Ik beklom de allermooiste berg
IK BEN geboren en opgegroeid in een klein stadje in de bergen van Oost-Europa. Mijn ouders waren rooms-katholiek, maar zij namen mij niet mee naar de kerk en er werd thuis niet gezamenlijk gebeden of over het geloof gesproken. Ik besteedde dus, net als veel andere jonge mensen, mijn tijd en energie aan sport, studeren en reizen.
Er was in onze stad een heel actieve groep bergbeklimmers die werd geleid door een vriendelijke, ervaren man die veel van de bergen afwist. Dank zij hem werd ik een heel bekwaam klimmer. Ik was toen achttien jaar en ik raakte al snel verknocht aan de adembenemende uitzichten vanaf de hoge bergtoppen, de opwinding gevaarlijke situaties te trotseren en te doorstaan, en de vriendschappen met anderen die in zulke gevaren deelden.
Ik herinner mij iets wat voorviel toen ik al vijf jaar deel uitmaakte van de groep. Ik was aan het klimmen; het was geen moeilijk stuk, en ik liet juist op het moment dat ik de top naderde, mijn concentratie verslappen. Toen ik bijna de bovenkant van een rotsmassa bereikt had, begon ze in beweging te komen. Het enige wat ik kon doen, was aan de kant springen en een waarschuwing schreeuwen naar mijn medeklimmer. Een vallend rotsblok sneed het touw door waarmee wij verbonden waren en ik viel naar beneden. Gelukkigerwijs werd mijn val gebroken door een slechts 4 meter lager gelegen klein grasplateau. Het loopt echter niet altijd zo goed af in deze sport!
Op 24-jarige leeftijd sloot ik mijn universitaire studie af, en nam ik de leiding op me van het groepje bergbeklimmers in mijn woonplaats. Na een poosje wisten wij wat geld bij elkaar te krijgen om een minibus te kopen, zodat wij met onze uitrusting naar verder gelegen bergen konden gaan. Maar het busje verkeerde in een slechte staat, en ik werkte er drie maanden dag en nacht aan om het op te knappen. Toen het klaar was, zochten wij gevaarlijke baantjes die goed betaalden, zoals steigerwerk in de bouw, en op die manier kwamen wij uiteindelijk aan genoeg geld om een reis naar Iran te maken. Daar beklommen wij in 1974 een 5800 meter hoge vulkaan, Demawend genaamd. Hoewel de klim heel gemakkelijk begon, kregen wij meer naar de top te maken met diepe sneeuw, ijle lucht en schadelijke dampen uit de vulkaanspleten.
Op de terugreis in de minibus maakten wij plannen om de berg Ararat te beklimmen, maar wij moesten dat vanwege politieke spanningen afgelasten. In 1975 gingen wij in de Oostenrijkse Alpen skiën, en terzelfder tijd legden wij de grondslag voor een nationale fotowedstrijd die wij het thema „Mensen en de bergen” meegaven. Deze wedstrijd wordt nog steeds ieder jaar gehouden. Wij vonden allemaal dat wij een gelukkig en voldoening schenkend leven leidden.
De ontgoocheling
Toch begon het bergbeklimmen mij, toen ik ongeveer dertig jaar was, te vervelen en ik vroeg mij af: ’Heeft het leven nu echt niet meer te betekenen?’ Sommigen raadden mij aan om te trouwen, maar ik had vrienden die getrouwd waren en zij leken me niet erg gelukkig. Zelfs echtparen wier relatie tot stand was gekomen in het gevaar en de opwinding van het bergbeklimmen, schenen in de realiteit van het dagelijks leven hun geluk te verliezen. Ik wist niet waarom zij geen gelukkig huwelijk hadden, maar hoe graag ik ook getrouwd wilde zijn, ik wilde niet net als zij ongelukkig zijn.
Daar kwam bij dat ik een verandering waarnam in de houding van de jonge mensen die de bergsport gingen beoefenen. Voorheen had er altijd een geest van discipline, samenwerking en vriendschap in de alpinistenhutten geheerst. Nu waren jonge en onervaren jongens ongedisciplineerd en niet bereid om geleidelijk aan vorderingen te maken. Zij probeerden indruk te maken en wilden aan beklimmingen beginnen die veel te moeilijk en te gevaarlijk voor hen waren. Daar ik mij meer en meer teleurgesteld voelde, had ik lange, diepgaande gesprekken met mijn vriend Bonjo. Hij raadde mij ten slotte aan eens met een medebergbeklimmer, Henry, te praten.
Henry leende mij een boek, De waarheid die tot eeuwig leven leidt, en toen ik erin las, merkte ik tot mijn verbazing dat het vragen besprak waar ik altijd mee had gezeten. Het bleek dat Henry de bijbel bestudeerde met Jehovah’s Getuigen, en ik vroeg dus of ik mocht meedoen. Hij vond het goed, en twee jaar lang hield ik mij bezig met een grondige studie van de bijbel en van alle bijbelse lectuur die ik in handen kon krijgen.
Bijbelstudie
Naarmate mijn kennis toenam, groeide mijn vreugde. Ik bezat slechts een oppervlakkige kennis van het rooms-katholieke geloof, maar ik verbaasde mij erover dat het christendom van de bijbel niet gebaseerd was op ceremonies, tradities en irrationele emoties. In plaats daarvan behelsde het hoge morele beginselen die ieder aspect van het leven van de christen beïnvloedden. Bovendien was ik verbaasd dat de bijbel heel logisch is en niet in tegenspraak is met wetenschappelijke theorieën die werkelijk bewezen zijn.
De Getuige die de gesprekken met Henry en mij voerde, oefende geen dwang op ons uit onze mening en onze levenswijze te veranderen. Het enige wat hij deed, was duidelijk uitleggen wat de bijbel zegt. Daarom bleef ik gedurende deze eerste twee jaar dat ik studeerde, doorgaan met het bergbeklimmen. Maar naarmate mijn kennis zich verdiepte, ging ik beseffen dat de bergsport als het ware een verslaving voor mij was. Het ongeval met het vallende rotsblok deed mij denken aan Jezus’ woorden tegen Satan, toen Satan hem uitdaagde om zich van de kantelen van de tempel te werpen: „Gij moogt Jehovah, uw God, niet op de proef stellen” (Matthéüs 4:5-7). Ik besefte dat deze bezigheid een gebrek aan respect toonde voor het leven dat Jehovah mij had gegeven.
Om die reden droeg ik de verantwoordelijkheid voor onze groep bergbeklimmers over aan een andere ervaren klimmer, en ik bemerkte dat het niet moeilijk was om het bergbeklimmen op te geven voor het christendom. Toen ik mijn hele uitrusting — ski’s, stijgijzers, musketons, hamers, rotshaken en ijsbijlen — weggaf of verkocht, kon ik, om de woorden van de apostel Paulus te gebruiken, in alle eerlijkheid zeggen dat ze voor mij nu slechts „een hoop vuil” waren (Filippenzen 3:8). Ik voelde een intense tevredenheid over mij komen toen ik kon gaan deelnemen aan het grote werk om Gods naam in het openbaar te loven. In 1977 symboliseerden zowel Henry als ik onze opdracht aan Jehovah door de waterdoop.
Getuigenis geven aan anderen
In die tijd woonden ongeveer vijftien leden van de alpinistenclub in onze stad, en Henry en ik gaven hun geleidelijk aan allemaal getuigenis. Wat waren wij blij toen mijn broer, die ook lid was, samen met zijn vrouw de bijbel begon te bestuderen en in 1981 gedoopt werd. Enige tijd later sloot Bonjo zich bij ons aan, en ook nog iemand anders, een vijfde van de alpinistenclub. Wij hoefden geen hoge bergen meer te beklimmen. Wij putten de grootste vreugde uit het bezoeken van mensen in het dal die de bijbelse waarheid waardeerden. Deze verandering werd ook door mijn moeder, die erg over de klimactiviteiten van mijn broer en mij had ingezeten, met grote opluchting aanvaard. Uiteindelijk sloot ook zij zich bij ons in de zuivere aanbidding van Jehovah aan.
Mijn wens om te trouwen had toen aan dringendheid ingeboet. Dank zij Jehovah’s Woord kende ik de beginselen die mij zouden helpen een huwelijk tot een succes te maken, maar nu was ik blij dat ik vrijgezel was en Jehovah zonder afleiding kon dienen. Salomo zei: „Een beleidvolle vrouw is van Jehovah” (Spreuken 18:22; 19:14). Ik besloot daarom geduldig op Jehovah te wachten om mij dat geschenk te geven, terwijl ik ondertussen zo leefde dat ik een goede echtgenoot zou zijn als de gelegenheid zich voor zou doen. Het was in 1982 dat Jehovah mij de geweldige zegen van een goede vrouw schonk.
Mijn vrouw en ik wonen nog steeds in de bergen en ik houd nog steeds van ze. Maar onze voornaamste zorg is, mensen te helpen een andere berg te beklimmen. Welke berg is dat? De berg die in Jesaja’s profetie genoemd wordt: „Het moet geschieden in het laatst der dagen dat de berg van het huis van Jehovah stevig bevestigd zal worden boven de top der bergen, en hij zal stellig verheven worden boven de heuvels; en daarheen moeten alle natiën stromen. En vele volken zullen stellig heengaan en zeggen: ’Komt, en laten wij opgaan naar de berg van Jehovah, naar het huis van de God van Jakob; en hij zal ons onderrichten omtrent zijn wegen, en wij willen zijn paden bewandelen.’ Want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van Jehovah uit Jeruzalem” (Jesaja 2:2, 3). Wat een vreugde is het om deze berg te hebben mogen beklimmen, de allermooiste berg! — Ingezonden.