Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w97 1/4 blz. 20-25
  • In Roemenië leerde ik de bijbelse waarheid kennen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • In Roemenië leerde ik de bijbelse waarheid kennen
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Woelige tijden
  • Mijn verlangen naar de bijbelse waarheid
  • De bijbelse waarheid verbreidt zich in Roemenië
  • Naar de Verenigde Staten
  • Onze vroege bediening in de Verenigde Staten
  • Een correctie die ik nodig had
  • Het hoofd boven water houden tijdens de Depressie
  • Ons geloof bewaren
  • Onze getrouwe familie in Roemenië
  • De waarheid is nog altijd kostbaar voor mij
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
  • Baby’s, bloed en AIDS
    Ontwaakt! 1990
  • Kilometerslange tochten — Ik doe het graag
    Ontwaakt! 2005
  • Jaarboek van Jehovah’s getuigen 1975
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1975
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
w97 1/4 blz. 20-25

In Roemenië leerde ik de bijbelse waarheid kennen

ZOALS VERTELD DOOR GOLDIE ROMOCEAN

In 1970 ging ik voor het eerst in bijna vijftig jaar op bezoek bij familieleden in Roemenië. De mensen leefden onder een onderdrukkend communistisch bewind, en ik werd voortdurend gewaarschuwd om op mijn woorden te letten. Toen ik vervolgens in het regeringskantoor stond in mijn geboortedorp, adviseerde de ambtenaar mij dringend het land onmiddellijk te verlaten. Laat ik, voordat ik ga uitleggen waarom, vertellen hoe ik in Roemenië de bijbelse waarheid heb leren kennen.

IK BEN op 3 maart 1903 geboren in het dorp Ortelec bij de stad Zalău in het noordwesten van Roemenië. Wij woonden in een prachtige omgeving. Het water en de lucht waren schoon. Wij verbouwden ons eigen voedsel en kwamen in materieel opzicht niets te kort. In mijn vroege kinderjaren heerste er vrede in het land.

De mensen waren heel religieus. Onze familie behoorde maar liefst tot drie verschillende religies. Een van mijn grootmoeders was orthodox-katholiek, de andere adventist, en mijn ouders waren baptist. Omdat ik het met geen van hun religies eens was, zei mijn familie dat ik een atheïst zou worden. ’Als er één God is,’ dacht ik, ’dan zou er maar één religie moeten zijn — en geen drie in één familie.’

Ik stoorde mij aan dingen die ik in de religies zag. De pastoor bijvoorbeeld ging naar de huizen toe om kerkbelasting te innen. Als mensen geen geld konden geven, nam hij in plaats daarvan hun beste wollen dekens. In de katholieke kerk zag ik Grootmoeder knielen om voor een afbeelding van Maria te bidden. ’Waarom tot een afbeelding bidden?’, dacht ik.

Woelige tijden

Vader ging in 1912 naar de Verenigde Staten met het doel geld te verdienen om een schuld af te betalen. Niet lang daarna brak er oorlog uit en de mannen van ons dorp vertrokken om te gaan vechten — alleen vrouwen, kinderen en oude mannen bleven achter. Ons dorp kwam een poosje onder Hongaars bestuur, maar toen kwamen er Roemeense soldaten terug en heroverden het dorp. Zij bevalen ons onmiddellijk te vertrekken. Maar in de haast en verwarring bij het inladen van onze bezittingen en de kleintjes in een ossekar, werd ik achtergelaten. Ik was de oudste van vijf kinderen, ziet u.

Ik holde naar een buurman, een oude man die achtergebleven was, en hij zei: „Ga naar huis. Doe je deuren op slot en laat niemand binnen.” Haastig deed ik wat hij gezegd had. Nadat ik wat kippesoep en gevulde kool had gegeten die in de haast van het vertrek waren blijven staan, knielde ik naast mijn bed en bad. Weldra viel ik vast in slaap.

Toen ik mijn ogen opendeed, was het dag, en ik zei: „O, dank u wel, God! Ik leef nog!” De muren zaten vol kogelgaten, want er was de hele nacht geschoten. Toen Moeder ontdekte dat ik niet bij hen was in het volgende dorp, stuurde zij de jonge George Romocean erop uit, die mij vond en mee terugnam. Het duurde niet lang of wij konden naar ons dorp terugkeren en er weer gaan wonen.

Mijn verlangen naar de bijbelse waarheid

Mijn moeder wilde dat ik mij als baptist liet dopen, maar dat wilde ik niet, want ik kon niet geloven dat een liefdevolle God mensen voor eeuwig in de hel zou laten branden. In een poging het uit te leggen, zei Moeder: „Nou ja, als ze slecht zijn.” Maar ik antwoordde: „Als ze slecht zijn, maak ze dan dood, maar pijnig ze niet. Ik zou nog geen hond of kat pijnigen.”

Ik weet nog dat Moeder mij op een schitterende lentedag, toen ik veertien jaar was, met de koeien naar het land stuurde om ze te weiden. Terwijl ik in het gras naast een rivier lag, met een bos op de achtergrond, keek ik naar de lucht en zei: „God, ik weet dat u daar bent; maar geen van die religies staat me aan. U moet toch vast wel één goede hebben.”

Ik geloof werkelijk dat God mijn gebed verhoord heeft, want nog in diezelfde zomer van 1917 kwamen er twee Bijbelonderzoekers (zoals Jehovah’s Getuigen toen werden genoemd) naar ons dorp. Het waren colporteurs, of volle-tijddienaren, en zij kwamen naar de baptistenkerk terwijl daar een dienst werd gehouden.

De bijbelse waarheid verbreidt zich in Roemenië

Enkele jaren daarvoor, in 1911, waren Károly Szabó en József Kiss, die in de Verenigde Staten Bijbelonderzoekers waren geworden, naar Roemenië teruggekeerd om daar de bijbelse waarheid bekend te maken. Zij hadden zich gevestigd in Tîrgu Mureş, nog geen 160 kilometer ten zuidoosten van ons dorp. Binnen enkele jaren reageerden letterlijk honderden mensen gunstig op de Koninkrijksboodschap en namen de christelijke bediening op zich. — Mattheüs 24:14.

Welnu, toen de twee jonge Bijbelonderzoekers naar de baptistenkerk in ons dorp Ortelec kwamen, leidde George Romocean, hoewel hij pas achttien was, daar de dienst en probeerde de betekenis van Romeinen 12:1 uit te leggen. Ten slotte stond een van de jonge colporteurs op en zei: „Broeders, vrienden, wat probeert de apostel Paulus ons hier te vertellen?”

Toen ik dat hoorde, was ik zo opgewonden! Ik dacht: ’Die mannen weten vast hoe ze de bijbel moeten uitleggen.’ Maar de meeste aanwezigen schreeuwden: „Valse profeten! Wij weten wel wie jullie zijn!” Het werd een hele opschudding. Maar toen stond Georges vader op en zei: „Stil, jullie allemaal! Wat is dit voor een geest hier — van het soort dat uit de fles komt? Als deze mannen ons iets te vertellen hebben en jullie niet willen luisteren, nodig ik hen bij mij thuis uit. Iedereen die komen wil, is welkom.”

Opgewonden holde ik naar huis en vertelde Moeder wat er gebeurd was. Ik was een van degenen die de uitnodiging van de Romoceans aannam. Wat was ik die avond opgetogen toen ik aan de hand van de bijbel leerde dat er geen brandende hel is en in mijn eigen Roemeense bijbel Gods naam, Jehovah, zag! De colporteurs regelden dat er iedere zondag een Bijbelonderzoeker naar het huis van de Romoceans kwam om ons te onderwijzen. De volgende zomer, toen ik vijftien jaar was, werd ik als symbool van mijn opdracht aan Jehovah gedoopt.

Mettertijd aanvaardden bijna de hele familie Prodan en de familie Romocean de bijbelse waarheid en droegen hun leven aan Jehovah op. Vele anderen uit ons dorp deden dat ook, onder wie het jonge echtpaar wier huis voorheen als baptistenkerk had gediend. Naderhand maakten zij er een ruimte van waar de Bijbelonderzoekers voor studie bijeen konden komen. De bijbelse waarheid verbreidde zich snel in de naburige dorpen en tegen 1920 waren er ongeveer 1800 Koninkrijksverkondigers in Roemenië!

Naar de Verenigde Staten

Wat wij geleerd hadden, wilden wij heel graag delen met mijn vader, Peter Prodan. Maar tot onze verbazing kregen wij, nog voordat wij hem konden schrijven, een brief van hem waarin hij ons vertelde dat hij een gedoopte dienstknecht van Jehovah was geworden. Hij had met de Bijbelonderzoekers in Akron (Ohio) gestudeerd en wilde dat wij ons allemaal bij hem in de Verenigde Staten zouden voegen. Maar Moeder weigerde Roemenië te verlaten. Daarom gebruikte ik in 1921 het geld dat Vader mij gestuurd had om naar hem in Akron toe te gaan. George Romocean en zijn broer waren het jaar daarvoor al naar Amerika geëmigreerd.

Toen ik per boot op Ellis Island (New York) aankwam, wist de immigratiebeambte niet hoe hij mijn naam, Aurelia, in het Engels moest vertalen, en daarom zei hij: „U bent Goldie.” Zo ben ik sedertdien altijd genoemd. Kort daarna, op 1 mei 1921, zijn George Romocean en ik getrouwd. Ongeveer een jaar later keerde Vader naar Roemenië terug en in 1925 kwam hij mijn jongere zusje, Mary, naar Akron brengen. Toen ging Vader weer naar Roemenië om bij Moeder en de rest van het gezin te zijn.

Onze vroege bediening in de Verenigde Staten

George was een heel loyale, toegewijde dienstknecht van Jehovah. Tussen 1922 en 1932 werden wij gezegend met vier mooie dochters — Esther, Anne, Goldie Elizabeth en Irene. In Akron werd een Roemeense gemeente opgericht, en in het begin werden de vergaderingen bij ons thuis gehouden. Na verloop van tijd kwam er elke zes maanden een vertegenwoordiger van het internationale hoofdbureau van de Bijbelonderzoekers in Brooklyn (New York) in onze gemeente op bezoek en logeerde dan bij ons.

Vaak besteedden wij de hele zondag aan het predikingswerk. Wij pakten onze lectuurtassen en een lunch in, zetten de meisjes in onze T-Ford en brachten de dag door met prediken in landelijk gebied. ’s Avonds gingen wij dan naar de Wachttoren-studie. Onze meisjes vatten liefde op voor het predikingswerk. In 1931 behoorde ik tot de aanwezigen in Columbus (Ohio), toen de Bijbelonderzoekers hun onderscheidende naam Jehovah’s Getuigen aannamen.

Een correctie die ik nodig had

Enkele jaren later werd ik boos op Joseph F. Rutherford, de toenmalige president van de Watch Tower Bible and Tract Society. Een nieuwe Getuige vond dat broeder Rutherford hem onrechtvaardig behandeld had en hem niet had laten uitpraten. Ik vond dat broeder Rutherford ongelijk had. Welnu, op een zondag kwamen mijn zus Mary en haar man Dan Pestrui bij ons op bezoek. Na het eten zei Dan: „Laten we ons klaarmaken voor de vergadering.”

„Wij gaan niet meer naar de vergaderingen”, zei ik. „Wij zijn boos op broeder Rutherford.”

Dan sloeg zijn handen op zijn rug ineen en beende heen en weer, en toen zei hij: „Kende jij broeder Rutherford toen je gedoopt werd?”

„Natuurlijk niet”, antwoordde ik. „Je weet best dat ik in Roemenië gedoopt ben.”

„Waarom heb je je laten dopen?”, vroeg hij.

„Omdat ik geleerd had dat Jehovah de ware God is, en ik mijn leven wilde opdragen om hem te dienen”, antwoordde ik.

„Vergeet dat nooit!”, reageerde hij. „Stel dat broeder Rutherford de waarheid uitgaat, ga jij dan ook?”

„Nooit van mijn leven!”, zei ik. Dat bracht me tot bezinning, en ik zei: „Maken jullie je allemaal klaar voor de vergadering.” En daar zijn wij nooit meer mee opgehouden. Wat was ik Jehovah dankbaar voor de liefdevolle correctie door mijn zwager!

Het hoofd boven water houden tijdens de Depressie

De jaren ’30 met de Depressie waren moeilijke tijden. Op een dag kwam George heel terneergeslagen thuis van zijn werk met de mededeling dat de rubberfabriek waar hij werkte hem ontslagen had. „Maak je geen zorgen,” zei ik, „wij hebben een rijke Vader in de hemel, en hij zal ons niet verlaten.”

Diezelfde dag ontmoette George een vriend die een grote mand champignons bij zich had. Toen George vernam waar zijn vriend ze geplukt had, kwam hij thuis met een „bushel” (ruim 35 liter) champignons. Vervolgens besteedde hij onze laatste drie dollar aan de aanschaf van mandjes. „Hoe kon je dat nu doen,” vroeg ik, „terwijl wij kleine meisjes hebben die melk moeten drinken?”

„Stil maar,” antwoordde hij, „doe maar gewoon wat ik zeg.” De paar weken daarop veranderde ons huis in een werkplaats voor het schoonmaken en verpakken van champignons. Wij verkochten ze aan de betere restaurants en kwamen thuis met dertig tot veertig dollar per dag, een fortuin voor ons in die tijd. De boer die ons toestemming gaf de champignons op zijn weilanden te plukken, zei dat hij daar al 25 jaar woonde en nog nooit zoveel champignons had gezien. Het duurde niet lang of de rubberfabriek riep George weer op om te komen werken.

Ons geloof bewaren

In 1943 verhuisden wij naar Los Angeles (Californië) en vier jaar later vestigden wij ons in Elsinore. Daar openden wij een kruidenierszaak waar ons hele gezin om beurten in werkte. In die tijd was Elsinore maar een plaatsje van zo’n 2000 inwoners, en wij moesten voor onze christelijke vergaderingen dertig kilometer naar een andere plaats reizen. Wat was ik blij dat er in 1950 een kleine gemeente in Elsinore werd opgericht! Nu zijn er dertien gemeenten in hetzelfde gebied.

In 1950 studeerde onze dochter Goldie Elizabeth (bij de meesten nu bekend als Beth) af van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead in South Lansing (New York), en werd als zendelinge aan Venezuela toegewezen. In 1955 was onze jongste dochter Irene blij dat haar man werd uitgenodigd om als reizende bedienaar in het kringwerk te dienen. Vervolgens werden zij in 1961, na de Koninkrijksbedieningsschool in South Lansing (New York) te hebben bezocht, naar Thailand gezonden. Soms miste ik mijn dochters zo erg dat ik moest huilen, maar dan dacht ik: ’Ik wilde toch juist dat ze dit gingen doen?’ Dus pakte ik mijn lectuurtas en trok uit in het predikingswerk. Ik kwam altijd opgewekt weer thuis.

In 1966 kreeg mijn lieve man George een beroerte. Beth, die wegens gezondheidsproblemen uit Venezuela was teruggekeerd, hielp hem verplegen. George is het jaar daarop gestorven, en ik werd vertroost door het feit dat hij Jehovah trouw was gebleven en zijn hemelse beloning had ontvangen. Later ging Beth naar Spanje om te dienen waar de behoefte aan Koninkrijkspredikers groter was. Mijn oudste dochter, Esther, kreeg kanker en is in 1977 gestorven, en in 1984 stierf Anne aan leukemie. Beiden waren hun hele leven getrouwe dienstknechten van Jehovah geweest.

Toen Anne stierf, waren Beth en Irene al teruggekeerd uit hun buitenlandse predikingstoewijzingen. Zij hadden geholpen hun zusters te verplegen en wij waren allemaal gebroken van verdriet. Na een poos zei ik tegen mijn dochters: „Oké, zo is het wel genoeg! Wij hebben anderen met kostbare bijbelse beloften vertroost. Nu moeten wij onszelf laten vertroosten. Satan wil ons beroven van onze vreugde in de dienst voor Jehovah, maar die kans mogen wij hem niet geven.”

Onze getrouwe familie in Roemenië

Mijn zuster Mary en ik maakten die gedenkwaardige tocht in 1970 om onze familie in Roemenië te bezoeken. Een van onze zusters was gestorven, maar wij konden onze broer John en onze zuster Lodovica opzoeken, die nog steeds in het dorp Ortelec woonden. Ten tijde van ons bezoek waren Vader en Moeder al in getrouwheid aan Jehovah gestorven. Velen vertelden ons dat Vader een pilaar in de gemeente was geweest. Zelfs enige van zijn achterkleinkinderen in Roemenië zijn nu Getuigen. Wij bezochten ook veel verwanten van de kant van mijn man, die standvastig waren gebleven in de bijbelse waarheid.

In 1970 stond Roemenië onder het wrede communistische bewind van Nicolae Ceauşescu, en Jehovah’s Getuigen werden genadeloos vervolgd. Zowel Flore, de zoon van mijn broer John, alsook andere verwanten van mij hebben vele jaren in concentratiekampen doorgebracht wegens hun christelijke geloof, en Gábor Romocean, de volle neef van mijn man, eveneens. Geen wonder dat toen ons werd toevertrouwd om correspondentie op het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in New York te bezorgen, onze Roemeense broeders zeiden dat zij geen rustig moment zouden hebben totdat zij gehoord hadden dat wij veilig het land uit waren!

Toen wij bemerkten dat onze visa verlopen waren, gingen wij naar het regeringskantoor in Ortelec. Het was vrijdagmiddag, en er had maar één ambtenaar dienst. Toen hij hoorde bij wie wij op bezoek waren en dat onze neef in een concentratiekamp had gezeten, zei hij: „Dames, maak dat u hier onmiddellijk weg komt!”

„Maar er gaat vandaag geen trein”, antwoordde mijn zuster.

„Dat doet er niet toe”, zei hij dringend. „Neem een bus. Neem een trein. Neem een taxi. Ga lopen. Als u maar zorgt dat u hier zo snel mogelijk verdwijnt!”

Toen wij wilden weggaan, werden wij teruggeroepen en kregen te horen dat er om zes uur die avond een militaire trein zou rijden die niet in de dienstregeling stond. Wat een geluk bleek dat te zijn! Op een gewone trein zouden onze papieren herhaaldelijk zijn gecontroleerd, maar omdat deze trein militairen vervoerde en wij de enige twee meerijdende burgers waren, vroeg niemand naar onze paspoorten. Misschien gingen zij ervan uit dat wij de grootmoeders van enkele van de officieren waren.

De volgende ochtend kwamen wij in Timişoara aan, en met de hulp van een vriend van een familielid slaagden wij erin onze visa te krijgen. De volgende dag waren wij het land uit. Wij namen vele dierbare en onvergetelijke herinneringen aan onze loyale christelijke broeders en zusters in Roemenië mee naar huis.

In de jaren na ons bezoek aan Roemenië hoorden wij weinig bijzonderheden over de predikingsactiviteiten achter het IJzeren Gordijn. Maar wij hadden het volste vertrouwen dat onze christelijke broeders en zusters loyaal aan onze God zouden blijven — wat er ook mocht gebeuren. En dat is ook inderdaad het geval geweest! Wat een vreugde was het te horen dat Jehovah’s Getuigen in Roemenië in april 1990 wettelijk als een religieuze organisatie waren erkend! De volgende zomer waren wij opgetogen over de berichten van de in Roemenië gehouden congressen. Er waren maar liefst meer dan 34.000 aanwezigen in acht steden en er waren 2260 dopelingen! Nu nemen er in Roemenië meer dan 35.000 verkondigers deel aan het predikingswerk, en vorig jaar werd de Gedachtenisviering van Christus’ dood door 86.034 personen bijgewoond.

De waarheid is nog altijd kostbaar voor mij

Een paar jaar geleden hield ik ermee op bij het Avondmaal van de symbolen te gebruiken. Ik zag zeer bekwame broeders die er niet van gebruikten, en ik redeneerde: ’Waarom zou Jehovah mij het voorrecht geven medeërfgenaam met zijn Zoon in de hemel te zijn terwijl anderen zulke vloeiende sprekers zijn?’ Maar toen ik er niet van gebruikte, voelde ik mij erg verontrust. Het was alsof ik iets afwees. Na veel studie en smeekbeden ben ik weer van de symbolen gaan gebruiken. Mijn vrede en vreugde kwamen terug en hebben me nooit meer verlaten.

Hoewel ik niet meer goed genoeg kan zien om te lezen, luister ik elke dag naar bandjes van de bijbel en van De Wachttoren en Ontwaakt! Ik heb ook nog altijd een aandeel aan het predikingswerk. Gewoonlijk verspreid ik tussen de zestig en honderd tijdschriften per maand, maar toen wij vorig jaar april de speciale veldtocht met de Ontwaakt! hadden, heb ik er 323 verspreid. Met de hulp van mijn dochters kan ik ook aandeeltjes op de theocratische bedieningsschool behartigen. Ik ben blij dat ik anderen kan blijven aanmoedigen. Bijna iedereen in de Koninkrijkszaal noemt me Oma.

Terugkijkend op bijna 79 jaar toegewijde dienst voor Jehovah, dank ik hem iedere dag dat hij mij heeft toegestaan zijn kostbare waarheid te leren kennen en mijn leven in zijn dienst te gebruiken. Ik ben heel dankbaar dat ik de vervulling heb mogen beleven van de prachtige bijbelse profetieën die de bijeenvergadering van Gods schapen in deze laatste dagen hebben voorzegd. — Jesaja 60:22; Zacharia 8:23.

[Illustratie op blz. 23]

Mijn zuster Mary en Vader (staande) en ik, George en onze dochters Esther en Anne

[Illustratie op blz. 24]

Met mijn dochters Beth en Irene en Irenes echtgenoot en hun twee zoons, die allen getrouw Jehovah dienen

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen