de verkeerde indruk te wekken dat Getuigen hoe dan ook gebonden zijn aan de voorschriften van de een of andere religieuze sekte. Suggesties met betrekking tot terminologie dienen uiteraard nooit een onderwerp van controverse te zijn. Terminologie is ten slotte alleen belangrijk voor zover ze misverstanden voorkomt. Er wordt christelijk evenwicht vereist. De bijbel vermaant ons „niet te strijden over woorden” (2 Timotheüs 2:14, 15). De Schrift vermeldt ook het volgende beginsel: „Indien gij door middel van de tong geen gemakkelijk te begrijpen woorden spreekt, hoe zal men dan weten wat er wordt gesproken?” — 1 Korinthiërs 14:9.
Gods geest vermindert de behoefte aan regels
5. Hoe moet 1 Korinthiërs 10:23 begrepen worden?
5 „Alle dingen zijn geoorloofd, maar niet alle dingen zijn heilzaam”, merkte de apostel Paulus op. Hij voegde eraan toe: „Alle dingen zijn geoorloofd, maar niet alle dingen bouwen op” (1 Korinthiërs 10:23). Paulus bedoelde kennelijk niet dat het geoorloofd is dingen te doen die door Gods Woord uitdrukkelijk worden veroordeeld. Vergeleken met de ongeveer 600 wetten die aan het oude Israël werden gegeven, zijn er betrekkelijk weinig uitdrukkelijke geboden die het christelijke leven beheersen. Bijgevolg worden veel kwesties aan het persoonlijke geweten overgelaten. Iemand die zich aan Jehovah heeft opgedragen, verheugt zich in de vrijheid die voortvloeit uit de leiding van Gods geest. Een christen die zich de waarheid eigen heeft gemaakt, volgt zijn door de bijbel geoefende geweten en verlaat zich op Gods leiding door middel van heilige geest. Dit helpt de opgedragen christen te beslissen wat voor hemzelf en anderen ’opbouwend’ en „heilzaam” is. Hij beseft dat de beslissingen die hij neemt van invloed zullen zijn op zijn persoonlijke verhouding met God, aan wie hij zich heeft opgedragen.
6. Hoe kunnen wij op christelijke vergaderingen tonen dat wij ons de waarheid eigen hebben gemaakt?
6 Een Getuige geeft te kennen dat hij zich de waarheid eigen heeft gemaakt door op christelijke vergaderingen commentaar te geven. In het begin zal hij misschien voorlezen wat in de bestudeerde publikatie wordt gezegd. Maar mettertijd zal hij vorderingen maken, zodat hij bijbelse leringen met zijn eigen woorden kan uiteenzetten. Aldus geeft hij er blijk van zijn denkvermogen te ontwikkelen en niet slechts te herhalen wat anderen hebben gezegd. Als hij gedachten met eigen woorden formuleert en op een oprechte manier juiste woorden van waarheid spreekt, zal hij daar verrukking in vinden, terwijl er tevens door wordt aangetoond dat hij overtuigd is in zijn eigen geest. — Prediker 12:10; vergelijk Romeinen 14:5b.
7. Welke beslissingen hebben dienstknechten van Jehovah vrijwillig genomen?
7 Jehovah’s Getuigen worden gemotiveerd door liefde voor God en hun medemensen (Mattheüs 22:36-40). Het is waar dat zij door de band van christelijke liefde als een wereldwijde gemeenschap van broeders hecht aaneengesmeed zijn (Kolossenzen 3:14; 1 Petrus 5:9). Maar als een schepsel met een vrije wil heeft een ieder persoonlijk besloten het goede nieuws van Gods koninkrijk bekend te maken, politiek neutraal te blijven, zich van bloed te onthouden, bepaalde vormen van ontspanning te vermijden en naar bijbelse maatstaven te leven. Deze beslissingen zijn hun niet opgedrongen. Ze maken deel uit van een levenswijze die potentiële Getuigen vrijwillig verkiezen te volgen voordat zij ooit de stap van de christelijke opdracht doen.
Rekenschap verschuldigd aan een besturend lichaam?
8. Welke vraag moet opgehelderd worden?
8 De bijbel toont duidelijk aan dat ware christenen God niet onder dwang dienen. Dit boek zegt: „Jehovah . . . is de Geest, en waar de geest van Jehovah is, daar is vrijheid” (2 Korinthiërs 3:17). Maar hoe kan dit feit in overeenstemming worden gebracht met de gedachte van een „getrouwe en beleidvolle slaaf” met zijn Besturende Lichaam? — Mattheüs 24:45-47.
9, 10. (a) Hoe is het gezagsbeginsel van toepassing in de christelijke gemeente? (b) Wat werd in de eerste-eeuwse christelijke gemeente door het volgen van het gezagsbeginsel noodzakelijk?
9 Om deze vraag te beantwoorden, moeten wij het schriftuurlijke gezagsbeginsel in gedachte houden (1 Korinthiërs 11:3). In Efeziërs 5:21-24 wordt Christus geïdentificeerd als „het hoofd van de gemeente”, degene aan wie ze „onderworpen” is. Jehovah’s Getuigen begrijpen dat de getrouwe en beleidvolle slaaf uit Jezus’ geestelijke broeders bestaat (Hebreeën 2:10-13). Deze getrouwe slaafklasse is aangesteld om Gods volk van geestelijk ’voedsel te rechter tijd’ te voorzien. In deze tijd van het einde heeft Christus deze slaaf „over al zijn bezittingen” aangesteld. Zijn positie verdient daarom het respect van een ieder die beweert een christen te zijn.
10 Het doel van het gezagsbeginsel is de eenheid te bewaren en ervoor te zorgen dat „alle dingen betamelijk en volgens regeling geschieden” (1 Korinthiërs 14:40). Om dit in de eerste eeuw te verwezenlijken, werd een aantal gezalfde christenen uit de getrouwe en beleidvolle slaaf gekozen om de hele groep te vertegenwoordigen. Zoals uit de daaropvolgende gebeurtenissen bleek, had de supervisie die door dit eerste-eeuwse besturende lichaam werd uitgeoefend Jehovah’s goedkeuring en zegen. De eerste-eeuwse christenen aanvaardden de regeling blijmoedig. Ja, in feite juichten zij de eruit voortvloeiende goede resultaten toe en waren er dankbaar voor. — Handelingen 15:1-32.
11. Hoe dient het hedendaagse Besturende Lichaam te worden bezien?
11 De waarde van zo’n regeling is er nog steeds. Op het ogenblik bestaat het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen uit tien gezalfde christenen, die allen tientallen jaren van christelijke ervaring achter zich hebben. Zij geven geestelijke leiding aan Jehovah’s Getuigen, net als het eerste-eeuwse besturende lichaam (Handelingen 16:4). Evenals de vroege christenen zien de Getuigen in kwesties van aanbidding voor op de bijbel gebaseerde leiding graag op naar de rijpe broeders van het Besturende Lichaam. Hoewel de leden van het Besturende Lichaam net als hun medechristenen slaven van Jehovah en van Christus zijn, onderricht de bijbel ons: „Weest gehoorzaam aan hen die onder u de leiding nemen en weest onderdanig, want zij waken over uw ziel als mensen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet met zuchten mogen doen, want dit zou voor u schadelijk zijn.” — Hebreeën 13:17.
12. Aan wie moet iedere individuele christen rekenschap afleggen?
12 Betekent de positie van opzicht die de Schrift het Besturende Lichaam toekent dat elke getuige van Jehovah rekenschap van zijn werken aan de leden ervan moet afleggen? Niet volgens Paulus’ woorden aan christenen in Rome: „Waarom oordeelt gij uw broeder? Of waarom ziet gij ook neer op uw broeder? Want wij zullen allen voor de rechterstoel van God staan . . . Een ieder van ons [zal] voor zichzelf rekenschap afleggen aan God.” — Romeinen 14:10-12.
13. Waarom rapporteren Jehovah’s Getuigen hun predikingsactiviteit?
13 Is het echter niet zo dat van afzonderlijke Getuigen wordt verwacht dat zij hun predikingsactiviteit rapporteren? Ja, maar het doel hiervan wordt duidelijk uiteengezet in een handboek van de Getuigen, waarin wordt gezegd: „Vroege volgelingen van Jezus Christus waren geïnteresseerd in berichten over de vooruitgang van het predikingswerk (Mark. 6:30). Naarmate het werk voorspoed genoot, werden er cijfers over de groei gepubliceerd te zamen met verslagen over bijzondere ervaringen die degenen hadden meegemaakt die een aandeel aan de prediking van het goede nieuws hadden. . . . (Hand. 2:5-11, 41, 47; 6:7; 1:15; 4:4). . . . Hoe aanmoedigend was het voor die getrouwe christelijke werkers, berichten te vernemen over datgene wat tot stand werd gebracht! . . . Insgelijks streeft Jehovah’s hedendaagse organisatie ernaar nauwkeurige berichten bij te houden van het werk dat als een vervulling van Mattheüs 24:14 wordt gedaan.”
14, 15. (a) Hoe is 2 Korinthiërs 1:24 op het Besturende Lichaam van toepassing? (b) Op basis waarvan moeten individuele christenen persoonlijke beslissingen nemen, in erkenning van welk feit?
14 Het Besturende Lichaam is een liefdevolle voorziening en een navolgenswaardig voorbeeld van geloof (Filippenzen 3:17; Hebreeën 13:7). Door Christus als hun model aan te hangen en hem na te volgen, kunnen zij Paulus’ woorden herhalen: „Niet dat wij de meesters over uw geloof zijn, maar wij zijn medewerkers tot uw vreugde, want gij staat door uw geloof” (2 Korinthiërs 1:24). Het Besturende Lichaam neemt tendensen waar en vestigt dan de aandacht op de voordelen van het opvolgen van bijbelse raad, geeft suggesties over het toepassen van bijbelse wetten en beginselen, waarschuwt voor verborgen gevaren en verschaft „medewerkers” de nodige aanmoediging. Het kwijt zich aldus van zijn christelijk beheer, helpt christenen hun vreugde te behouden en bouwt hen op in het geloof zodat zij pal kunnen staan. — 1 Korinthiërs 4:1, 2; Titus 1:7-9.
15 Als een Getuige beslissingen neemt op basis van bijbelse raad die door het Besturende Lichaam is verschaft, doet hij dat uit eigen vrije wil, aangezien zijn eigen studie van de bijbel hem ervan overtuigd heeft dat dit de juiste handelwijze is. Iedere Getuige wordt er door Gods eigen Woord toe gebracht om door het Besturende Lichaam verschafte gedegen schriftuurlijke raad toe te passen, in volledige erkenning dat de beslissingen die hij neemt invloed zullen uitoefenen op zijn persoonlijke verhouding tot God, aan wie hij zich heeft opgedragen. — 1 Thessalonicenzen 2:13.
Studenten en soldaten
16. Waarom worden sommigen, hoewel beslissingen met betrekking tot gedrag een persoonlijke aangelegenheid zijn, toch uitgesloten?
16 Maar als beslissingen met betrekking tot gedrag een persoonlijke aangelegenheid zijn, waarom worden sommige getuigen van Jehovah dan uitgesloten? Niemand bepaalt eigenmachtig of de beoefening van een bepaalde zonde uitsluiting vereist. Dit optreden is op basis van de Schrift alleen noodzakelijk wanneer een lid van de gemeente zich onberouwvol overgeeft aan grove zonden, zoals die welke in het vijfde hoofdstuk van Eén Korinthiërs worden opgesomd. Hoewel een christen dus uitgesloten kan worden wegens het beoefenen van hoererij, gebeurt dit alleen als de betrokkene weigert de geestelijke hulp van liefdevolle herders te aanvaarden. Jehovah’s Getuigen zijn niet de enigen die dit christelijke gebruik volgen. The Encyclopedia of Religion merkt op: „Elke gemeenschap maakt aanspraak op het recht zich te beschermen tegen leden die zich niet schikken en het algemeen welzijn bedreigen. In een religieuze entourage is dit recht vaak versterkt door het geloof dat de sanctie [excommunicatie] invloed uitoefent op iemands positie voor het aangezicht van God.”
17, 18. Hoe kan de juistheid van uitsluiting worden geïllustreerd?
17 Jehovah’s Getuigen zijn bijbelstudenten (Jozua 1:8; Psalm 1:2; Handelingen 17:11). Het door het Besturende Lichaam verschafte programma voor bijbels onderwijs kan vergeleken worden met een leerplan dat door een onderwijsraad is uitgestippeld. Hoewel de onderwezen stof niet van de raad zelf afkomstig is, wordt wel door die raad het leerplan opgesteld en de onderwijsmethode bepaald en worden de noodzakelijke richtlijnen erdoor uitgevaardigd. Als iemand pertinent weigert overeenkomstig de vereisten van het instituut te leven, medeleerlingen in moeilijkheden brengt, of de school te schande maakt, kan hij worden weggestuurd. De schoolautoriteiten hebben het recht handelend op te treden ten behoeve van de leerlingen als groep.
18 Behalve studenten zijn Jehovah’s Getuigen soldaten van Jezus Christus, die de opdracht hebben gekregen om ’de voortreffelijke strijd van het geloof te strijden’ (1 Timotheüs 6:12; 2 Timotheüs 2:3). Uiteraard kan aanhoudend gedrag dat onbetamelijk is voor een christelijke soldaat Gods misnoegen met zich brengen. Als iemand die over keuzevrijheid beschikt, kan een christelijke soldaat zelf een beslissing nemen, maar hij moet de gevolgen van zijn beslissing dragen. Paulus redeneert: „Niemand die als soldaat dient, verwikkelt zich in de zakelijke bezigheden van het leven, opdat hij de goedkeuring moge verwerven van degene die hem als soldaat in dienst heeft genomen. Bovendien wordt iemand, ook als hij kampt in de spelen, niet gekroond indien hij niet volgens de regels heeft gekampt” (2 Timotheüs 2:4, 5). Rijpe christenen, met inbegrip van de leden van het Besturende Lichaam, blijven zich geheel ter beschikking stellen van hun leider, Jezus Christus, en houden zich aan „de regels”, opdat zij de prijs van eeuwig leven kunnen behalen. — Johannes 17:3; Openbaring 2:10.
19. Waarvan kunnen wij verzekerd zijn nu wij de feiten omtrent christelijke opdracht hebben beschouwd?
19 Geven de feiten niet duidelijk te kennen dat Jehovah’s Getuigen dienstknechten van God zijn en geen slaven van mensen? Als opgedragen christenen die zich verheugen in de vrijheid waarvoor Christus hen heeft vrijgemaakt, laten zij hun leven door Gods geest en zijn Woord beheersen, terwijl zij met hun broeders en zusters in de gemeente van God eensgezind dienst verrichten (Psalm 133:1). De bewijzen hiervan dienen ook elke onzekerheid omtrent de bron van hun sterkte uit te bannen. Met de psalmist kunnen zij zingen: „Jehovah is mijn sterkte en mijn schild. Op hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen, zodat mijn hart uitbundige vreugde heeft, en met mijn lied zal ik hem prijzen.” — Psalm 28:7.
[Voetnoot]
a In 1993 uitgegeven door de Watchtower Bible and Tract Society of New York, Inc.
Wat zou u antwoorden?
◻ Hoe zijn het Wachttorengenootschap en soortgelijke wettelijke organen een hulp voor Jehovah’s Getuigen?
◻ Hoe trekken christenen voordeel van de rol die het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen vervult?
◻ Waarom rapporteren Jehovah’s dienstknechten hun predikingsactiviteit?
◻ Onder welke omstandigheden is het passend dat een opgedragen christen wordt uitgesloten?
[Illustratie op blz. 19]
Het eerste-eeuwse besturende lichaam bewaarde eenheid in leer
[Illustraties op blz. 23]
Wereldwijd verheugen Jehovah’s Getuigen zich in de vrijheid waarvoor Christus hen heeft vrijgemaakt