Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w90 1/5 blz. 10-13
  • Het hoofd bieden aan mijn zwakheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het hoofd bieden aan mijn zwakheid
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ouderlijke leiding
  • Vaders goede voorbeeld
  • Moeders positieve denkwijze
  • Het hoofd bieden aan depressiviteit
  • Het hoofd bieden aan het probleem van mijn zoon
  • De noodzaak om positief te denken
  • Onze zoon hielp mij mijn waarden te corrigeren
    Ontwaakt! 1978
  • Dankbaar voor Jehovah’s onophoudelijke steun
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • De Bijbel verandert levens
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2011
  • Wat kan ik Jehovah terugbetalen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2009
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
w90 1/5 blz. 10-13

Het hoofd bieden aan mijn zwakheid

Zoals verteld door Thomas Addison

TOEN ik nog een klein jongetje was, zette ik het bij het zien van een onschuldig vogeltje op het pad al op een lopen en ging er met een grote boog omheen. Als familieleden of vrienden op bezoek kwamen, troffen zij een zwijgzaam kind aan dat zich achter de rokken van zijn moeder verborg. Mijn reactie op bezoekers was steevast, mij zo snel mogelijk in de slaapkamer terug te trekken. En in aanwezigheid van iemand die autoriteit bezat, vooral onderwijzers, kon ik geen woord uitbrengen.

Wat heeft mij geholpen te veranderen? Hoe heeft zo’n pijnlijk verlegen joch geleerd om, zoals in recente jaren is gebeurd, tot duizendkoppige menigten op grote congressen te spreken?

Ouderlijke leiding

Mijn ouders — vooral Vader, een magere, energieke Schot — vonden mij een moeilijk te begrijpen kind. Vader was op dertienjarige leeftijd wees geworden en was werkelijk een ruwe diamant. Hij had al jong geleerd voor zichzelf op te komen. Moeder daarentegen kwam van een boerenfamilie en was de zachtaardigheid zelve. Ik heb van jongs af een vriendelijke en vastberaden, en toch niet overmatig beschermende opvoeding gehad.

Toen ik zes was, in 1945, maakte ik mijn debuut op de theocratische bedieningsschool. Mijn eerste toespraakje hield ik bij het licht van een petroleumlamp in een kleine Australische gemeente van slechts drie gezinnen. Vader had mij tijdig met de voorbereiding geholpen en mij de voordelen uitgelegd van voor de vuist spreken. Hij beklemtoonde ook dat ik nooit bang moest zijn voor wat anderen zeggen of denken. Om het met zijn woorden te zeggen: „Wij mensen zijn allemaal hoopjes stof. Sommige stofhoopjes zijn iets groter dan andere, dat is alles.” Mijn knieën knikten, mijn handen werden klam en halverwege het toespraakje kwam ik met de mond vol tanden te staan en moest ik ophouden.

Ik was ongeveer tien jaar toen Vader mij en mijn jongere broertje Robert meenam naar de hoofdstraat van het stadje, vlak voor de ingang van de plaatselijke bioscoop. Daar stonden wij met de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt!, voor het oog van onze schoolkameraadjes. De tijdschriften leken zo zwaar als lood, en soms verdwenen ze achter mijn rug! Ik probeerde wanhopig mij zo onopvallend mogelijk op te stellen.

Maar als ik dan Vaders moedige voorbeeld zag, voelde ik mij enorm aangemoedigd. Hij zei altijd dat terugdeinzen neerkwam op toegeven aan Satan en mensenvrees. Nog een beproeving deed zich op school voor. De Tweede Wereldoorlog was nog niet lang achter de rug en het nationalisme in Australië leefde nog sterk. Mijn zus Ellerie en ik bleven zitten als de hele school in de aula bijeenwas en het volkslied werd gespeeld. Ik vond het een ware beproeving om anders te zijn, maar ook in dit opzicht hebben de voortdurende steun en aanmoediging van mijn ouders mij geholpen niet te schipperen.

Vaders goede voorbeeld

Vaders achtergrond en karakter in aanmerking genomen, was hij echt heel geduldig met mij. Hij was nog maar dertien toen hij in Engeland in de kolenmijnen begon te werken. Als jongeman van even in de twintig emigreerde hij naar Australië, op zoek naar een beter leven. Maar de depressie van de jaren dertig was begonnen, en hij heeft onder miserabele werkomstandigheden in de levensbehoeften van zijn gezin moeten voorzien.

Vader was teleurgesteld over de toestanden in het algemeen en de politiek in het bijzonder, dus toen hij de boeken van het Wachttorengenootschap las, waarin de politieke, commerciële en religieuze huichelarij onbevreesd aan de kaak werden gesteld, werd er bij hem een gevoelige snaar geraakt. Het duurde niet lang of hij droeg zich aan Jehovah op om hem te dienen, kort nadat Moeder dit had gedaan. Hoewel Vader als gevolg van een mijnongeluk een samengevallen long had gehad en niet over speciale vaardigheden beschikte, nam hij ons gezin mee om te dienen in gebieden waar een geestelijke behoefte bestond. Zijn vertrouwen op Jehovah heeft een diepe indruk op mij gemaakt.

Ik kan mij bijvoorbeeld herinneren dat wij naar een mijnstadje gingen waar de enige Getuigen twee oudere zusters waren, beiden met een ongelovige echtgenoot. Het was moeilijk onderdak te vinden, maar uiteindelijk slaagden wij erin een oud huis te huren dat ver buiten het stadje lag. Onze enige vervoersmogelijkheid was de benenwagen of de fiets. Toen, op zekere morgen, terwijl wij drie kinderen bij vrienden logeerden, brandde het huis tot de grond toe af. Onze ouders wisten het vege lijf te redden, maar verder was alles weg. Wij waren niet verzekerd en hadden geen geld.

Vader haalde dit kort voor zijn dood in 1982 aan. Hij zei: „Kun je je nog herinneren, zoon, hoe de situatie er aanvankelijk bar slecht uitzag maar Jehovah ons bijstond? Ja, na de brand stuurden de broeders en zusters in Perth meubilair, kleding en geld. Door hun edelmoedigheid waren wij beter af dan vóór de brand!” Eerst vond ik dat Vader een beetje aanmatigend was door zoveel over Jehovah’s hulp in ons leven te spreken. Maar de veelvuldige ervaringen van wat hij goddelijke hulp noemde, werden te talrijk om op een andere manier uitgelegd te worden.

Moeders positieve denkwijze

Negatief denken is altijd een groot probleem voor mij geweest. Moeder vroeg vaak: „Waarom zie je altijd de sombere kant van het leven?” Haar eigen voorbeeld om de zonnige kant te zien, vormde voor mij een aansporing mijn best te blijven doen positiever te denken.

Onlangs sprak Moeder over een voorval dat zich voordeed in een dorp kort nadat wij daarheen verhuisd waren. Zij lachte geamuseerd om wat de plaatselijke dokter had gezegd. Hij meende dat onze ouders welgesteld waren, omdat hij had opgemerkt dat zij er zo netjes en verzorgd uitzagen. In werkelijkheid woonden wij in een grote schuur, waarin met jute zakken afscheidingen waren gemaakt. Er was geen elektriciteit, gas of stromend water. Op zekere dag probeerde een stier de voordeur te forceren. U kunt u voorstellen waar ik was: onder het bed!

Moeder haalde ons drinkwater uit een bron die 200 meter verder lag en gebruikte daarbij een paar bussen van elk 15 liter die zij aan een juk op haar schouders droeg. Zij had er slag van de grappige kant van ongemakken te zien, en met wat aansporing van Vaders zijde zag zij elke moeilijke situatie als een uitdaging die overwonnen moest worden in plaats van als een obstakel. Zij wees ons er altijd op dat ook al bezaten wij weinig in stoffelijk opzicht, wij veel zegeningen hadden.

Zo brachten wij vele gelukkige dagen door als wij naar verre gebieden reisden om te prediken, onder de blote hemel kampeerden, op een houtvuurtje eieren met spek bakten en onder het reizen Koninkrijksliederen zongen. Vader zorgde voor de muziek op zijn accordeon. Ja, in deze opzichten waren wij werkelijk rijk. In sommige dorpen huurden wij een zaaltje en kondigden een openbare lezing aan, die op zondagmiddag werd gehouden.

Wegens Vaders herhaaldelijke gezondheidsproblemen, moest Moeder soms werelds werk doen om zijn inkomen aan te vullen. Jaren achtereen heeft zij haar moeder en grootvader en uiteindelijk onze vader verpleegd voordat zij stierven. Dit deed zij zonder te klagen. Hoewel ik af en toe nog depressief was en vaak een negatieve houding had, schonken Moeders voorbeeld en vriendelijke aansporingen mij het verlangen mijn best te blijven doen.

Het hoofd bieden aan depressiviteit

Tegen het einde van mijn tienerjaren kwamen alle zwakheden uit mijn kindertijd, die ik overwonnen meende te hebben, in hevige mate terug. Ik tobde over allerlei levensvragen. Zo begon ik mij af te vragen: ’Hebben alle mensen een gelijke kans om Jehovah te leren kennen en te dienen?’ Hoe was de situatie bijvoorbeeld voor een kind dat in India of China was geboren? Zijn kans om Jehovah te leren kennen, was beslist veel kleiner dan die van een kind dat het voorrecht had Getuigen als ouders te hebben. Dit leek oneerlijk! Ook speelden erfelijkheid en milieu, waarover een kind geen zeggenschap heeft, beslist een belangrijke rol. Het leven leek in zo veel opzichten onrechtvaardig. Ik kon met mijn ouders uren over zulke vragen argumenteren. Ook tobde ik over mijn uiterlijk. Ik was in veel opzichten ontevreden over mijzelf.

Door over deze dingen te piekeren, werd ik depressief, soms weken achtereen. Mijn uiterlijk had hieronder te lijden. Verschillende keren nam ik mij heimelijk voor zelfmoord te plegen. Er waren tijden dat ik er voldoening in vond mij in zelfmedelijden te koesteren. Ik zag mijzelf als een onbegrepen martelaar. Ik begon mij terug te trekken, en één keer kreeg ik plotseling een beangstigend gevoel. Alles om mij heen leek onwezenlijk, alsof ik door een beslagen ruit keek.

Deze episode bracht mij met een schok tot het besef dat zelfmedelijden potentieel gevaarlijk is. In gebed tot Jehovah nam ik mij voor mijn uiterste best te doen niet opnieuw aan zelfmedelijden toe te geven. Ik begon mij op positieve, schriftuurlijke gedachten te concentreren. Van die tijd af las ik met meer dan gewone aandacht alle artikelen in De Wachttoren en Ontwaakt! die over persoonlijkheidskenmerken handelden en bewaarde ze vervolgens in een map. Ik schonk ook zorgvuldig aandacht aan punten in de Koninkrijksdienst over manieren waarop men met anderen kan converseren.

Mijn eerste doel was te proberen op elke christelijke vergadering zo lang mogelijk met één persoon te praten. In het begin duurde elk gesprek niet langer dan een minuut. Hierdoor kwam ik vaak moedeloos thuis. Maar door volharding te tonen, ging mijn vermogen om gesprekken te voeren langzaam vooruit.

Ik begon ook grondig persoonlijk nazoekwerk te verrichten in verband met de verwarrende vragen waarmee ik zat. Bovendien schonk ik aandacht aan mijn voedsel en bemerkte dat mijn geestesgesteldheid en uithoudingsvermogen verbeterden als ik een voedingssupplement gebruikte. Later kwam ik te weten dat nog meer factoren tot depressiviteit kunnen leiden. Soms ging ik bijvoorbeeld met zo’n gedrevenheid op in een bepaalde interesse dat mijn gemoedsstemming een hoogtepunt bereikte. Dit leidde onveranderlijk tot een dieptepunt, met verlies van energie en depressiviteit als gevolg. De oplossing was, te leren een constante belangstelling voor een kwestie aan de dag te leggen en dit niet op een opgewonden intensieve wijze te doen. Tot op de huidige dag moet ik hierop letten.

De volgende stap was, het doel vast te grijpen dat mijn ouders ons kinderen altijd hebben voorgehouden — de volle-tijddienst. De vastberadenheid waarmee mijn zuster al meer dan 35 jaar aan dit voorrecht vasthoudt, blijft een positieve stimulans voor mij.

Het hoofd bieden aan het probleem van mijn zoon

Na een aantal jaren als ongehuwde pionier gediend te hebben, trouwde ik met een pionierster, Josefa. Zij is in alle opzichten een fijne aanvulling voor mij geweest. Na verloop van tijd kregen wij drie kinderen. Craig, onze oudste, werd in 1972 geboren met een ernstige spastische verlamming. Zijn toestand vormt een ware uitdaging, aangezien hij niets zelf kan doen, behalve onhandig zijn voedsel oplepelen. Wij houden natuurlijk heel veel van hem, en daarom heb ik alles geprobeerd om hem te helpen onafhankelijker te worden. Zo heb ik verschillende looprekken voor hem gemaakt. Wij hebben veel specialisten geraadpleegd, maar met weinig succes. Het heeft mij duidelijk gemaakt dat sommige omstandigheden in dit leven aanvaard moeten worden.

Tijdens de eerste twaalf jaar van zijn leven hield Craig soms plotseling op met eten en drinken. Dit ging gepaard met ongewild kokhalzen. De oorzaak lag naar men meende in neurologische schade. Hij begon dan letterlijk voor onze ogen weg te kwijnen. Gebed hielp ons hieraan het hoofd te bieden en de voorgeschreven medicatie heeft ertoe bijgedragen dat het probleem beheersbaar bleef. Gelukkig scheen Craig er altijd net op het nippertje weer bovenop te komen, zodat hij ons opnieuw verrukte met zijn ontwapenende glimlach en eindeloze repertoire van liedjes.

Het heeft Josefa in het begin veel moeite gekost zich aan deze hartverscheurende situatie aan te passen. Maar haar liefde en geduld om in al Craigs behoeften te voorzien, hebben het uiteindelijk gewonnen. Dit betekende dat wij konden blijven verhuizen naar elk gebied waar de behoefte aan christelijke hulp groter was. Met Josefa’s steun en praktische hulp kon ik een aantal jaren een part-timebaan hebben, waardoor ik zowel in de hulppioniersdienst kon staan als ons gezin kon onderhouden.

De noodzaak om positief te denken

Als Craig terneergeslagen is wegens herhaaldelijke ziekte of de frustratie van zijn beperkingen, sterken wij hem met een van mijn lievelingsteksten: „Wij behoren niet tot het soort dat terugdeinst” (Hebreeën 10:39). Hij kent dat vers uit zijn hoofd, en het heeft altijd een aanmoedigende uitwerking op hem.

Craig heeft vanaf zijn vroegste kinderjaren altijd veel van de velddienst gehouden. Door een speciale rolstoel te gebruiken, kan hij vaak met ons mee. Hij vergezelt ons vooral graag wanneer ik af en toe andere gemeenten bedien in de vervangende kringdienst. Met zijn gebrekkige commentaren op de groepsstudie en het enthousiasme waarmee hij op de speciale school die hij heeft bezocht, voortdurend over bijbelse verhalen sprak, heeft hij meer indruk op anderen gemaakt dan wij, die niet gehandicapt zijn. Craig heeft mij er aldus aan herinnerd dat Jehovah ons ondanks onze beperkingen kan gebruiken om zijn wil en voornemen te dienen.

Enige tijd geleden had ik het voorrecht leraar op de Koninkrijksbedieningsschool te zijn. Na al mijn jaren in de bediening was ik in het begin toch behoorlijk zenuwachtig. Maar door mij op Jehovah te verlaten, kalmeerde ik al gauw, en opnieuw voelde ik Jehovah’s schragende kracht.

Als ik op de ongeveer vijftig jaar van mijn leven terugkijk, ben ik ervan overtuigd dat alleen Jehovah iemand zoals ik liefdevol tot een geestelijk gezinde man heeft kunnen opleiden.

[Illustratie van Thomas en Josefa Addison op blz. 10]

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen