Vragen van lezers
◼ Op wie wordt in Jezus’ illustratie over een rijke man die niet rijk was met betrekking tot God, gedoeld met de „men” door wie de ziel van de man werd opgeëist?
Jezus doelde niet op een specifieke groep mensen of engelen. In Lukas 12:20 gebruikte hij eenvoudig een algemene aanduiding, „men”, ten einde tot uitdrukking te brengen wat er met de man zou gebeuren.
Deze illustratie staat in Lukas 12:16-21. De rijke man in deze illustratie was niet tevreden met de toereikende materiële middelen die hij bezat. Hij bleef zich op zijn zaken concentreren ten einde zijn rijkdom te vergroten. Jezus besloot met de woorden: „Maar God zei tot [de rijke man]: ’Onredelijke, nog deze nacht eist men uw ziel van u op. Voor wie zullen dan de door u opgeslagen dingen zijn?’ Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is met betrekking tot God.”
In sommige vertalingen wordt een passieve weergave gebezigd, zoals: „In dezen eigen nacht wordt uw ziel van u afgeëist” (Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap). „Deze zelfde nacht wordt uw leven opgeëist” (The Twentieth Century New Testament). „Deze nacht zal er naar uw ziel worden gevraagd” (Byington). Maar in het Hebreeuws (waarin Jezus sprak) en in het Grieks (waarin Lukas schreef) wordt een onbepaald voornaamwoord in de derde persoon gebruikt. De Griekse tekst in Lukas 12:20 luidt letterlijk: „Op deze de nacht de ziel van u zij vragen van u.” Het werkwoord staat in de derde persoon meervoud. In plaats van onnodig een passieve vorm te bezigen (zoals in bovenstaande voorbeelden), worden in de Nieuwe-Wereldvertaling en andere vertalingen derhalve weergaven gebruikt zoals „eist men” of „eisen zij”.
Wij doen er echter goed aan Jezus’ duidelijke vermaning met betrekking tot materialisme niet door grammaticale, technische details te laten verduisteren. Hij vermeldde niet precies hoe de rijke man zou sterven. Het ging erom dat de man diezelfde nacht op de een of andere wijze zijn ziel, of leven, zou verliezen. Maar hoe stond hij er bij God voor? Iedereen van ons zou er geheel in kunnen opgaan zijn materiële situatie te verbeteren en evenzo kunnen verzuimen rijk te zijn met betrekking tot God. De zakenwereld kweekt een geest van ’steeds meer’ te willen hebben. Zelfs mensen met een bedrijf dat een flinke winst maakt als gevolg van een afzet die in de miljoenen dollars, ponden, guldens, enzovoort loopt, kunnen ertoe verleid worden meer te willen hebben — meer werknemers, meer afzetmarkten, meer winst, meer luxe, meer op de bank. Jezus’ vraag geldt thans evenzeer als toen hij ze de eerste keer stelde: „Voor wie zullen dan de door u opgeslagen dingen zijn?” — Lukas 12:20.