Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w87 1/5 blz. 22-30
  • Een terugblik op 93 levensjaren

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een terugblik op 93 levensjaren
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1987
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • High School en universiteit
  • „Dit is de waarheid!”
  • Broeder Russell leren kennen
  • „The Finished Mystery”
  • Uitgenodigd om naar Bethel te komen
  • Voorrechten in verband met radiouitzendingen en congressen
  • Veranderingen in het presidentschap van het Genootschap
  • Mijn leven in Jehovah’s door de geest geleide organisatie
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1988
  • Verkondigt de Koning en het Koninkrijk! (1919–1941)
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Het goede nieuws zonder ophouden bekendmaken (1942–1975)
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Een tijd van beproeving (1914–1918)
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1987
w87 1/5 blz. 22-30

Een terugblik op 93 levensjaren

Zoals verteld door Frederick W. Franz

OP 12 september 1893 werd er in Covington, een Amerikaanse stad in Kentucky, aan de Ohio, tegenover Cincinnati (Ohio), een jongetje geboren. Zijn gelukkige vader, Edward Frederick Franz, en zijn opgetogen moeder, Ida Louise geboren Krueger, noemden deze zoon van hen Frederick William Franz.

Dat was het begin van mijn 93 levensjaren. Mijn vader, die in Duitsland was geboren, was een belijdend lid van de Lutherse Kerk en liet mij dus dopen, wat inhield dat de predikant zijn natgemaakte hand op mijn voorhoofd legde. Er werd een doopcertificaat ingevuld en het werd ingelijst en bij ons thuis aan de muur gehangen, samen met de doopcertificaten van mijn twee oudere broers, Albert Edward en Herman Frederick. Pas twintig jaar later leerde ik hoe onschriftuurlijk zo’n religieuze formaliteit is.

Toen wij naar de Greenup Street waren verhuisd, zag ik voor het eerst een wagen zonder paard, een open two-seater, door de straat rijden. Jaren later zou ik voor het eerst een vliegtuig zien. Wij woonden toen naast de bakkerij van Krieger, waar mijn vader ’s nachts als bakker werkte. Hij kwam ’s ochtends vroeg thuis en ging dan naar bed. ’s Middags was hij dan altijd vrij om enige tijd met ons jongens door te brengen.

Toen ik de leeftijd had bereikt dat ik naar school moest, werd ik eerst naar de parochieschool gestuurd en moest ik de religieuze diensten van de rooms-katholieke St.-Jozefkerk bijwonen, aangezien die dicht bij de Twelfth Street en de Greenup Street was. Ik kan mij het klaslokaal nog goed herinneren. Bij een zekere gelegenheid liet de religieuze „broeder” die lesgaf, mij voor de klas komen en moest ik mijn open handpalm naar hem uitsteken om wegens wangedrag van mijn zijde verscheidene klappen met een dertig centimeter lange liniaal in ontvangst te nemen.

Ik kan mij ook nog herinneren dat ik de donkere biechtstoel van de kerk binnenging om door het traliewerk van het scheidingsschot met de biechtvader te spreken, een uit het hoofd geleerd gebed op te zeggen en op te biechten hoe ondeugend ik wel was. Daarna knielde ik op de communiebank bij het altaar, waar de priester een stukje brood in mijn mond legde en mij aldus de communie toediende zoals dit door de kerk wordt geleerd, terwijl hij de wijn achterhield om die later zelf te drinken. Dit was het begin van mijn officiële religieuze opleiding en van mijn respect voor God, dat in latere jaren zou toenemen.

Nadat ik in 1899 een jaar op de parochieschool was geweest, verhuisden wij naar Mary Street 17 (nu de East 15th Street) in Cincinnati, aan de andere kant van de Ohio. Deze keer werd ik naar de openbare school gestuurd en kwam ik in de derde klas. Ik bleek een onoplettende leerling te zijn, en ik kan mij herinneren dat de leerling in de bank rechts naast mij en ik wegens ons wangedrag naar het kantoor van het schoolhoofd werden gestuurd. Daar liet het schoolhoofd Fitzsimmons ons beiden vooroverbuigen en met onze vingers de punt van onze schoenen aanraken terwijl hij ons met een rotan zweep een paar klappen op ons zitvlak gaf. Zoals u zich wel kunt voorstellen, ging ik niet over.

Maar mijn vader wilde mij niet twee jaar in dezelfde klas laten zitten. Toen het volgende schooljaar aanbrak, ging hij daarom met mij naar de school in Liberty Street, naar het kantoor van het schoolhoofd, mijnheer Logan. Hij vroeg mijnheer Logan mij in de vierde klas te plaatsen. Mijnheer Logan was mij goed gezind en zei: „Welnu, laten wij eens zien wat de jongeman weet.” Nadat ik een aantal testvragen tot zijn kennelijke tevredenheid had beantwoord, zei hij: „Hij schijnt inderdaad in aanmerking te komen voor de vierde klas.” Zo zorgde hij er persoonlijk voor dat ik overging naar de volgende klas. Van die tijd af ben ik wat rustiger geworden en doordat ik mij serieus op mijn schoolwerk toelegde, ben ik nooit meer blijven zitten.

De religieuze aspecten van mijn jonge leven veranderden ook. Op de een of andere manier waren vertegenwoordigers van de Second Presbyterian Church van Cincinnati in contact gekomen met mijn moeder, en zij besloot Albert, Herman en mij naar de zondagsschool van die kerk te sturen. Mijnheer Fisher was destijds hoofd van de zondagsschool en de jeugdige Bessie O’Barr werd mijn zondagsschoolonderwijzeres. Op deze wijze raakte ik op de hoogte van de geïnspireerde bijbel. Wat was ik dankbaar toen mijn zondagsschoolonderwijzeres mij als kerstgeschenk een persoonlijk exemplaar van de bijbel gaf!

Ik besloot het tot een ’must’ in mijn leven te maken elke dag een stukje uit de bijbel te lezen. Het resultaat was dat ik dat heilige boek goed leerde kennen. En de heilzame invloed van de bijbel weerhield mij ervan betrokken te raken bij de immorele spraak en gedragingen van mijn klasgenoten. Het was geen wonder dat zij mij als anders beschouwden.

High School en universiteit

Nadat ik in 1907 van de middenschool was afgestudeerd, stonden mijn ouders mij toe verder te studeren aan de Woodward High School, waar mijn oudste broer Albert een jaar had gestudeerd. Evenals hij koos ik de alfa-richting. Ik ging dus Latijn studeren — een studie die zeven jaar heeft geduurd.

Toen brak in de lente van 1911 de graduatietijd aan. Ik werd uitgekozen om tijdens de graduatieplechtigheid in Cincinnati’s grootste gehoorzaal, de Music Hall, de afscheidsrede voor de Woodward High School te houden.

Destijds kwamen alle drie de high schools van Cincinnati — Woodward High School, Hughes High School en Walnut Hills High School — voor de graduatieplechtigheid bijeen. De afstuderenden zaten op het grote podium, tegenover de aanwezigen in de overvolle gehoorzaal. De woordvoerder van de Woodward High School moest de openingstoespraak houden. Het onderwerp dat ik voor de gelegenheid had uitgekozen, was „School en burgerschap”. Alle drie de sprekers kregen een daverend applaus. Ik was toen zeventien.

Mijn ouders stonden mij toe verder te studeren, en daarom liet ik mij inschrijven aan de Universiteit van Cincinnati, waar ik „liberal arts” als studierichting koos. Ik had nu het besluit genomen presbyteriaans predikant te worden.

Terwijl ik mijn studie van het Latijn voortzette, ging ik nu ook Grieks studeren. Wat was het een genoegen mij onder leiding van professor Arthur Kinsella op het bijbelse Grieks toe te leggen! Onder dr. Joseph Harry, een schrijver van verscheidene Griekse werken, bestudeerde ik ook het klassieke Grieks. Ik wist dat als ik presbyteriaans geestelijke wilde worden, ik het bijbelse Grieks goed moest beheersen. Daarom studeerde ik hard en slaagde ik voor mijn examens.

Behalve dat ik op school Grieks en Latijn studeerde, begon ik mij ook te interesseren voor een studie van het Spaans, dat ik veel op het Latijn vond lijken. Ik had er toen nog geen besef van hoe goed ik Spaans in mijn christelijke bediening zou kunnen gebruiken.

Een hoogtepunt in mijn academische carrière deed zich voor toen dr. Lyon, hoofd van de universiteit, de in de aula bijeengekomen studenten meedeelde dat ik was uitgekozen om naar de Ohio State University te gaan om met nog anderen deel te nemen aan vergelijkende examens ten einde een Cecil-Rhodesstudiebeurs te winnen, zodat ik ervoor in aanmerking zou komen aan de Universiteit van Oxford (Engeland) te gaan studeren. Een van de mededingers overtrof mij op het gebied van veldsport, maar wegens mijn vergelijkbare cijfers, wilden zij mij, samen met hem, naar de Universiteit van Oxford sturen. Ik stelde het op prijs dat ik aan de vereisten voor het verwerven van de beurs bleek te voldoen, en normaal gesproken zou dit mij zeer veel voldoening hebben geschonken.

„Dit is de waarheid!”

Wij herinneren ons dat Jezus Christus bij een zekere gelegenheid tot zijn discipelen zei: „Gij zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken” (Johannes 8:32). In het voorgaande jaar, 1913, had mijn broer Albert „de waarheid” leren kennen in Chicago. Hoe had hij „de waarheid” leren kennen?

Op een zaterdagavond in het voorjaar van 1913 was Albert vroeg naar bed gegaan in de slaapzaal van de YMCA, waar hij woonde toen hij in Chicago werkte. Later stormde zijn kamergenoot de kamer binnen om een moeilijke situatie uit te leggen. Hij was die avond uitgenodigd bij een zekere mijnheer en mevrouw Hindman en hun dochter Nora, die een vriendin bij zich zou hebben. Twee meisjes aangenaam bezighouden, was voor Alberts kamergenoot te veel van het goede. Albert toonde zich graag bereid de moeilijkheid te helpen oplossen. In de loop van de avond slaagde Alberts kamergenoot er wonderwel in zich met de twee jongedames te onderhouden. Maar mijnheer en mevrouw Hindman concentreerden zich op Albert en brachten hem op de hoogte van de leerstellingen van de Watch Tower Bible and Tract Society.

Albert zond mij toen een brochure getiteld Waar zijn de doden?, geschreven door een Schotse arts, John Edgar, lid van de gemeente Glasgow van de Internationale Bijbelonderzoekers. Eerst legde ik de brochure terzijde. Maar op een zekere avond, toen ik wat tijd overhad voordat ik naar de koorrepetitie ging, begon ik erin te lezen. De brochure boeide mij zo dat ik die gewoon niet kon wegleggen. Ik bleef erin lezen terwijl ik naar de ongeveer anderhalve kilometer verderop gelegen presbyteriaanse kerk liep. Aangezien de kerkdeur nog dicht was, ging ik op de koude stenen trap zitten en bleef lezen. Toen de organist langskwam en opmerkte hoe verdiept ik was in wat ik las, zei hij: „Dat moet wel heel interessant zijn!” Ik antwoordde: „Nou en of!”

Aangezien ik zo genoot van de nieuwe waarheden die ik leerde, kwam de gedachte bij mij op de predikant, dr. Watson, te vragen hoe hij over deze brochure dacht. Diezelfde avond gaf ik hem de brochure derhalve en vroeg: „Dr. Watson, hoe denkt u hierover?”

Hij nam de brochure van mij aan, sloeg er een blik in en zei toen minachtend: „O, dat is vast die Russell-rommel. Wat weet hij van eschatologie af?” Ik was werkelijk verbouwereerd over zijn geringschattende houding. Toen ik de brochure terugnam en mij omdraaide, dacht ik bij mijzelf: „Het kan mij niet schelen hoe hij erover denkt. Dit is de WAARHEID!”

Het duurde niet lang of Albert bracht mij toen hij weer eens thuiskwam de eerste drie delen van Studies in the Scriptures (Schriftstudiën), geschreven door Charles Taze Russell. Albert bracht mij ook in contact met de plaatselijke gemeente van de Bijbelonderzoekers, die toevallig vlak naast de presbyteriaanse kerk vergaderden. Ik was opgetogen over wat ik leerde en nam al snel de beslissing dat de tijd was aangebroken om mijn banden met de Presbyteriaanse Kerk te verbreken.

Dus later, toen Albert ons weer bezocht, gingen wij naar een van dr. Watsons zondagavondpreken. Naderhand liepen Albert en ik naar de plaats waar hij de kerkgangers die naar huis gingen, de hand schudde. Ik zei tegen hem: „Dr. Watson, ik ga de kerk verlaten.”

Hij zei: „Ik wist het! Ik wist het zodra ik jou die rommel van Russell zag lezen. Die man, Russell, zou ik geen stap binnen de deur laten zetten!” Toen zei hij: „Fred, geloof je niet dat wij beter naar mijn consistoriekamer kunnen gaan om samen te bidden?” Ik zei hem: „Nee, dr. Watson, mijn beslissing staat vast.”

Met die woorden liepen Albert en ik de kerk uit. Wat een heerlijk gevoel was het vrij te zijn van gevangenschap aan een religieus stelsel dat leugens onderwees! En wat was het goed opgenomen te worden in de gemeente van de Internationale Bijbelonderzoekers, die zo loyaal waren aan Gods Woord! Op 5 april 1914 liet ik mij in Chicago (Illinois) in water dopen en symboliseerde aldus mijn wijding — zoals wij de opdracht destijds noemden.

Ik heb er nooit spijt van gehad dat ik, kort voordat de uitslag van de examens voor de Cecil-Rhodesstudiebeurs door de onderwijsautoriteiten werd bekendgemaakt, een brief aan het overkoepelende bestuursorgaan van het wetenschappelijke onderwijs in de VS had geschreven om hen erover in te lichten dat ik mijn belangstelling voor de Oxfordbeurs had verloren en zij mij van de lijst van mededingers konden schrappen. Ik heb dit gedaan ondanks het feit dat mijn hoogleraar Grieks aan de universiteit, dr. Joseph Harry, mij erover inlichtte dat de beurs aan mij was toegewezen.

Twee maanden later, op 28 juni 1914, werden aartshertog Ferdinand van Oostenrijk-Hongarije en zijn gemalin in Sarajevo (Bosnië) vermoord. Op diezelfde datum waren de Internationale Bijbelonderzoekers voor de derde dag bijeen op hun algemene congres in de Memorial Hall in Columbus (Ohio). Slechts één maand later, op 28 juli 1914, brak de eerste wereldoorlog in de gehele menselijke geschiedenis uit. Wij, Bijbelonderzoekers, verwachtten op 1 oktober van dat jaar het einde van de 2520 jaar durende tijden der heidenen.

Met toestemming van mijn vader had ik in mei 1914, slechts enkele weken vóór het einde van mijn derde termijn als derdejaarsstudent, de Universiteit van Cincinnati verlaten. Ik trof er met de Watch Tower Bible and Tract Society meteen regelingen voor colporteur te worden, ofte wel pionier, zoals een volle-tijdbedienaar thans wordt genoemd. Tegen die tijd was ik actief verbonden met de gemeente Cincinnati van de Internationale Bijbelonderzoekers.

Later werd ik ouderling van de gemeente Cincinnati. Dus toen de Verenigde Staten van Amerika in de Eerste Wereldoorlog betrokken raakten door de zijde van de Geallieerden te kiezen, en de jonge mannen voor het leger werden opgeroepen, werd mij als bedienaar van het evangelie vrijstelling verleend.

Broeder Russell leren kennen

Tot de voorvallen in mijn leven waar ik met veel genoegen op terugkijk, behoren mijn vreugdevolle contacten met de eerste president van het Genootschap, Charles Taze Russell. Ik leerde hem voor het eerst persoonlijk kennen op de dag vóór de première van het Photo-Drama der Schepping in de Music Hall op zondag 4 januari 1914. Op die zaterdag ontmoette een ouderling van de gemeente Cincinnati mij buiten de Music Hall en zei: „Zeg, broeder Russell is daarbinnen, en als je achter het podium gaat, kun je hem ontmoeten.” Ik ging maar al te graag naar binnen en al gauw was ik in een persoonlijk gesprek met hem gewikkeld. Hij was gekomen om na te gaan of alles in orde was voor die eerste voorstelling van het Photo-Drama der Schepping.

In 1916 moest hij tijdens een treinreis toevallig in Cincinnati overstappen en had hij daar een oponthoud van een paar uur. Toen een zuster en ik hier de lucht van kregen, haastten wij ons naar het station, waar wij hem met zijn secretaris aantroffen. Hij had zijn lunch bij zich, en toen de lunchtijd aanbrak, deelde hij die met ons.

Na de lunch vroeg hij of iemand een bijbelse vraag had. Ik vroeg hem hoe waarschijnlijk het was dat Adam uit de doden opgewekt zou worden, met het oog op het feit dat hij een onberouwvolle, moedwillige zondaar was. Met een guitige flikkering in zijn ogen antwoordde hij: „Broeder, je stelt een vraag en beantwoordt die terzelfder tijd. Wat vroeg je nu eigenlijk precies?”

„The Finished Mystery”

Op dinsdag, 31 oktober 1916, stierf Charles Taze Russell, zonder het zevende deel van zijn serie Studies in the Scriptures (Schriftstudiën) uitgegeven te hebben. Toen zijn secretaris hem op zijn sterfbed in een wagon van een trein die van Californië naar New York terugreed, naar het zevende deel vroeg, antwoordde hij: „Iemand anders zal dat moeten schrijven.”

In het volgende jaar, 1917, verscheen inderdaad het zevende deel als een commentaar op de profetische boeken Ezechiël en Openbaring, te zamen met een schitterende uitleg van het bijbelboek Hooglied. Het Genootschap nam zich voor dit boek op grote schaal te verspreiden. Daarom stuurden zij dozen met dit zevende deel naar bepaalde personen in de gemeenten overal in de Verenigde Staten. Ook naar mijn huis in Baymiller Street 1810 in Cincinnati (Ohio), werden dozen vol van deze boeken gestuurd en daar opgeslagen, terwijl wij op verdere instructies wachtten over de wijze waarop de inhoud van de dozen verspreid moest worden.

Acht bladzijden van The Finished Mystery bevatten citaten van wat vooraanstaande persoonlijkheden in ongunstige zin over oorlogvoering hadden verklaard. Aangespoord door de religieuze organisaties van de christenheid, zowel katholieke als protestantse, maakte de regering van de Verenigde Staten hier bezwaar tegen, zodat de bladzijden 247-254 uit het boek werden verwijderd. Wanneer The Finished Mystery daarna aan het publiek werd aangeboden, werd er uitgelegd waarom deze bladzijden ontbraken. De regering van de Verenigde Staten bleek er ten slotte toch niet tevreden mee te zijn dat de Bijbelonderzoekers deze maatregel hadden getroffen, en als gevolg van verdere aansporingen door de religieuze organisaties van het land, verbood ze het gehele zevende deel van de Studies in the Scriptures.

Ik kan mij herinneren dat ik op een zekere zondagochtend bij de achterdeur van ons huis aan het werk was. Er kwamen mannen het pad langs het huis oplopen en de leider lichtte de revers van zijn jas op om mij zijn metalen politiepenning te laten zien en eiste toegang tot het huis. Ik was dus wel verplicht hen binnen te laten en hun de boekendozen met exemplaren van The Finished Mystery te laten zien. Enkele dagen later stuurden zij een vrachtwagen en namen ze allemaal mee.

Later vernamen wij dat Joseph F. Rutherford, de tweede president van het Wachttorengenootschap, en zes van zijn medewerkers op het hoofdbureau in Brooklyn, ten onrechte van inmenging in de oorlogshandelingen van de Verenigde Staten waren beschuldigd. Voor elk van de vier tegen hen ingebrachte punten van aanklacht werden zij tot twintig jaar gevangenisstraf in de gevangenis van Atlanta veroordeeld, maar deze straftermijnen zouden samenvallen. De oorlog eindigde op 11 november 1918, en vervolgens werden broeder Rutherford en zijn medewerkers op 25 maart 1919 tegen borgtocht vrijgelaten. Later werden zij volledig gerehabiliteerd. Ook werd het verbod op het boek The Finished Mystery opgeheven en werd er toestemming verleend het weer openlijk te verspreiden.

Wat leefden wij op toen het Genootschap regelingen trof voor ons eerste naoorlogse congres, dat van 1-8 september 1919 te Cedar Point, gelegen op het puntje van een recreatieschiereiland vlak bij Sandusky (Ohio) gehouden zou worden. Ik vond het een bijzonder vreugdevol voorrecht dat congres bij te wonen.

Uitgenodigd om naar Bethel te komen

In het volgende jaar, 1920, aanvaardde president Rutherford een uitnodiging om in Cincinnati (Ohio) een openbare lezing te houden. Ik deed destijds colporteurswerk en broeder Rutherford nodigde mij uit hem een brief te schrijven waarin ik een aanvraag zou indienen voor dienst op het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn.

Ik verstuurde de brief, en na een gunstig antwoord ontvangen te hebben, stapte ik op de trein naar de stad New York. Op dinsdagavond 1 juni 1920 kwam ik daar aan en ik werd opgehaald door Leo Pelle, een oude vriend uit Louisville (Kentucky), die mij naar het Bethelhuis bracht. De volgende dag, woensdag, kreeg ik de officiële toewijzing om samen met Hugo Riemer en Clarence Beatty een zolderkamer te betrekken. Ik werd nummer 102 van de Bethelfamilie in Brooklyn.

Het Genootschap had zijn eerste drukkerij in Myrtle Avenue 35 gevestigd, en in de kelder was onze eerste rotatiepers geïnstalleerd, die wij wegens de afmetingen ervan het Slagschip noemden. Wij drukten het nieuwe tijdschrift van het Genootschap getiteld Het Gouden Tijdperk — later Vertroosting en nu Ontwaakt! genoemd. Als de tijdschriften door een smalle opening in de vloer omhoogkwamen doordat ze met behulp van een metalen draad over een schuin oplopende plank werden getransporteerd, verzamelde ik ze, schudde ze tot een pakje en stapelde ze op. Later werden dan de zijkanten afgesneden en werden ze voor verzending gereedgemaakt.

Op zaterdagochtend, als de drukpers geen tijdschriften produceerde, vouwden een aantal van ons de tijdschriften in bruine omslagen waarop de namen en adressen van de abonnees stonden. Dan plakten wij de omslagen dicht, zodat de tijdschriften naar het postkantoor konden. Ik heb dit werk verscheidene maanden achtereen gedaan totdat Donald Haslett, die op de colporteursafdeling werkte, van Bethel wegging om met Mabel Catel te trouwen. Ik werd toen van Myrtle Avenue 35 overgeplaatst naar het bureau van het Genootschap aan Columbia Heights 124 om op de colporteursafdeling te werken.

Als lid van de gemeente New York kreeg ik ook de toewijzing om in het huis van de familie Afterman in Ridgewood, een wijk in Brooklyn, een boekstudie te leiden.

Voorrechten in verband met radiouitzendingen en congressen

Tot 1926 bleef ik op de colporteursafdeling werken. Ondertussen had de Watch Tower Bible and Tract Society op Staten Island haar eerste radiostation, WBBR, opgericht. Dat gebeurde in 1924. Ik had het vreugdevolle voorrecht aan de programma’s van het Genootschap mee te werken en niet alleen toespraken te houden, maar ook tenorsolo’s te zingen en zelfs mandoline te spelen met pianobegeleiding. Verder was ik ook tweede tenor in ons vocale WBBR-mannenkwartet. Broeder Rutherford was als president van het Genootschap natuurlijk de belangrijkste spreker van de WBBR en had een groot aantal luisteraars.

In het jaar 1922 werd er te Cedar Point (Ohio) voor de tweede maal een algemeen congres van de Watch Tower Bible and Tract Society gehouden. Hier gaf broeder Rutherford ons de krachtige aansporing: „Verkondigt, verkondigt, verkondigt de Koning en zijn koninkrijk.”

In de jaren twintig viel mij onder andere het zeer gewaardeerde voorrecht ten deel met broeder Rutherford dienst te verrichten op het internationale congres dat in 1926 in Londen (Engeland) werd gehouden. Broeder Rutherford sprak daar in de Royal Albert Hall van Londen voor een groot publiek zijn openbare lezing uit nadat ik, begeleid door het beroemde orgel van die zaal, een tenorsolo had gezongen.

De volgende avond sprak hij een joods publiek toe over het onderwerp „Palestina voor de joden — Waarom?” en zong ik een solo uit Händels Messiah, „Comfort Ye, My People”. Duizenden joden woonden die speciale dienst bij. Door een verkeerd begrip van profetieën uit de Hebreeuwse Geschriften, pasten wij die destijds ten onrechte op de naar het vlees besneden joden toe. Maar in 1932 opende Jehovah onze ogen, zodat wij zagen dat die profetieën van toepassing waren op het geestelijke Israël.

En wat was het voor mij opwindend om in 1931 op het congres in Columbus (Ohio) te zijn toen broeder Rutherford de ’nieuwe naam’ Jehovah’s Getuigen aan ons voorlegde en wij die allen met enthousiasme aannamen! Onmiddellijk daarna namen alle gemeenten van Jehovah’s volk over de gehele aarde die ’nieuwe naam’ aan. — Vergelijk Jesaja 62:2.

Op vrijdag 31 mei 1935 bevond ik mij als dirigent in de orkestbak onder het podium vanwaar broeder Rutherford zijn buitengewoon belangrijke lezing over Openbaring 7:9-17 hield, waarin hij de leden van de in die schriftplaats afgebeelde „grote schare” op juiste wijze voor ons identificeerde. De zogenoemde Jonadabklasse was speciaal uitgenodigd om aanwezig te zijn, en de reden hiervoor werd duidelijk toen broeder Rutherford aantoonde dat de „grote schare” uit de „andere schapen” van „de goede herder” Jezus Christus zou bestaan (Johannes 10:14, 16, King James Version). Het was een opwindende gebeurtenis. Hoe hartverwarmend was het voor mij toen op de volgende dag, zaterdag 1 juni, 840 congresgangers in water werden ondergedompeld om te symboliseren dat zij zich met het vooruitzicht op leven in een aards paradijs, door bemiddeling van Christus aan Jehovah hadden opgedragen! Van die tijd af begonnen Christus’ „andere schapen” het afnemende ledental van de „kleine kudde” van door de geest verwekte, met schapen te vergelijken discipelen van de Voortreffelijke Herder, Jezus Christus, verre in aantal te overtreffen. — Lukas 12:32.

Toen echter in 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, zag het ernaar uit alsof dit het einde van de bijeenvergadering van de „grote schare” betekende. Ik kan mij herinneren dat broeder Rutherford op zekere dag tegen mij zei: „Wel, Fred, het ziet ernaar uit dat de ’grote schare’ uiteindelijk toch niet zo groot wordt.” Wij beseften toen niet in het minst welk een grote bijeenvergadering er nog in het verschiet lag.

In 1934 introduceerde het Genootschap de draagbare grammofoon en werden grammofoonplaten met lezingen van president Rutherford gebruikt om de bijbelse lectuur te introduceren. Toen zijn in het Spaans vertaalde lezingen op grammofoonplaten uitkwamen, concentreerde ik mij erop ze te gebruiken om Spaanssprekende mensen in de buurt van onze drukkerij in Adams Street 117 te bereiken. Vervolgens hielp ik geïnteresseerde personen door middel van nabezoeken op de hoogte te geraken van de bijbelse waarheden, en hierdoor kreeg ik uiteindelijk het voorrecht de eerste Spaanssprekende gemeente in Brooklyn op te richten. Vanaf die tijd heb ik altijd tot de Spaanse gemeente Brooklyn nummer één behoord.

Veranderingen in het presidentschap van het Genootschap

Toen broeder Rutherford op 8 januari 1942 stierf, volgde Nathan H. Knorr hem als president van het Genootschap op. Ondanks de destijds woedende Tweede Wereldoorlog veranderde zijn openbare toespraak in de zomer van 1942 over het onderwerp „Vrede — Is hij van blijvende duur?” onze kijk op de onmiddellijke toekomst. Kort daarna, op maandag 1 februari 1943, opende broeder Knorr de Wachttoren-Bijbelschool Gilead op Kingdom Farm. De honderd studenten die de eerste klas vormden, waren bij die gelegenheid aanwezig. Ik had het voorrecht een aandeel aan het inwijdingsprogramma te hebben. De broeders Eduardo Keller, Maxwell G. Friend, Victor Blackwell en Albert D. Schroeder waren de leraren.

In zijn openingstoespraak lichtte broeder Knorr ons erover in dat het Genootschap genoeg geld had om de school vijf jaar te laten functioneren. Maar kijk eens aan, de almachtige God Jehovah heeft de school thans al negenmaal die tijdsduur laten bestaan!

Het was een geweldig voorrecht met Nathan H. Knorr samen te werken. Toen hij werd gedoopt nadat ik de doopkandidaten op 4 juli 1923 op de oever van de rivier de Little Lehigh buiten zijn woonplaats Allentown (Pennsylvania) had toegesproken, kon ik in de verste verte niet beseffen dat hij de derde president van de Watch Tower Bible and Tract Society zou worden.

Onder het presidentschap van broeder Knorr heb ik veel gereisd en grote bijeenkomsten van broeders en zusters over de gehele wereld — met inbegrip van Midden-Amerika en Australië — toegesproken en aangemoedigd getrouw te blijven. Bij een van die gelegenheden, in 1955, toen het werk van Jehovah’s Getuigen in Spanje verboden was, sprak ik in de bossen buiten Barcelona een geheime vergadering toe. Onze bijeenkomst van Spaanse broeders en zusters werd door gewapende agenten van de geheime politie omsingeld en de mannen werden in vrachtwagens naar het hoofdbureau van politie gebracht. Daar werden wij vastgehouden en ondervraagd. Aangezien ik een Amerikaans burger was, gaf ik voor geen Spaans te kennen. Ook hadden twee zusters die waren ontsnapt, het Amerikaanse consulaat op de hoogte gebracht van mijn arrestatie, en het consulaat nam op zijn beurt contact op met de politie. Aangezien men een internationaal incident en afbrekende publiciteit wilde voorkomen, liet men ons, vreemdelingen, uiteindelijk vrij en later ook de andere broeders en zusters. Naderhand kwam een aantal van ons bijeen in het huis van de familie Serrano, opgetogen van blijdschap over Jehovah’s bevrijding van zijn volk. In 1970 werden Jehovah’s Getuigen in Spanje wettelijk erkend. Thans hebben wij een bijkantoor in de buurt van Madrid, en in het afgelopen jaar waren er in Spanje ruim 65.000 Koninkrijksverkondigers, met gemeenten in het gehele land.

Op 8 juni 1977 beëindigde Nathan H. Knorr zijn aardse loopbaan en volgde ik hem op als president van het Genootschap. Broeder Knorr was meer dan 35 jaar president geweest, langer dan elk van de twee voorgaande presidenten van het Genootschap, Russell en Rutherford. Als lid van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen heb ik de toewijzing ontvangen dienst te verrichten in het Uitgeverscomité en het Schrijverscomité van het Besturende Lichaam.

Het is werkelijk een groot voorrecht en genoegen op het kantoor van het Genootschap aan Columbia Heights 25 dienst te verrichten. Hiertoe moet ik elke werkdag een wandeling maken van het Bethelhuis naar het gebouw waarin de kantoren zijn gevestigd en terug — een uitstekende fysieke oefening voor het ouder wordende lichaam. Hoewel ik 93 jaar ben en mijn gezichtsvermogen mij in de steek heeft gelaten, ben ik erg blij dat Jehovah mij met een goede gezondheid heeft gezegend, zodat ik gedurende mijn 66 jaren van Betheldienst geen enkele werkdag heb gemist wegens ziekte, en ik ben nog steeds in staat volledige werkdagen te maken. Het is inderdaad een goddelijke zegen om sinds het jaar 1920 hier te mogen zijn en de groei en expansie van de organisatie op het hoofdbureau in Brooklyn en over de gehele wereld te mogen meemaken.

Met volledig vertrouwen in de Universele Soeverein, Jehovah God, en zijn Veldmaarschalk, Jezus Christus, die aan het hoofd staat van de ontelbare legerscharen serafs, cherubs en heilige hemelse engelen, zie ik ten tijde van het schrijven van dit artikel, te zamen met miljoenen mede-Getuigen van mij uit naar wat volgens de bijbel nog in het verschiet ligt: de vernietiging van Babylon de Grote, het wereldrijk van valse religie, en de oorlog van de grote dag van God de Almachtige te Armageddon, met als hoogtepunt de allergrootste zegepraal voor de Universele Soeverein, Jehovah God, die „van eeuwigheid tot eeuwigheid” is. Halleluja! — Psalm 90:2, Byington.

[Illustratie op blz. 23]

[Illustratie op blz. 24]

Onder in het midden, met mede-Bethelwerkers 1920

[Illustratie op blz. 25]

Met N. H. Knorr 1961

[Illustratie op blz. 26]

Ik spreek op een congres in Japan 1978

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen