De waarde van de Papyrus Nash
HOE dateert men een oud Hebreeuws bijbelhandschrift nauwkeurig? Dat was het probleem waar dr. John C. Trever zich in 1948 voor geplaatst zag toen hij de Dode-Zeerol van Jesaja voor het eerst zag. De vorm van de Hebreeuwse letters intrigeerde hem. Hij wist dat de letters de sleutel vormden voor de ouderdom van de boekrol, maar waarmee kon hij ze vergelijken? Terecht concludeerde hij: Alleen met het schrift van de Papyrus Nash. Waarom? Wat is dat voor een handschrift, en waar kwam het vandaan?
De Papyrus Nash bestaat uit slechts 4 fragmenten met 24 regels Hebreeuwse tekst en meet ongeveer 7,5 bij 12,5 centimeter. De papyrus is genoemd naar W. L. Nash, de secretaris van de Society of Biblical Archaeology, die hem in 1902 van een Egyptische handelaar kocht. De papyrus werd in het jaar daarna door S. A. Cooke in het blad Proceedings van dat genootschap gepubliceerd en werd aan de Cambridge University Library (Engeland) aangeboden, waar hij is gebleven. De waarde van dit papyrusfragment hangt samen met de ouderdom ervan. Volgens geleerden dateert het uit de tweede of eerste eeuw v.G.T. en was het dus het oudste blad van een Hebreeuws handschrift dat ooit was gevonden.
Toen dr. Trever een kleurendia van de Papyrus Nash met de rol vóór hem vergeleek, keek hij nauwgezet naar de vorm en het uiterlijk van de afzonderlijke letters. Ze leken ongetwijfeld veel op elkaar. Maar toch kon hij zich niet voorstellen dat het grote, pas ontdekte handschrift misschien even oud was als de Papyrus Nash. Na verloop van tijd bleek de door hem gevolgde redenatie echter juist te zijn. De Dode-Zeerol van Jesaja stamde uit de tweede eeuw v.G.T.!
De inhoud van de Papyrus Nash
Een onderzoek van de tekst van de Papyrus Nash laat zien dat alle 24 regels ervan incompleet zijn, doordat ze aan het begin en het eind een woord of letters missen. De tekst bevat delen van de Tien Geboden uit Exodus hoofdstuk 20, samen met enkele verzen uit Deuteronomium hoofdstuk 5 en 6. Dit was dus geen gewoon bijbelhandschrift, maar een gecombineerde tekst die een speciaal doel had. Het maakte klaarblijkelijk deel uit van een verzameling voorschriften die een jood herinnerden aan zijn verplichtingen tegenover God. Een schriftgedeelte dat begint met Deuteronomium 6:4, het sjema genoemd, werd vaak herhaald. Dat vers luidt: „Luister, o Israël: Jehovah, onze God, is één Jehovah.”
Het Tetragrammaton, JHWH, „Jehovah”, in dit vers is tweemaal op de laatste regel van de papyrus te zien, en het komt op nog vijf andere plaatsen voor. Het komt ook eenmaal voor terwijl de eerste letter ontbreekt.
Het sjema was voornamelijk bedoeld om „de enkelvoudige persoonlijkheid van God” te benadrukken. Volgens de joodse talmoed (Berakoth 19a) moest het laatste woord, ʼE·chadhʹ („Eén”), „speciale nadruk krijgen terwijl het duidelijk uitgesproken werd doordat elke lettergreep lang werd aangehouden” (W. O. E. Oesterley en G. H. Box). Gebruikt met betrekking tot God verkondigde dit verlengde ʼE·chadhʹ ook zijn uniciteit.
Er zijn tegenwoordig veel manuscripten zoals de Papyrus Nash, vooral onder de boekrollen die in grotten langs de oevers van de Dode Zee dicht bij Qumran zijn gevonden. Gedetailleerd onderzoek heeft bevestigd dat veel van deze handschriften uit de eerste en de tweede eeuw v.G.T. stammen.a Hoewel de Papyrus Nash niet langer het oudst bekende Hebreeuwse handschrift is, is het toch van groot belang. Het blijft het enige Hebreeuwse bijbelhandschrift van zo’n vroege datum dat in Egypte ontdekt is.
[Voetnoot]