Vragen van lezers
◼ Waarom zegt Jesaja 11:6 dat ’de wolf werkelijk een poosje bij het mannetjeslam zal vertoeven’? Zal zo’n vrede niet permanent zijn?
De verkwikkende vrede in het dierenrijk die in Jesaja 11:6-9 voorzegd is, zal permanent zijn. Maar een zorgvuldige weergave van Jesaja 11:6 maakt duidelijk dat zulke dieren niet voortdurend bij elkaar zullen zijn.
In de Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift luidt Jesaja 11:6: „De wolf zal werkelijk een poosje bij het mannetjeslam vertoeven, en bij het bokje zal de luipaard zelf zich neerleggen, en het kalf en de jonge leeuw met manen en het weldoorvoede dier alle bij elkaar; en een kleine jongen nog maar zal leider over ze zijn.”
In veel bijbelvertalingen komt de weergave neer op iets als: „De wolf zal bij het lam verkeren.” Zulke vertalingen zouden het beeld kunnen overdragen dat wolf en lam elkaars voortdurende metgezellen zijn, als in een nieuwe leefgemeenschap.
Het Hebreeuwse woord dat met „verkeren”, „huizen” of „wonen” is vertaald, is echter goer. Volgens de taalgeleerde William Gesenius betekent het „tijdelijk verblijven, een tijdje wonen, vertoeven zonder er thuis te zijn, d.w.z. als een vreemdeling, buitenlander, gast” (A Hebrew and English Lexicon of the Old Testament, vertaald door Edward Robinson). De lexicon van F. Brown, S. Driver en C. Briggs geeft de betekenis „verblijven, wonen voor een (bepaalde of onbep[aalde]) tijd, wonen als een nieuwkomer . . . zonder oorspronkelijke rechten”.
God gebruikte goer toen hij Abraham zei ’als vreemdeling te vertoeven’ in Kanaän. De patriarch zou het land niet in bezit hebben, maar hij zou er als een beschermde inwoner kunnen vertoeven (Genesis 26:3; Exodus 6:2-4; Hebreeën 11:9, 13). Evenzo zei Jakob over zijn verblijf in het gebied van Haran dat hij er ’als vreemdeling vertoefde’, want hij zou naar Kanaän terugkeren. — Genesis 29:4; 32:4.
In het Paradijs dat God spoedig tot stand zal brengen, zullen dieren en mensen in vrede met elkaar verkeren. Het lam zal geen risico lopen als het bij een wolf is, noch een kalf bij een luipaard. En als om het contrast te laten zien met de huidige situatie, laat de woordkeus zelfs toe er de gedachte in te lezen dat de wolf een inwoner zou zijn die door het lam beschermd wordt. — Jesaja 35:9; 65:25.a
Toch zullen zulke dieren nog steeds onderscheiden habitats, woongebieden, hebben. Sommige dieren horen in de bossen thuis, andere in de vlakten, weer andere in kustgebieden of bergen. Zelfs ten tijde van het oorspronkelijke paradijs sprak God van ’huisdieren en wild gedierte’ (Genesis 1:24). Huisdieren waren kennelijk die dieren die gewoonlijk dicht bij mensen en hun huizen aangetroffen zouden worden. Het wild gedierte, hoewel niet verscheurend, gaf er kennelijk de voorkeur aan niet in de buurt van mensen te leven. Zoals Jesaja’s profetie voorzegt, zal de wolf dus „een poosje bij het mannetjeslam vertoeven” maar zich niet voortdurend te midden van dergelijke huisdieren bevinden.
[Voetnoten]
a In Jesaja 11:6 heeft de Groot Nieuws Bijbel: „De wolf is de gast van het lam.”
[Illustratieverantwoording op blz. 31]
Zoological Research Center, Tel-Aviv Hebrew University