Jehovah’s leiding volgen werpt rijke zegeningen af
Zoals verteld door Donald J. Morrison
WAT dient het voor een christen te betekenen als hij zich aan Jehovah opdraagt? Voor mij betekende het dat ’ik God als regeerder meer moest gehoorzamen dan mensen’. (Vergelijk Handelingen 5:29.) Maar niettemin deed ik — ongehuwd, zonder verantwoordelijkheden, met een goede baan en promotiekansen — niet veel meer dan de christelijke vergaderingen bezoeken en af en toe als Koninkrijksverkondiger in de velddienst gaan.
In diezelfde tijd werden daar in Canada jonge, ongehuwde christelijke mannen en vrouwen die geen verplichtingen hadden, aangemoedigd om als pioniers de volle-tijddienst op zich te nemen. De maanden verstreken, maar eindelijk begon ik in april 1942 toch met de pioniersdienst. Sedertdien ben ik steeds meer gaan inzien dat het veel zegeningen afwerpt de leiding te volgen die Jehovah God door middel van zijn Woord en de gemeente van zijn volk geeft.
De waarheid doet haar intrede in ons huis
Mijn eerste contact met de bijbelse waarheid vond plaats toen ik nog een kind was. De Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s Getuigen toen werden genoemd, hadden een vergadering aangekondigd die op een zondagmiddag in 1921 gehouden zou worden in een schooltje met één lokaal. Aangezien het onderwerp interessant klonk, gingen wij er met ons allen heen. Na de bijeenkomst praatten mijn ouders met de spreker en dit leidde tot een bespreking bij ons thuis de week daarop. Mijn ouders namen de waarheid gretig aan.
Tot dusver waren wij presbyteriaans geweest en gingen mijn jongere broertje en zusje en ik naar de zondagsschool. Maar nu het licht van de waarheid ons huis verlichtte, leerden wij dat dingen als het hellevuur of de onsterfelijkheid van de ziel niet bestaan. In plaats daarvan hoorden wij over de schitterende hoop eeuwig op een paradijsaarde te leven (Prediker 9:5, 10; Ezechiël 18:4; Lukas 23:43). Wat een geweldig vooruitzicht!
Ons huis werd een centrum voor geregelde bijeenkomsten en tevens een toevluchtsoord voor alle Bijbelonderzoekers die in de omgeving kwamen prediken. Hoewel wij als kinderen naar de zondagsschool van de Bijbelonderzoekers gingen, zijn wij voornamelijk thuis in de Schrift onderwezen. Als wij voor het middageten uit school thuiskwamen, had Moeder ons altijd wel iets te vertellen over wat zij op de vergaderingen geleerd of in de publikaties van het Wachttorengenootschap gelezen had.
Er werden strooibiljetten vervaardigd voor een van de openbare toespraken die in ons huis gegeven zouden worden. Hoewel ik pas acht jaar was, kreeg ik het voorrecht deze folders huis aan huis in ons dorp te bezorgen. Niet alleen werd op die manier de vergadering aangekondigd, maar ook werden de dorpelingen er aldus van in kennis gesteld wat nu ons religieuze standpunt was. Als mijn schoolkameraadjes mij nadien wilden plagen, noemden zij mij altijd Nimmer-Sterven — dit vanwege de lezing „Miljoenen nu levende mensen zullen nimmer sterven”.
Ondanks dit voortreffelijke begin deed ik eigenlijk niets anders dan over de waarheid leren. In 1938 kwam daar echter verandering in. Ik had inmiddels enige jaren besteed aan werelds werk, had een auto gekocht en kon alle gezinsleden meenemen naar alle gemeentevergaderingen. Hierdoor kregen wij ook de gelegenheid om geregeld aan de velddienst deel te nemen. Wat een vreugde was het, te zien hoe mijn vader en moeder hun opdracht aan God door de waterdoop symboliseerden op de eerste grote vergadering die ik bijwoonde. Tijdens deze zonevergadering in New Liskeard (Ontario) brak de Tweede Wereldoorlog uit. Omdat ik de dienstplichtige leeftijd had en ongehuwd was, zou ik daar weldra mee te maken krijgen. Maar een meer onmiddellijk gevolg was het verbod op ons werk in Canada.
De dienst onder verbodsbepalingen
In augustus 1940 symboliseerde ik samen met mijn broer en zusje mijn opdracht aan Jehovah door de waterdoop in een van de prachtige, heldere meren in het noorden van Ontario. Hoewel wij verboden waren, bleven wij onze vergaderingen houden in particuliere huizen. En de rest van die zomer had ik, als lid van een „autogroepje” van Getuigen, het voorrecht elke zondag bijbelstudies te leiden bij geïnteresseerden op het platteland. De meesten van deze personen en hun gezinnen maakten snel vorderingen en aanvaardden de waarheid.
Mettertijd werden er regelingen getroffen voor een „bliksemactie” in heel Canada. Dit hield in dat om drie uur ’s nachts speciale brochures in de huizen van de mensen werden achtergelaten. Hierna volgden nog meer verspreidingsacties in de vroege ochtenduren. Natuurlijk kregen in onze gemeenschap wij hiervan de schuld en op sommige ochtenden vonden wij verscheurde brochures op onze veranda. Op den duur maakte deze activiteit plaats voor een geregelde prediking van huis tot huis met alleen de bijbel.
In die periode brachten twee speciale afgevaardigden van het Genootschap de gemeente een bezoek en werden er regelingen getroffen voor een bijeenkomst met alle broeders en zusters en geïnteresseerden bij ons thuis. Enkele buren deden een poging de politie een inval te laten doen tijdens de vergadering. Maar omdat wij op onze hoede waren, trof de politie bij aankomst alleen een groep mensen aan die aan het volksdansen waren. De politieauto reed dus alleen maar langzaam langs het huis en vertrok.
In 1940 had ik plannen gemaakt voor de volle-tijddienst als pionier, maar het verbod had daar een stokje voor gestoken. In 1942 was voor mij echter de tijd aangebroken om al mijn tijd aan Jehovah’s dienst te geven. Mijn eerste toewijzing was Parry Sound bij de Georgian Bay in Ontario. Een incident daar staat mij nog scherp voor de geest.
Op een middag kwam er in volle vaart een auto de heuvel oprijden naar het huis waar mijn partner en ik woonden. In de auto zaten twee politiemannen en zij hadden nog twee man bij zich (één op elke treeplank). Zij kwamen op het huis afgestormd alsof zij een stel niets ontziende misdadigers op de hielen zaten. Maar na het huis te hebben doorzocht en allerlei vragen te hebben gesteld, dropen zij met lege handen af. Zij lieten doorschemeren dat hun woede was gewekt door onze van-huis-tot-huisprediking. Er volgden nog meer confrontaties met de politie, maar doordat wij ons hielden aan de gezonde raad die wij van het Genootschap kregen, bleven wij voor arrestatie behoed.
Intussen werd, nu de oorlog escaleerde, het onderwerp neutraliteit een ernstige strijdvraag (Johannes 15:19). Er werden allerlei subtiele listen beraamd in een poging ons ertoe te bewegen onze neutraliteit te schenden. Zo droeg een rooms-katholieke recruteringsambtenaar die tegen onze activiteiten gekant was mij op, in een zagerij te gaan werken, waar ik de kost en $75 per maand zou verdienen. Voorwaarde was, dat $50 van dit salaris aan het Rode Kruis geschonken zou worden. Hij kreeg echter te horen dat ik als bedienaar van het evangelie een volledige dagtaak had. Zijn opdracht werd derhalve genegeerd en ik bleef pionieren.
Dat zou echter niet lang duren, want kort daarop werd ik gearresteerd. Het is interessant dat dit gebeurde aan het eind van de door mij geleide begrafenis van een christelijke zuster. Ik had juist het slotgebed uitgesproken aan het graf, toen de politieagent mij ophaalde en met mij de begraafplaats afmarcheerde. Maar de agent wist er niet goed raad mee. Steeds opnieuw haalde hij de handboeien uit zijn zak en stopte ze er dan weer in. Ten slotte werd ik zonder handboeien in verzekerde bewaring gesteld. Tijdens de rechtszitting enkele dagen later werd ik veroordeeld tot een gevangenkamp en daarheen werd ik geëscorteerd door een agent van de Royal Canadian Mounted Police in vol ornaat.
Dienen ondanks gevangenschap
De twee jaar van mijn gevangenschap heb ik doorgebracht in vier verschillende kampen, twee in Ontario en twee in Alberta. Wat gebeurde er in die tijd op het gebied van de prediking en het maken van discipelen? Het ging door, maar op beperkte schaal. In het kamp in Jasper National Park in de Canadese Rockies waren op een gegeven ogenblik tachtig Getuigen gedetineerd. Wij slaagden erin een leegstaande winkel te huren in de hoofdstraat van de naburige stad Jasper, en deze vergaderplaats werd voorzien van een groot bord waarop voor iedereen zichtbaar „Koninkrijkszaal” stond — een stilzwijgend getuigenis op zich.
Vlak voordat ik vrijgelaten werd, kreeg ik een uitnodiging om een speciale vergadering bij te wonen die tijdens het congres van 1946 in Cleveland (Ohio) zou worden gehouden. Gelukkig werd ik precies op tijd vrijgelaten. Op die vergadering werd ik uitgenodigd voor het kringwerk. Wat een vreugde en zegen van Jehovah! Later werd ik uitgenodigd om te komen werken op het Canadese Bethelhuis in Toronto, en daar heb ik gewerkt tot 1950, toen ik trouwde met Marjorie, een pionierster in een van de gemeenten in Toronto. Wij pionierden beiden tot ik weer werd uitgenodigd voor het kringwerk. Daarna hebben wij de 23ste klas van de Gileadschool doorlopen en zijn afgestudeerd tijdens het districtscongres in Toronto in 1954. Onze toewijzing was Rhodesië (het huidige Zimbabwe).
Naar een buitenlandse toewijzing
Er woedde een felle sneeuwstorm toen wij mijn huis in Cobalt in het noorden van Ontario verlieten. Wat was het heerlijk toen ons schip in Kaapstad (Zuid-Afrika) meerde en wij de warme zonneschijn voelden. En wat was het prettig om tot de mensen in zo’n prachtig oord te prediken! Ons verblijf in Kaapstad duurde zes weken, in afwachting van toestemming om het land te betreden waaraan wij waren toegewezen. Vervolgens reisden wij per trein drie dagen door een volslagen ander landschap dan wij gewend waren, en wij genoten van de aanblik en de geluiden van Zimbabwe, het land dat ons thuis zou worden. Ten gevolge van de twee etnische groepen was het een land van tegenstellingen. Aanvankelijk verbleven wij in het zendelingenhuis en bijkantoor van het Genootschap in een villawijk van Salisbury (thans Harare).
Onze dienst begon bij de Engelstalige bevolking en al spoedig leidden wij een aantal bijbelstudies. Een van mijn eerste ervaringen betrof mijn bezoek aan een zendelinge van de christenheid, die klaagde dat wij hun grenzen niet in acht namen. Over wat voor grenzen had zij het toch? Later ontdekten wij dat de verschillende religies het land in gebieden hadden verdeeld waarin ze elk zouden opereren zonder inmenging van de ander. Onnodig te zeggen dat Jehovah’s Getuigen nooit een afspraak over grenzen zouden maken met een deel van Babylon de Grote, het wereldrijk van valse religie (Openbaring 18:1-5). Het getuigeniswerk maakte dus in alle gebieden vorderingen naarmate ze met de waarheid werden bereikt.
Het duurde niet lang of ik kreeg het kringwerk in het hele Engelstalige veld toegewezen. Wat een vreugde, zo veel getuigen van Jehovah in ons nieuwe land te ontmoeten!
Later, toen wij beter bekend raakten met de gebruiken van het land, kreeg ik het districtswerk onder onze Afrikaanse broeders toegewezen. Dit betekende een nieuwe taal leren en vele kilometers reizen tussen de verschillende gemeenten en kringvergaderingen in een door het Genootschap verschafte bestelwagen. Het leek wel of wij op safari gingen, want in de verschillende plaatsen die wij bezochten, moesten wij ons kamp opslaan. Wat een verzameling spullen hadden wij bij ons! Behalve bijbelse lectuur namen wij een generator, een projector voor de films van het Genootschap en de noodzakelijke kook- en slaapuitrusting mee. Dit was een volslagen andere manier van leven voor ons. Maar het was een geweldige manier om nauwe banden aan te knopen met onze broeders en te horen over hun problemen en hoe zij mensen in de velddienst benaderden. Ook was het hartverwarmend op te merken dat sommige Getuigen 25 tot 30 kilometer of meer nog kwamen lopen om een kringvergadering bij te wonen en dan met gespannen aandacht luisterden opdat hun niets zou ontgaan. — Hebreeën 10:24, 25.
Als ik terugkijk op onze tijd in het districtswerk komt mij weer van alles voor de geest. Dat stokoude, gerimpelde Afrikaanse vrouwtje dat tranen in de ogen kreeg toen ik haar de schriftplaats voorlas over de bejaarden die zullen terugkeren tot de dagen van hun jeugd (Job 33:25). Of dat dorpshoofd, dat zijn vijf vrouwen en negentien kinderen bij elkaar riep om te horen wat wij te zeggen hadden.
Op een avond lag er een pofadder in onze tent en uiteraard moesten wij ons van dat beest ontdoen eer wij konden gaan slapen. Bij een huis vestigde luid geknor onze aandacht op een dozijn nijlpaarden die lagen te zonnebaden bij een poel in de rivier. En dan de keren dat wij na een dag prediken te voet in ons kamp terugkeerden en daar ettelijke personen aantroffen die op eerste hulp zaten te wachten omdat er geen artsen of klinieken in het gebied waren. Maar bovenal herinneren wij ons de liefde van onze medechristenen en hun waardering voor de regeling die ons in staat stelde naar allerlei gebieden, soms zeer afgelegen plaatsen, te reizen en omgang met hen te hebben.
Rijke zegeningen duren voort
Mijn leven als dienstknecht van Jehovah is werkelijk bijzonder bevredigend en opwindend geweest, en ik heb vele zegeningen en voorrechten genoten. Een daarvan was dat ik voor de tweede maal de Gileadschool heb mogen bezoeken, als student van de 37ste klas. Een aantal keren heb ik de gelegenheid gehad om naar de Verenigde Staten en Canada terug te gaan om internationale congressen bij te wonen. Marjorie en ik dienen nu zo’n twintig jaar op het bijkantoor van het Genootschap in Harare. In die tijd zijn sommigen van degenen met wie wij de bijbel hebben bestudeerd, gedoopt. Zij hebben op hun beurt weer anderen geholpen hun standpunt voor Jehovah in te nemen.
Na vele jaren van volle-tijddienst heb ik nog meer waardering gekregen voor raad die God ons door middel van zijn Woord en de gemeente van zijn volk geeft. Werkelijk, Jehovah’s leiding volgen, werpt rijke zegeningen af. — Spreuken 10:22.
[Illustratie op blz. 28]
Onze eerste Koninkrijkszaal in Jasper (Alberta, Canada)
[Illustratie op blz. 29]
Mijn „kantoor” als districtsopziener in Afrika