Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w96 1/3 blz. 23-27
  • Verenigd in Gods dienst in voor- en tegenspoed

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Verenigd in Gods dienst in voor- en tegenspoed
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1996
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Dienen waar predikers nodig waren
  • Dienen in het Zuidzeegebied
  • Onze broeders en zusters zijn kostbaar
  • Van eiland tot eiland
  • Eindelijk Afrika!
  • Het gevecht tegen kanker
  • Terug naar Benin
  • Ze boden zich gewillig aan: in West-Afrika
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2014
  • God op de eerste plaats stellen leidt tot zegeningen
    Ontwaakt! 2009
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • Jaarboek van Jehovah’s getuigen 1976
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1976
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1996
w96 1/3 blz. 23-27

Verenigd in Gods dienst in voor- en tegenspoed

Zoals verteld door Michel en Babette Muller

„IK HEB slecht nieuws voor u”, zei de dokter. „U kunt uw zendelingenleven in Afrika wel vergeten.” Hij keek mijn vrouw, Babette, aan en zei: „U hebt borstkanker.”

Onze verbijstering was niet te beschrijven. Er schoten ons heel wat dingen door het hoofd. Wij hadden gedacht dat dit bezoek aan de dokter slechts een afsluitend onderzoek zou zijn. Onze tickets voor de terugreis naar Benin (West-Afrika) waren al gekocht. Wij hadden gehoopt binnen een week weer daar te zijn. In de 23 jaar dat wij getrouwd waren, hadden wij voor- en tegenspoed gekend. Verward en bang zetten wij ons nu schrap voor een gevecht tegen kanker.

Laten wij bij het begin beginnen. Michel werd in september 1947 geboren, Babette in augustus 1945. Wij groeiden op in Frankrijk en trouwden in 1967. Wij woonden in Parijs. Op een ochtend begin 1968 was Babette laat voor haar werk. Er kwam een dame aan de deur die haar een religieuze brochure aanbood; zij nam die aan. De dame zei toen: „Mag ik eens met mijn man terugkomen om met u en uw man te praten?”

Babette was met haar gedachten bij haar werk. Zij wilde de dame afschepen, daarom zei ze: „Oké, oké.”

Michel vertelt: „Ik had geen belangstelling voor religie, maar de brochure trok mijn aandacht en ik las die. Een paar dagen later kwam de dame, Joceline Lemoine, met haar man, Claude, terug. Hij wist heel goed de weg in de bijbel. Hij had antwoorden op al mijn vragen. Ik was onder de indruk.

Babette was een goed katholiek maar had geen bijbel, iets wat bij katholieken wel vaker voorkomt. Zij was heel enthousiast toen zij het Woord van God zag en erin las. Door onze studie leerden wij dat veel van de religieuze ideeën die ons waren onderwezen, vals waren. Wij begonnen met onze familieleden en vrienden te spreken over de dingen die wij leerden. In januari 1969 werden wij gedoopte getuigen van Jehovah. Negen van onze familieleden en vrienden werden kort daarna gedoopt.”

Dienen waar predikers nodig waren

Niet lang na onze doop dachten wij: ’Wij hebben geen kinderen. Waarom zouden wij niet in de volle-tijddienst gaan?’ Vandaar dat wij in 1970 onze baan opzeiden, ons voor de gewone pioniersdienst opgaven en naar het stadje Magny-Lormes verhuisden, in de buurt van Nevers, in het midden van Frankrijk.

Het was een moeilijke toewijzing. Het viel niet mee om mensen te vinden die de bijbel wilden bestuderen. Wij konden geen werelds werk vinden, dus hadden wij weinig geld. Soms hadden wij alleen maar aardappelen te eten. In de winter daalde de temperatuur tot ver onder nul. Wij noemden de periode die wij daar doorbrachten de tijd van de zeven magere koeien. — Genesis 41:3.

Maar Jehovah zorgde voor ons. Op een dag, toen wij bijna zonder voedsel zaten, bezorgde de postbode een grote doos met kaas van Babette’s zus. Een andere dag kwamen wij van de prediking thuis en troffen een paar vrienden aan die 500 kilometer hadden gereden om ons op te zoeken. Toen zij hadden gehoord hoe nijpend de situatie was, hadden deze broeders en zusters hun twee auto’s volgeladen met voedsel voor ons.

Na anderhalf jaar stelde het Genootschap ons als speciale pioniers aan. De daaropvolgende vier jaar dienden wij in Nevers, vervolgens in Troyes en tot slot in Montigny-lès-Metz. In 1976 kreeg Michel de aanstelling om als kringopziener in het zuidwesten van Frankrijk te dienen.

Twee jaar later, tijdens een cursus voor kringopzieners, ontvingen wij een brief van het Wachttorengenootschap waarin wij werden uitgenodigd om als zendelingen naar het buitenland te gaan; in de brief stond dat wij konden kiezen tussen Tsjaad en Boerkina Faso (destijds Opper-Volta). Wij kozen voor Tsjaad. Niet lang daarna ontvingen wij nog een brief, waarin wij de toewijzing kregen om onder het bijkantoor van Tahiti te werken. Wij hadden om Afrika, een kolossaal werelddeel, gevraagd maar belandden al gauw op een eilandje!

Dienen in het Zuidzeegebied

Tahiti is een prachtig tropisch eiland in de Stille Zuidzee. Toen wij aankwamen, stonden ongeveer honderd broeders en zusters ons op het vliegveld op te wachten. Zij verwelkomden ons met bloemenslingers, en hoewel wij moe waren van onze lange reis vanuit Frankrijk, waren wij heel gelukkig.

Vier maanden nadat wij op Tahiti waren aangekomen, gingen wij aan boord van een klein zeilschip, volgeladen met gedroogde kokosnoten. Vijf dagen later bereikten wij onze nieuwe toewijzing — het eiland Nuku-Hiva van de Marquiseseilanden. Er woonden ongeveer 1500 mensen op het eiland, maar er waren geen broeders en zusters. Wij waren de enige.

De omstandigheden waren primitief in die tijd. Wij woonden in een huisje van bamboe en beton. Er was geen elektriciteit. Wij hadden een kraan waar soms water uit kwam, maar dat was troebel. Meestal gebruikten wij regenwater dat in een reservoir werd opgevangen. Er waren geen bestrate wegen, alleen onverharde paden.

Om afgelegen gedeelten van het eiland te bereiken, moesten wij paarden huren. De zadels waren van hout — zeer oncomfortabel, vooral voor Babette, die nog nooit op een paard had gezeten. Wij hadden een machete bij ons om een weg te kappen door bamboe dat over het pad was gevallen. Het was een heel ander leven dan in Frankrijk.

Wij hielden de zondagvergaderingen, hoewel wij de enige aanwezigen waren. In het begin hielden wij de andere vergaderingen niet omdat wij toch maar met ons tweeën waren. In plaats daarvan lazen wij samen het materiaal voor de vergadering door.

Na een paar maanden besloten wij dat het niet goed was om zo door te gaan. Michel vertelt: „Ik zei tegen Babette: ’Wij moeten ons netjes aankleden. Ga jij daar zitten, dan ga ik hier zitten. Ik zal met gebed openen, en daarna houden wij de theocratische bedieningsschool en de dienstvergadering. Ik stel de vragen, en jij geeft antwoord, ook al ben jij de enige andere persoon in de kamer.’ Het was goed dat wij dit deden, want je kunt gemakkelijk geestelijk laks worden wanneer er geen gemeente is.”

Het duurde een tijdje voordat er mensen naar onze christelijke vergaderingen kwamen. Wij waren de eerste acht maanden met ons tweeën. Later kregen wij er een, twee of soms drie anderen bij. Eén jaar waren wij maar met ons tweeën toen wij met de jaarlijkse viering van het Avondmaal des Heren begonnen. Na tien minuten kwamen er een paar mensen, dus stopte ik en begon opnieuw met de lezing.

Nu zijn er 42 verkondigers en drie gemeenten op de Marquiseseilanden. Hoewel het leeuwedeel van het werk door onze opvolgers is gedaan, zijn sommige mensen met wie wij destijds contact hebben gelegd, nu gedoopt.

Onze broeders en zusters zijn kostbaar

Wij leerden op Nuku-Hiva geduld te oefenen. Afgezien van de meest fundamentele behoeften moesten wij op alles wachten. Als je bijvoorbeeld een boek wilde hebben, moest je het schriftelijk aanvragen en er vervolgens twee of drie maanden op wachten.

Een andere les die wij leerden, is dat onze broeders en zusters kostbaar zijn. Toen wij Tahiti bezochten en tijdens een vergadering die wij bijwoonden, de broeders en zusters hoorden zingen, werden wij tot tranen toe geroerd. Het kan best zo zijn dat sommige broeders en zusters moeilijk in de omgang zijn, maar wanneer je alleen bent, besef je pas hoe goed het is om broeders en zusters om je heen te hebben. In 1980 besliste het Genootschap dat wij naar Tahiti moesten terugkeren om er in de kringdienst te gaan. Daar werden wij heel erg aangemoedigd door de hartelijke gastvrijheid van de broeders en zusters en door hun liefde voor de prediking. Wij brachten drie jaar in de kringdienst op Tahiti door.

Van eiland tot eiland

Vervolgens werden wij toegewezen aan een zendelingenhuis op Raiatea, een ander eiland in de Grote Oceaan, en wij bleven daar ongeveer twee jaar. Na Raiatea kregen wij een toewijzing voor het kringwerk op de Tuamotu-eilanden. Wij bezochten 25 van de 80 eilanden per boot. Voor Babette was het zwaar. Telkens als zij per boot reisde, werd zij zeeziek.

Babette zegt: „Het was afschuwelijk! Al de tijd dat wij op de boot zaten, was ik ziek. Als wij vijf dagen op zee waren, was ik vijf dagen ziek. Geen enkel medicijn hielp bij mij. Maar ondanks het feit dat ik mij beroerd voelde, vond ik de oceaan prachtig. Het was een schitterend gezicht. Dolfijnen hielden een wedstrijd met de boot. Ze sprongen vaak uit het water als je in je handen klapte!”

Na vijf jaar in het kringwerk gediend te hebben, werden wij opnieuw aan Tahiti toegewezen en gedurende de twee jaar dat wij daar waren, maakten wij weer een fijne tijd mee in de prediking. Het aantal verkondigers van onze gemeente verdubbelde in anderhalf jaar tijd van 35 tot 70. Twaalf van degenen met wie wij de bijbel bestudeerden, werden kort voordat wij weggingen, gedoopt. Sommigen van hen zijn nu ouderling in de gemeente.

Alles bij elkaar hebben wij twaalf jaar in het Zuidzeegebied doorgebracht. Toen ontvingen wij een brief van het Genootschap waarin stond dat zij op de eilanden geen zendelingen meer nodig hadden aangezien de gemeenten nu sterk waren. Er waren ongeveer 450 verkondigers toen wij op Tahiti aankwamen en meer dan 1000 toen wij weggingen.

Eindelijk Afrika!

Wij gingen naar Frankrijk terug, en na anderhalve maand gaf het Genootschap ons een nieuwe toewijzing — Benin (West-Afrika). Wij hadden al dertien jaar voordien naar Afrika willen gaan, dus wij waren heel blij.

Wij arriveerden op 3 november 1990 in Benin en behoorden tot de eerste zendelingen die daar kwamen nadat het veertien jaar durende verbod op de Koninkrijksprediking was opgeheven. Het was heel opwindend. Wij hadden er geen moeite mee te wennen, omdat het leven veel weg heeft van dat op de eilanden in de Grote Oceaan. De mensen zijn heel vriendelijk en gastvrij. Je kunt met iedereen op straat een praatje maken.

Slechts een paar weken nadat wij in Benin waren aangekomen, ontdekte Babette een knobbeltje in haar borst. Daarom gingen wij naar een kleine kliniek in de buurt van het pas opgerichte bijkantoor. De arts onderzocht haar en zei dat zij heel snel geopereerd moest worden. De volgende dag gingen wij naar een andere kliniek waar wij een Europese arts, een gynaecologe uit Frankrijk, raadpleegden. Ook zij zei dat wij snel naar Frankrijk moesten gaan zodat Babette geopereerd kon worden. Twee dagen later zaten wij in een vliegtuig naar Frankrijk.

Wij vonden het erg om Benin te verlaten. Nu er weer godsdienstvrijheid in het land was, vonden de broeders en zusters het fantastisch nieuwe zendelingen te hebben en wij vonden het heerlijk daar te zijn. Het deed ons dus verdriet te moeten vertrekken na slechts een paar weken in het land te zijn geweest.

In Frankrijk onderzocht de chirurg Babette en bevestigde dat zij geopereerd moest worden. De artsen kwamen snel in actie, voerden een kleine operatie uit en Babette werd de volgende dag uit het ziekenhuis ontslagen. Wij dachten dat daarmee de kous af was.

Acht dagen later hadden wij een onderhoud met de chirurg. Bij die gelegenheid vertelde hij Babette dat zij borstkanker had.

Terugdenkend aan wat er toen door haar heen ging, zegt Babette: „In het begin was ik minder overstuur dan Michel. Maar de dag na het slechte nieuws voelde ik helemaal niets. Ik kon niet huilen. Ik kon niet lachen. Ik dacht dat ik dood zou gaan. Voor mij stond kanker gelijk met de dood. Mijn instelling was: Wij moeten doen wat ons te doen staat.”

Het gevecht tegen kanker

Wij hoorden het slechte nieuws op vrijdag, en Babette moest op dinsdag voor de tweede keer geopereerd worden. Wij logeerden bij Babette’s zus, maar ook zij was ziek, dus wij konden niet in haar kleine flat blijven.

Wij vroegen ons af waar wij heen konden. Toen dachten wij aan Yves en Brigitte Merda, een echtpaar bij wie wij al eerder hadden gelogeerd. Dit echtpaar had ons bijzonder gastvrij ontvangen. Wij belden Yves dus op en vertelden hem dat Babette geopereerd moest worden en dat wij geen logeeradres hadden. Wij vertelden hem tevens dat Michel een baan zocht.

Yves hielp Michel aan een baan door hem klusjes in en om zijn huis te laten doen. De broeders en zusters steunden ons en moedigden ons aan met veel daden van vriendelijkheid. Zij hielpen ons ook financieel. Het Genootschap betaalde de doktersrekeningen van Babette.

Het was een zware operatie. De artsen moesten de lymfklieren en de borst verwijderen. Zij begonnen onmiddellijk met chemotherapie. Na een week kon Babette het ziekenhuis verlaten, maar zij moest elke drie weken voor verdere therapie terugkomen.

Gedurende de tijd dat Babette onder behandeling was, waren de broeders en zusters in de gemeente een grote hulp. Eén zuster die ook borstkanker had gehad, was een grote aanmoediging. Zij vertelde Babette wat zij kon verwachten en bood haar veel troost.

Desondanks maakten wij ons zorgen over onze toekomst. Michel en Jeanette Cellerier, die dit in de gaten hadden, namen ons mee uit eten.

Wij vertelden hun dat wij de zendingsdienst moesten verlaten en dat wij nooit meer naar Afrika terug konden. Maar broeder Cellerier zei: „Wat? Wie zegt dat jullie moeten stoppen? Het Besturende Lichaam? De broeders in Frankrijk? Wie heeft dat gezegd?”

„Niemand heeft dat gezegd,” antwoordde ik, „ik zeg het.”

„Nee, nee!”, zei broeder Cellerier. „Jullie gaan terug!”

Na de chemotherapie volgde bestraling, die tegen eind augustus 1991 werd afgerond. De artsen zeiden dat er niets op tegen was dat wij naar Afrika terugkeerden, als Babette maar geregeld naar Frankrijk terugkwam voor onderzoek.

Terug naar Benin

Wij schreven dus naar het hoofdkantoor in Brooklyn en vroegen of wij weer in de zendingsdienst mochten. Wij zagen reikhalzend naar hun antwoord uit. De dagen sleepten zich voort. Uiteindelijk hield Michel het niet langer uit, dus belde hij naar Brooklyn en vroeg of zij onze brief hadden ontvangen. Zij zeiden dat zij erover hadden nagedacht — wij konden terug naar Benin! Wat waren wij Jehovah dankbaar!

De familie Merda organiseerde een gezellig feestje om het nieuws te vieren. In november 1991 gingen wij terug naar Benin, en de broeders verwelkomden ons met een feestmaal!

Het lijkt nu goed te gaan met Babette. Wij zijn van tijd tot tijd naar Frankrijk teruggegaan voor een volledig medisch onderzoek, en de artsen vinden geen spoor van kanker. Wij vinden het heerlijk weer terug te zijn in onze zendingstoewijzing. Wij hebben het gevoel dat wij in Benin nodig zijn, en Jehovah heeft ons werk gezegend. Sinds onze terugkomst hebben wij veertien personen tot de doop mogen helpen. Vijf van hen zijn nu gewone pionier, en een is als dienaar in de bediening aangesteld. Wij hebben ook gezien dat onze kleine gemeente groeide en vervolgens in twee gemeenten werd gesplitst.

In de loop der jaren hebben wij Jehovah als man en vrouw gediend, talrijke zegeningen ervaren en veel fantastische mensen leren kennen. Maar wij zijn ook opgeleid en gesterkt door Jehovah om met succes beproevingen te verduren. Net als Job begrepen wij niet altijd waarom bepaalde dingen gebeurden, maar wij wisten wel dat Jehovah er altijd was om ons te helpen. Het is zoals Gods Woord zegt: „Ziet! De hand van Jehovah is niet te kort geworden zodat ze niet redden kan, noch is zijn oor te zwaar geworden zodat het niet horen kan.” — Jesaja 59:1.

[Illustratie op blz. 23]

Michel en Babette Muller in traditionele klederdracht in Benin

[Illustraties op blz. 25]

Zendingswerk onder Polynesiërs op het tropische Tahiti

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen