Een zinvolle levenswijze
ZOALS VERTELD DOOR MELVA A. WIELAND
In maart 1940, een paar maanden nadat ik was gedoopt, kwam mijn zus Phyllis naar mij toe en vroeg: „Waarom ga je niet pionieren?” „Pionieren?”, vroeg ik. „Bedoel je op volle-tijdbasis prediken, bijna elke dag?”
’HOE kan ik nu pionieren’, dacht ik, ’met mijn kleine beetje kennis van de bijbel en mijn nog kleinere beetje spaargeld op de bank?’ Toch zette Phyllis’ vraag mij aan het denken. Ook maakte ik het vaak tot een onderwerp van gebed.
Uiteindelijk kwam ik tot de slotsom: ’Waarom kan ik God niet vertrouwen wanneer hij belooft voor ons te zorgen als wij eerst zijn koninkrijk zoeken?’ (Mattheüs 6:33) In juni 1940 zei ik dus mijn baan als naaister op. Vervolgens schreef ik naar het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Australië en vroeg om een pionierstoewijzing.
Mijn toewijzing voor het leven
Een paar weken later kreeg ik een brief terug waarin stond dat ik een toewijzing zou krijgen nadat ik het congres had bijgewoond dat zou worden gehouden op het terrein van het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Strathfield, een voorstad van Australiës grootste stad, Sydney. De ochtend na het congres meldde ik mij op het kantoor om mijn toewijzing in ontvangst te nemen.
De broeder op het kantoor legde uit: „Wij hebben het momenteel erg druk in de wasserij. Zou je een paar weken kunnen blijven om een handje te helpen?” Dat was in augustus 1940 — en ik werk nog altijd in de wasserij! Toentertijd bestond de familie op het bijkantoor uit slechts 35 leden; nu zijn het er 276.
Maar u vraagt u misschien af waarom ik het werken in een wasserij als „een zinvolle levenswijze” beschouw, vooral omdat ik dit werk nu al ruim vijftig jaar doe. Laat ik voordat ik dat ga uitleggen, vertellen waar ik mij in het begin mee bezighield.
Sporten werd een levenswijze
Ik ben op 1 januari 1914 in Melbourne geboren als eerste van vijf kinderen. Wij hadden liefdevolle ouders die er hoge maatstaven op na hielden en streng onderricht toedienden wanneer het nodig was. Ook kregen wij een religieuze opvoeding die zogezegd meer van het toeval afhing, want onze ouders waren geen kerkgangers. Toch stonden zij erop dat wij de zondagsschool van de Anglicaanse Kerk bezochten.
Toen ik in 1928 van school kwam en als naaister ging werken, besloot ik het merendeel van mijn vrije tijd met sporten door te brengen, omdat ik dacht dat dit mij zou helpen mijn verlegenheid te overwinnen. Ik werd lid van een tennisclub en speelde het hele jaar door. ’s Winters speelde ik ook basketbal en honkbal en ’s zomers zat ik in het damescricketteam. Cricket werd mijn lievelingssport en ik deed mijn best om mijn vaardigheid als snelle bowler te perfectioneren om in aanmerking te komen voor wedstrijden tussen de staten.
Een ander doel dan sport
Al vroeg in mijn leven raakte ik verontrust door de leer dat een God van liefde een plaats had die de hel wordt genoemd en waar degenen die slechte dingen hebben gedaan voor eeuwig zouden worden gepijnigd. Dit kon ik gewoon niet begrijpen. Stelt u zich dus eens voor hoe verrukt ik was toen ik onverwacht aan de hand van de bijbel de ware betekenis van „hel” leerde kennen. Het ging zo:
Mijn zus Phyllis, die vijf jaar jonger is dan ik, hield eveneens van sporten, en wij zaten in hetzelfde damescricketteam. In 1936 stelde een teamgenoot Phyllis voor aan een jonge man, Jim genaamd, die erom bekendstond bijzonder religieus te zijn. Al gauw begon Jim met Phyllis over de bijbelse leer te praten. Zij raakte erdoor geboeid. „Het is zo logisch en redelijk”, zei ze steeds tegen mij.
Destijds deelden Phyllis en ik thuis samen een kamer, en zij probeerde mijn belangstelling op te wekken voor wat Jim haar over Gods koninkrijk vertelde. „Het gaat doen wat menselijke regeringen niet hebben kunnen doen”, zei ze opgewonden tegen mij. Maar ik ging met haar in discussie en zei dat dit weer zo’n religie was die ons in de war bracht en dat niemand echt iets over de toekomst wist. Phyllis was echter vasthoudend en liet overal in de kamer lectuur achter, in de hoop dat ik die zou lezen.
Ik was er nieuwsgierig naar waarom Phyllis zo enthousiast was over dit nieuwe geloof, dus pakte ik op een dag een brochure met de intrigerende titel Hereafter (Hiernamaals). Ik ’spitste de oren’ toen ik de brochure doorbladerde en het woord „hel” zag staan. Tot mijn verbazing kwam ik te weten dat het bijbelse woord „hel” eigenlijk op het gemeenschappelijke graf van de mensheid duidt en dat zowel goede als slechte mensen daarheen gaan. Ik kwam ook te weten dat de hel geen plaats van pijniging is; de doden hebben geen bewustzijn en kunnen niets voelen. — Prediker 9:5, 10; Psalm 146:3, 4.
Dit klonk mij redelijk in de oren, vooral toen er in de brochure werd uitgelegd dat een liefdevolle en machtige God heeft beloofd de doden terug te brengen door een wonder dat opstanding wordt genoemd (Johannes 5:28, 29). Nu wilde ik ook meer weten over de dingen die Jim aan Phyllis had verteld. Ik vond de kleine King James Version die mijn vader mij had gegeven toen ik een kind was en ik zocht de schriftplaatsen op die in de brochure stonden. Daardoor werd bevestigd wat de brochure over de hel en de toestand van de doden zei.
Nog een fascinerende verrassing voor mij was te vernemen dat God een persoonlijke naam heeft, Jehovah (Psalm 83:18). Ik begreep ook dat alles wat God deed of toeliet, een doel of een reden had. Dat bracht mij ertoe mij af te vragen: ’Wat is eigenlijk mijn doel in het leven?’ Vanaf die tijd ging ik eraan twijfelen of het wel goed voor mij was om sporten zo serieus te nemen dat er bijna geen tijd voor andere dingen overbleef.
Doen wat ik mij heb voorgenomen
Jim en Phyllis hadden er geen idee van dat mijn kijk op het leven was veranderd, maar daar kwamen zij achter toen ons gezin op een feest van een vriend was uitgenodigd. In die dagen stonden bij zulke gelegenheden gewoonlijk alle aanwezigen op en brachten een toost uit op de koning van Engeland, en allen hieven dan het glas om op zijn welzijn te drinken. Ik besloot echter samen met Jim en Phyllis te blijven zitten. Zij konden hun ogen niet geloven toen zij zagen dat ik bleef zitten! Het was natuurlijk geen gebrek aan respect van onze kant, maar als christenen vonden wij dat wij neutraal moesten zijn en geen aandeel konden hebben aan zulke nationalistische ceremoniën. — Johannes 17:16.
Mijn ouders en de overige leden van ons gezin waren echter ontzet. Zij zeiden dat wij of deloyaal of krankzinnig waren — of beide! Daarna, toen Phyllis en ik de jaarlijkse prijsuitreiking voor het damescricketteam bijwoonden, vond er iets soortgelijks plaats tijdens een nationalistische ceremonie. Het eind van het liedje was dat wij beiden uit het team stapten. Dat was niet zo moeilijk als ik had gedacht, want ik was gaan beseffen dat Christus Jezus, de Koning van Gods hemelse koninkrijk, recht had op mijn toewijding en loyaliteit.
Phyllis legde nu uit dat ik geregeld de vergaderingen van Jehovah’s Getuigen moest bezoeken om mijn geloof met meer bijbelkennis op te bouwen. Destijds was er maar één gemeente in Melbourne, dus ik begon daar elke zondagmiddag de vergaderingen te bezoeken. Al gauw was ik ervan overtuigd dat dit Gods ware aardse organisatie was.
Het duurde niet lang of ik werd uitgenodigd om deel te nemen aan de gemeentelijke van-huis-tot-huisprediking. In het begin was ik terughoudend, maar op een zondagochtend besloot ik mee te gaan, alleen om te zien hoe het in zijn werk ging. Ik was blij toen ik een ervaren Getuige mocht vergezellen die vol overtuiging aan de eerste deur sprak en een prettige reactie van de huisbewoner kreeg. Ik dacht bij mijzelf: ’Nou, dat was niet zo moeilijk, maar ik moet nog heel wat oefenen voordat ik het zo goed kan.’ Stelt u zich dus mijn verbazing eens voor toen de Getuige na die eerste deur tegen mij zei: „Je kunt het nu wel alleen af.”
„Alleen?”, vroeg ik verbijsterd! „Dat meen je niet! Wat moet ik zeggen als iemand mij een vraag stelt en ik het antwoord niet weet?” Maar mijn partner hield vol. Bevend als een riet ging ik dus in m’n eentje, en zij predikte verder tot de mensen aan de overkant van de straat. Op de een of andere manier heb ik die eerste ochtend overleefd.
Vanaf die tijd nam ik elke zondagochtend deel aan het predikingswerk. Wanneer iemand mij aan de deur een vraag stelde die ik niet kon beantwoorden, zei ik: „Ik zal het opzoeken en dan kom ik bij u terug.” Gelukkig bleef Jehovah mij kracht en moed schenken om mijn nieuwe zinvolle levenswijze voort te zetten. Ik droeg mijn leven aan hem op en in oktober 1939 werd ik in het gemeentelijke zwembad van Melbourne gedoopt. Vlak daarna vroeg Phyllis, die inmiddels met Jim was getrouwd, waarom ik niet ging pionieren.
Op het bijkantoor dienen
In januari 1941, vlak nadat ik op Bethel was gaan werken, zoals wij het bijkantoor noemden, werd het werk van Jehovah’s Getuigen in Australië verboden verklaard. Daarna werd ons Bethelhuis in Strathfield door de militairen bezet, en ik werd naar de boerderij van het Genootschap in Ingleburn gestuurd, zo’n vijftig kilometer buiten Sydney. In juni 1943 werd het Wachttorengenootschap vrijgesproken en het verbod opgeheven. Tegen het einde van dat jaar werden 25 van ons opnieuw uitgenodigd op het Bethelhuis in Strathfield. Daar ging ik weer in de wasserij werken, alsook andere taken in het huis behartigen.
De volgende tien jaar schenen snel voorbij te gaan. In 1956 trouwde ik met een mede-Bethelwerker, Ted Wieland. Ted was een heel rustige, geduldige man, en wij waren dolblij toen wij als man en vrouw in het Bethelhuis mochten blijven wonen. Wij achtten beiden onze zinvolle levenswijze heel kostbaar en waren gelukkig met het voorrecht op het Australische bijkantoor te dienen. Natuurlijk smaakten wij naast ons Bethelwerk de vreugde samen anderen te helpen discipelen van Christus te worden. U kunt bijvoorbeeld over de familie Weekes lezen in de Ontwaakt! van 22 oktober 1993.
Tijdens mijn eerste dertig jaar op Bethel vereiste de gestadige uitbreiding van de Koninkrijksprediking een toevoeging van slechts tien of twaalf personen aan onze Bethelfamilie. Maar de situatie veranderde snel in de jaren zeventig toen wij hier De Wachttoren en Ontwaakt! gingen drukken. De bouw van een nieuwe drukkerij begon in januari 1972. Al gauw kwam er een drukpers van veertig ton uit Japan, en in 1973 drukten wij bijna 700.000 tijdschriften per maand. Onze Bethelfamilie begon nu echt te groeien.
De jaren zeventig brachten ook persoonlijk verdriet voor mij. Allereerst stierf in 1975 mijn geliefde man, Ted, op tachtigjarige leeftijd. Nog geen jaar daarna overleed ook mijn bejaarde vader. Ik vond veel troost bij Jehovah en zijn Woord, de bijbel, en bij mijn geestelijke broeders en zusters. Het was ook een grote hulp dat ik tijdens die zeer droevige periode in mijn leven druk bezig bleef op Bethel met mijn zinvolle activiteit.
Maar het leven gaat door, en opnieuw begon ik voldoening en zegeningen te ervaren, nu als weduwe. In 1978 woonde ik het congres in Londen (Engeland) bij en bezocht daarna het internationale hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn (New York). Dat ik honderden van mijn broeders en zusters daar op Brooklyn-Bethel vreugdevol heb zien werken, is tot op de dag van vandaag een bron van inspiratie voor mij gebleven.
Toen de jaren zeventig ten einde liepen, kregen wij te horen dat er plannen waren voor verdere uitbreiding van het Australische Bethelcomplex. Maar de uitbreiding zou niet in Strathfield plaatsvinden, waar wij niet genoeg grond meer hadden. In plaats daarvan zou er een nieuw en veel groter complex worden gebouwd op ons stuk grond in Ingleburn, waar ik tijdens de verbodsbepalingen aan het begin van de jaren veertig had gewerkt.
Mijn zinvolle levenswijze voortgezet
Wat een opwinding toen wij in januari 1982 naar onze nieuwe faciliteiten verhuisden! Toegegeven, in het begin waren wij een beetje verdrietig toen wij de vertrouwde omgeving verlieten, maar al gauw waren wij verrukt over ons nieuwe huis met 73 mooie kamers. In plaats van op stenen muren en op de straten van een voorstad uit te kijken, zien wij nu groene velden en bomen, grazend vee en prachtige zonsopgangen en zonsondergangen — een bijzonder aangename omgeving.
Op 19 maart 1983 hadden wij een schitterende inwijding van het nieuwe complex in de prachtige herfstzon. Lloyd Barry van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen hield een ontroerende inwijdingslezing. Ik vond het persoonlijk fijn dat hij en zijn vrouw voor het inwijdingsprogramma aanwezig waren, aangezien ik samen met hen in het Bethelhuis in Strathfield had gewerkt toen wij allen veel jonger waren.
De voortdurende uitbreiding van de Koninkrijksprediking maakte verdere verruiming van onze faciliteiten hier in Ingleburn noodzakelijk. In 1987 werd het kantoorgebouw vergroot. Vervolgens werden op 25 november 1989 een nieuw woongebouw van vijf verdiepingen en een drie verdiepingen tellende nieuwe bijbouw aan de drukkerij ingewijd. Wat zijn wij gegroeid — van minder dan 4000 bedienaren in Australië toen ik met mijn bediening begon tot zo’n 59.000!
Nog recenter is het Australische bijkantoor tot een van de drie Regionale bouwkantoren van het Genootschap gemaakt, samen met Japan en Duitsland. Hierdoor werd zelfs een verdere uitbreiding van het Bethelcomplex noodzakelijk. Nog een kantoorgebouw van drie verdiepingen is nu klaar en een woongebouw van vijf verdiepingen is bijna voltooid, met tachtig kamers extra om onze voortdurend groeiende familie te huisvesten.
In de wasserij beschikken wij over een vrij grote ploeg om de hoeveelheid werk te kunnen afhandelen, maar ik denk nog vaak aan die dag in augustus 1940, toen ik werd uitgenodigd om twee weken op deze afdeling te helpen. Ik ben heel dankbaar dat die twee weken tot meer dan vijftig jaar zijn verlengd en dat Jehovah God mijn stappen naar zo’n zinvolle levenswijze heeft geleid.
[Illustratie op blz. 21]
Toen ik 25 jaar was
[Illustratie op blz. 23]
Onze trouwdag in 1956
[Illustraties op blz. 24]
In 1938 gingen mijn zus en ik helemaal op in de sport, maar mijn leven is nu veel produktiever