Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w89 1/5 blz. 10-13
  • Jehovah heeft mij geschraagd als Vriend

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah heeft mij geschraagd als Vriend
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1989
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Gods vriendschap ervaren
  • Gunstig op zijn vriendschap reageren
  • Hij laat zijn vrienden nooit in de steek
  • Voordeel trekken van een blijvende vriendschap
  • „Gelukkig is de natie wier God Jehovah is”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • „De naam van Jehovah is een sterke toren”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Op Jehovah’s liefdevolle zorg vertrouwen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2004
  • ’Een geloof dat nergens voor schrikt’!
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2000
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1989
w89 1/5 blz. 10-13

Jehovah heeft mij geschraagd als Vriend

Zoals verteld door Maria Hombach

ALS zesjarig meisje leerde ik op school het mooie Duitse volksliedje: „Weet je hoeveel sterren stralen aan de blauwe hemelboog? . . . God heeft ze geteld, als teken dat er zelfs geen zou ontbreken, . . . Kent ook jou en heeft je lief.” (Vertaald uit het Duits.) Op zekere dag was ik het aan het zingen toen mijn moeder zei: „Hij kent ook jou en hij heeft ook jou lief.” Vanaf dat moment werd God als een vriend voor mij. Ik besloot hem op mijn beurt eveneens lief te hebben. Dit was vóór de Eerste Wereldoorlog, toen wij in Bad Ems aan de rivier de Lahn woonden.

Zeventien jaar later, in 1924, ontmoette ik tijdens een vakantie een meisje van mijn leeftijd. Zij was een van de Bijbelonderzoekers, thans bekend als Jehovah’s Getuigen. Vier weken lang hadden wij verhitte discussies over religie. Toen kwam het onderwerp „hel” ter sprake. „Je zou een levende kat toch ook niet in een gloeiende kachel stoppen?”, vroeg zij. Dat sloeg in als een bom, en ik besefte dat ik schandelijk bedrogen was. Nu kon ik alles over God leren — hoe hij werkelijk is, ja, alles wat ik als kind al over hem had willen weten!

Het was alsof ik „een in het veld verborgen schat” ontdekte (Matthéüs 13:44). Toen ik thuiskwam, haastte ik mij enthousiast naar de buren, want mijn hart brandde van verlangen om de nieuwe dingen die ik had geleerd, met anderen te delen. Kort daarna ging ik naar de Zuidduitse stad Sindelfingen, waar een groep van ongeveer twintig Bijbelonderzoekers woonde. Ik sloot mij bij hen aan om ijverig aan deze nieuwe evangelisatieactiviteit van huis tot huis deel te nemen.

De eerste keer dat ik over de pioniersdienst hoorde, was in 1929, tijdens een lezing van een reizende bedienaar van het evangelie. Hij vroeg wie pionier wilde worden. Ik stak spontaan mijn hand op. Geen maren voor mij. „Hier ben ik! Zend mij”, zei mijn hart. — Jesaja 6:8.

Ik gaf mijn kantoorbaan op en op 1 oktober 1929 begon ik in Zuidwest-Duitsland met de speciale pioniersdienst, zoals deze dienst thans genoemd wordt. In Limburg, in Bonn, op de uit diverse landen afkomstige aken in de haven van Keulen en op andere plaatsen zaaiden wij snel en edelmoedig het waarheidszaad in gedrukte vorm. — Prediker 11:1.

Gods vriendschap ervaren

Toen Adolf Hitler in 1933 dictator van Duitsland werd, moest ik de pioniersdienst verlaten en keerde ik naar Bad Ems terug. De autoriteiten kwamen er al gauw achter dat ik niet had meegedaan aan de verkiezingen. Enkele dagen later kwamen er twee politieagenten om mijn kamer te doorzoeken. In een hoek stond de prullenmand waarin ik, vlak voor hun komst, al mijn adressen van mede-Getuigen had gegooid. Ik had geen tijd gehad om de mand te ledigen! De politieagenten doorzochten alles — behalve deze prullenmand.

Wat was ik blij dat mijn zuster Anna intussen vriendschap met de ware God had gesloten! In 1934 verhuisden wij samen naar Freudenstadt en begonnen daar voorzichtig bijbelse lectuur te verspreiden. Eens, in een vakantieperiode, slaagden wij erin per trein een bliksembezoek aan onze geboortestad Bad Ems te brengen, waar wij haastig een volle doos met 240 brochures verspreidden en toen weer verdwenen. Doordat de Gestapo in Freudenstadt ons voortdurend dwarszat, waren wij gedwongen naar een andere stad te verhuizen, en in 1936 gingen wij naar Stuttgart. Daar nam ik contact op met de leiding van onze ondergrondse organisatie, en ik kreeg onmiddellijk „werk” te doen. Ik ontving geregeld ansichtkaarten waarop groeten stonden. In werkelijkheid waren dit verborgen boodschappen. Het was mijn taak ze naar een geheime plaats in de stad te brengen. Om deze activiteit niet in gevaar te brengen, kreeg ik de opdracht geen lectuur te verspreiden. Alles verliep soepel tot augustus 1938.

Op zekere dag ontving ik via een kaart de opdracht om op een bepaalde avond voor een bekende kerk te staan. Daar zou ik verdere inlichtingen ontvangen. Ik ging naar de ontmoetingsplaats. Het was aardedonker. Een man stelde zich voor als Julius Riffel. Ik wist dat dit de naam van een getrouwe broeder uit het ondergrondse werk was. Hij vertelde mij haastig dat ik op een bepaalde datum naar Bad Ems moest reizen om daar iemand te ontmoeten. Snel verdween hij weer.

Maar op het perron in Bad Ems stond alleen de Gestapo mij op te wachten. Wat was er verkeerd gegaan? De man die voor de kerk had gestaan — in werkelijkheid een voormalige broeder uit Dresden, Hans Müller, die alles over het ondergrondse werk in Duitsland af wist en met de Gestapo was gaan collaboreren — had een val voor mij gezet. Maar het plannetje lukte niet. Kort voordien had mijn moeder mij laten weten dat zij een lichte beroerte had gehad, en ik had haar teruggeschreven dat ik haar op een bepaalde datum in Bad Ems zou opzoeken. Deze afspraak viel gelukkig samen met de „opdracht”, en tijdens een latere rechtszitting verschaften onze brieven mij een alibi. Tot mijn verbazing werd ik vrijgesproken. Ja, in februari 1939 was ik na vijf en een halve maand gevangengezeten te hebben, weer vrij!

Gunstig op zijn vriendschap reageren

Het was natuurlijk niet mijn bedoeling inactief te blijven, vooral niet aangezien de meeste broeders en zusters in concentratiekampen lijden ondergingen of elders gevangenzaten.

Nadat de verantwoordelijke Duitse broeders door toedoen van Müller waren gearresteerd, kwam de verantwoordelijkheid voor de verspreiding van het geestelijke voedsel op Ludwig Cyranek te rusten. Deze broeder, vroeger een Bethelwerker in Maagdenburg, die net uit de gevangenis was vrijgelaten, zocht mij in Bad Ems op. „Vooruit Maria! Laten wij aan het werk blijven”, zei hij. Hij bracht mij terug naar Stuttgart, waar ik werelds werk kreeg. Vanaf maart 1939 was mijn werkelijke werk echter de verspreiding van koffers vol gestencilde Wachttorens in Stuttgart en omgeving. Andere Getuigen namen moedig aan dit werk deel.

Intussen bewerkte broeder Cyranek de rest van het land, op het noordoostelijke deel na. Omdat de woningen van de Getuigen in de gaten werden gehouden, moest hij zeer omzichtig te werk gaan en soms in het bos slapen. Af en toe kwam hij per sneltrein naar Stuttgart, waar hij mij speciale berichten over onze situatie in Duitsland dicteerde. Ik schreef gewone brieven, terwijl ik deze boodschappen met onzichtbare inkt tussen de regels schreef, en zond ze dan via een geheim adres naar het Bethelhuis in Nederland.

Helaas was een tweede broeder een verrader geworden, in de hoop aan gevangenschap te ontkomen. Een jaar later verraadde hij de groepen in Stuttgart en elders aan de Gestapo. Op 6 februari 1940 werden wij gearresteerd. Ludwig Cyranek ging naar Müllers flat in Dresden — in de mening verkerend dat Müller nog steeds een mede-Getuige was — en werd daar gepakt. Broeder Cyranek werd later ter dood veroordeeld en op 3 juli 1941 onthoofd.a

Onze vijanden geloofden dat zij onze activiteit in Duitsland nu volledig hadden lamgelegd. Maar er waren reeds regelingen getroffen waardoor werd gewaarborgd dat het waarheidswater bleef stromen, ook al zou dit slechts druppelsgewijs gebeuren. Zo slaagde de groep in Holzgerlingen er bijvoorbeeld in om tot het einde van de oorlog in 1945 actief te blijven.

Hij laat zijn vrienden nooit in de steek

Zowel Anna als ik waren samen met andere getrouwe zusters naar de gevangenis in Stuttgart gestuurd. Vaak kon ik horen dat gevangenen werden geslagen. Eenzame opsluiting, zonder iets te doen te hebben, is een afschuwelijke ervaring. Maar aangezien wij geen enkele christelijke vergadering hadden overgeslagen en nog jong waren, konden wij ons bijna alle Wachttoren-artikelen herinneren. Daarom bleef ons geloof sterk en konden wij volharden.

Op zekere dag kwamen er twee Gestapoagenten uit Dresden om mijn medegevangene, Gertrud Pfisterer (nu Wulle), en mij mee te nemen voor een confrontatie. Gewoonlijk mochten gevangenen alleen in stoptreinen reizen, wat dagen in beslag nam. Maar voor ons werd er een hele coupé gereserveerd in een sneltrein, ondanks het feit dat de trein overvol was. „Jullie zijn te belangrijk voor ons. Wij willen jullie niet kwijtraken”, legden de beambten uit.

In Dresden confronteerde de Gestapo mij met een derde verrader uit onze gelederen. Ik rook lont, en daarom zei ik geen woord en groette hem niet eens. Toen kwam ik oog in oog te staan met een grote, forse man in soldatenuniform: de verrader Müller, die ik voor de kerk had ontmoet. Ik verliet de kamer zonder een woord gezegd te hebben. De Gestapo had niets uit mij gekregen.

Met al deze verraders is het slecht afgelopen. Zoals de nazi’s zeiden, hadden zij het verraad lief, maar niet de verrader. Alle drie werden zij naar het oostfront gestuurd en geen van hen is ooit teruggekomen. Hoe anders liep het af met degenen die de vriendschap met God en zijn volk nooit hebben opgegeven! Velen van de loyalen, zoals Erich Frost en Konrad Franke, die veel voor de zaak van de Heer hebben geleden en later bijkantooropziener in Duitsland zijn geworden, zijn levend uit de vurige oven van vervolging teruggekomen.b

De Gestapoagenten in Stuttgart — die heel trots waren op hun „vangst” — vroegen in mei 1940 aan hun collega’s in Dresden ons terug te sturen. Onze respectieve rechtszaken zouden in Zuid-Duitsland worden behandeld. Maar de Gestapoagenten in het noorden en in het zuiden stonden klaarblijkelijk niet op goede voet met elkaar, zodat het bureau in Dresden weigerde, waarop de agenten van Stuttgart ons persoonlijk kwamen ophalen. Wat nu? De rit naar het station werd een aangename reis langs de Elbe; in onze cellen hadden wij in tijden geen groene bomen en blauwe lucht gezien. Net als de vorige keer werd er een hele treincoupé voor ons alleen gereserveerd, en het werd ons zelfs toegestaan Koninkrijksliederen te zingen. Toen wij overstapten, werd ons een maaltijd aangeboden in de stationsrestauratie. Stelt u zich eens voor: ’s ochtends hadden wij alleen maar een droog stuk brood gekregen, en nu dit!

Mijn zaak kwam op 17 september 1940 in Stuttgart voor. Door Ludwig Cyraneks brieven te schrijven en te versturen, had ik mensen in andere landen over onze ondergrondse activiteit en onze vervolging ingelicht. Dat was hoogverraad, waarop de doodstraf stond. Het leek daarom een wonder dat ik, de belangrijkste verdachte in Stuttgart, slechts tot drie en een half jaar eenzame opsluiting veroordeeld werd! Kennelijk had een Gestapofunctionaris, Schlipf genaamd, die ons goedgezind was en door zijn geweten werd gekweld, zijn invloed aangewend. Hij heeft eens gezegd dat hij wegens ons, „meisjes”, geen oog meer dichtdeed. In Dresden zou ik er niet zo gemakkelijk van afgekomen zijn.

Voordeel trekken van een blijvende vriendschap

Hoewel het voedsel in de gevangenis niet zo slecht was als in de concentratiekampen, werd ik steeds magerder, en ten slotte was ik gewoon vel over been. De jaren 1940 tot 1942 verstreken en ik dacht vaak: ’Als je straf voorbij is, zullen zij je in een concentratiekamp opsluiten, waar je omgang met zusters kunt hebben en niet meer alleen zult zijn.’ Ik had er geen idee van wat er zou gaan gebeuren.

De bewakers waren stomverbaasd toen een aanvraag voor vrijlating, ingediend door mijn katholieke ouders, werd ingewilligd. (Ik had herhaaldelijk geweigerd zelf zo’n aanvraag in te dienen.) Terwijl medegelovigen in concentratiekampen werden geworpen zou ik — die een straf uitzat wegens hoogverraad en geen enkel compromis had gesloten — er zo gemakkelijk van afkomen! In 1943 was ik dus weer vrij en was ik opnieuw in de positie om, met inachtneming van grote voorzichtigheid, theocratisch materiaal uit Holzgerlingen af te halen. Na het gestencild te hebben, verborg ik het tussen de wanden van een met koffie gevulde thermosfles en bracht het naar broeders die aan de Rijn en in het Westerwald woonden. Van die tijd af tot het einde van de oorlog heb ik ongestoord kunnen werken. Later vernam ik dat welwillende politiefunctionarissen, die aanklachten tegen ons ontvingen, deze niet aan de Gestapo doorgaven.

En na 1945? Ik wilde weer zo spoedig mogelijk pionieren. Heel onverwacht kwam de mooiste uitnodiging die ik ooit heb ontvangen. Zelfs in mijn stoutste dromen had ik nooit gedacht dat ik uitgenodigd zou worden om op Bethel in Wiesbaden te werken!

En sinds 1 maart 1946 is dat de plaats waar ik God dien, op Bethel (nu in Selters/Taunus). Vele jaren heb ik het genoegen gehad om op een kantoor te werken dat onder het toezicht stond van de voormalige bijkantooropziener Konrad Franke. Ik heb ook vreugdevol op andere afdelingen gewerkt, bijvoorbeeld in de wasserij. Zelfs thans, op 87-jarige leeftijd, werk ik daar nog verscheidene uren per week om handdoeken te vouwen. Als u ooit ons Bethelhuis bezichtigd hebt, hebben wij elkaar misschien gezien.

In de loop der tijd heb ik het voorrecht gehad talrijke mensen te helpen de waarheid te aanvaarden, met inbegrip van mijn moeder en een andere vleselijke zuster van mij. Moeders woorden: ’Hij kent je en heeft je lief’, zijn waar gebleken, evenals de woorden van de psalmist: „Hijzelf zal u schragen” (Psalm 55:22). Wat schenkt het een vreugde Jehovah lief te hebben en door hem als vriend geschraagd te worden!

[Voetnoten]

a Zie Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1975, blz. 178, 179.

b Zie De Wachttoren, 15 september 1961, blz. 568-574 en 15 november 1963, blz. 696-699.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen