Jakobus spoort aan tot reine en actieve aanbidding
HOE beziet u raad van een oudere man? Hoe staat u er tegenover wanneer de gegeven raad geestelijk gezond en behoorlijk rechtstreeks is? Zult u deze raad opvolgen?
De brief van Jakobus, die vóór 62 G.T. werd geschreven, bevat zulke rechtstreekse raad. De schrijver ervan was een oudere man — iemand met ongeveer dertig jaar ervaring in het behandelen van de problemen van zijn medeaanbidders. Ja, de christelijke ouderling Jakobus, een halfbroer van Jezus Christus, kon openhartig uit eigen ervaring schrijven (Mark. 6:3). Zijn dynamische stijl werd versterkt door rake illustraties en doordringende vragen waaruit duidelijk blijkt dat Jehovah niet met een onreine, passieve religie is ingenomen.
Onder leiding van God gaf Jakobus deugdelijk onderricht dat thans even praktisch is als destijds in de eerste eeuw. Door over zijn door God geïnspireerde raad na te denken, kunnen wij antwoorden verkrijgen op enkele belangrijke vragen. En zijn woorden dienen ons ertoe aan te sporen ermee voort te gaan de reine en actieve aanbidding te beoefenen.
Hoe dienen wij beproevingen te bezien?
Jakobus schreef aan de „twaalf stammen” van het geestelijke Israël, die overal in de toenmaals bekende wereld verspreid waren. Zijn raad is echter ook van toepassing op de „grote schare” (Openb. 7:4-9; Gal. 6:16). Hij spoorde zijn medeaanbidders ertoe aan beproevingen met vreugde te bezien omdat het tot blijvend geluk zal leiden wanneer wij ze in geloof doorstaan. Wij dienen vol vertrouwen God te vragen om de wijsheid die nodig is om zo te leven dat wij hem behagen, vooral wanneer wij beproevingen onder de ogen moeten zien. Jezus’ gezalfde volgelingen die getrouw beproevingen doorstaan, zullen de „kroon des levens”, onsterfelijkheid in de hemel, ontvangen. De getrouwe volharding die door de „grote schare” aan de dag wordt gelegd, zal tot eeuwig leven op een paradijsaarde leiden. — Jak. 1:1-12; Luk. 23:43.
Wanneer wij beproevingen ondergaan, moeten wij niet de conclusie trekken dat God ons ertoe tracht te brengen te zondigen, want God doet dit niet. De onjuiste verlangens in ons dienen veeleer als een drijfveer tot zonde. Jehovah is niet de bron van het kwade maar van alles wat goed is, met inbegrip van de grootse gave van de geestelijke geboorte. — Jak. 1:13-18; Ef. 1:13, 14.
Wat is de ware religie?
Willen wij de ware religie beoefenen, dan moeten wij er snel bij zijn om gehoorzaam op Gods woord te reageren. Wij moeten ook langzaam zijn in het tot uitdrukking brengen van gramschap en moeten ons bevrijden van alles wat door God als vuil wordt beschouwd. Wanneer het hart en de geest van slechtheid worden gereinigd, kan het woord der waarheid daar onbelemmerd groeien, en wij moeten niet alleen hoorders van het woord zijn, maar ook daders en ons werkelijk door de Schrift laten leiden. Beschouw het volgende eens: Nadat iemand zijn gezicht in een spiegel heeft bekeken, gaat hij weg en vergeet wat voor persoon hij is. Willen wij Jehovah echter op een aanvaardbare wijze aanbidden, dan kunnen wij geen vergeetachtige hoorders zijn. Wij moeten veeleer turen in de „volmaakte wet”, die alles omvat wat van christenen wordt verlangd, en er vervolgens in overeenstemming mee handelen. — Jak. 1:19-25.
Om door God als ware aanbidders te worden bezien, moeten wij ook onze tong in toom houden en deze weerhouden van lasterlijke taal, achterklap en dergelijke. Van Jehovah’s standpunt uit bezien, omvat de aanbidding die „rein” (heilig, zuiver) en „onbesmet” (onbezoedeld door slechtheid) is, actieve zorg voor de behoeftigen. Ook is het nodig ’ons onbevlekt te bewaren van de mensenwereld’ die God niet dient. Wij kunnen Jehovah niet behagen wanneer wij de onrechtvaardige dingen doen die de wereld doet. Jakobus heeft natuurlijk niet alle vereisten van de ware aanbidding opgesomd. Hij toonde echter wel aan dat de ware dienst voor Jehovah zuiver en actief is. — Jak. 1:26, 27.
Wat is er fout aan klassenonderscheid?
Jakobus toonde aan dat het voor de beoefening van de reine aanbidding ook nodig is onpartijdig te zijn en zowel rijk als arm gelijk te behandelen. Sommigen die beleden christenen te zijn, namen verdorven beslissingen door de rijken te begunstigen en aldus klassenonderscheid te maken. Mogen wij ons nooit aan zulk een goddeloze partijdigheid schuldig maken! — Jak. 2:1-4.
Christenen moeten beslist toegeven dat de rijken als klasse Christus’ naam hebben gelasterd door zijn volgelingen te vervolgen. In plaats van te zondigen door klassenonderscheid te maken en de rijken te begunstigen, dienen wij daarom veeleer de „koninklijke wet” te volgen door liefde voor al onze naasten ten toon te spreiden. Hoe kunnen wij verwachten Gods barmhartigheid te genieten als wij niet barmhartig en liefdevol jegens de armen zijn? Klassenonderscheid in de gemeente stemt inderdaad niet overeen met de reine aanbidding. — Jak. 2:5-13; Matth. 22:39; Hand. 10:34, 35.
Hoe kunnen wij bewijzen dat wij geloof bezitten?
De apostel Paulus toonde aan dat mensen niet door middel van het verrichten van werken van de Mozaïsche wet maar wegens hun geloof in Jezus Christus door Jehovah God rechtvaardig worden verklaard (Rom. 3:19-28). Jakobus was het hiermee eens, maar wees erop dat een levend geloof blijkt uit de godvruchtige werken waartoe dat geloof ons aanzet. Geloof dat ons er niet toe aanzet goede werken te doen, is niet echt en zal niet tot onze redding leiden. Ter illustratie het volgende: Indien een medegelovige onvoldoende is gekleed en niet genoeg voedsel heeft, zullen woorden alleen hem niet helpen; er moet tastbare hulp worden geboden. Zelfs de demonen geloven dat er één God is, maar zij verrichten geen goede werken. Geloof dat wordt beleden zonder dat het door goede werken wordt ondersteund, is derhalve inactief en heeft geen uitwerking wat het verwerven van redding betreft. Abraham, de „vader” van allen die waar geloof bezitten, toonde zijn geloof door werken toen hij Isaäk offerde. Ook Rachab had een actief geloof, want zij werd „rechtvaardig verklaard door werken” doordat zij de Israëlitische verspieders bescherming bood. Terwijl louter met de mond beleden geloof derhalve even levenloos is als een dood lichaam, bewijzen wij door aan juist gemotiveerde christelijke werken deel te nemen, dat wij een werkelijk, levend geloof bezitten. — Jak. 2:14-26.
Waarom de tong beheersen?
Voor het beoefenen van de reine, actieve aanbidding is het ook nodig dat wij definitieve stappen doen om de tong te beheersen. In de eerste plaats moeten alle christenen — en vooral de leraren in de gemeente — het vermijden verkeerde ideeën tot uitdrukking te brengen. Jakobus gaf te kennen dat evenals paarden door een toom in bedwang gehouden kunnen worden, wij de rest van ons tot zonde geneigde lichaam kunnen beheersen wanneer wij de tong in toom houden. Ja, zelfs een groot schip kan door een klein roer worden bestuurd! Maar als wij in gebreke blijven de tong te beheersen, kan ze net als in het geval van een felle brand grote verwoestingen aanrichten. Door middel van laster, het afleggen van een vals getuigenis, het geven van een verkeerde voorstelling van zaken en dergelijke, kan de niet in toom gehouden tong ook het gehele lichaam ’bevlekken’ doordat ze de gehele persoonlijkheid van de spreker verontreinigt. Bovendien kan de niet in toom gehouden tong de gehele levensloop in vlam zetten en even vernietigend zijn als Gehenna. — Jak. 3:1-6.
Natuurlijk kost het heel veel moeite de tong in toom te houden. Hoewel de zondige mens alle soorten van dieren heeft gedresseerd, is hij er niet toe in staat de tong volmaakt te beheersen. Wij moeten er echter moeite voor doen de tong in toom te houden. Aangezien de niet in toom gehouden tong beledigende, lasterlijke opmerkingen kan maken, door middel van vals onderwijs kan misleiden, enzovoort, is ze een schadelijk ding vol dodelijk vergif. En sta er eens bij stil hoe ongepast het zou zijn misbruik te maken van de tong — die voornamelijk is geschapen om God te loven — ten einde kwaad af te smeken over mensen die door hem zijn geschapen! Dit zou even ongerijmd zijn als wanneer men uit dezelfde bron zowel zoet als bitter water zou putten of olijven van een vijgeboom zou plukken. — Jak. 3:7-12.
Wie is werkelijk wijs?
Alle christenen, maar vooral degenen die onderwijs geven aan anderen die aan de reine aanbidding deelnemen, hebben ware wijsheid nodig. Iemand die waarlijk wijs is, geeft blijk van een juiste vrees voor God en is zachtmoedig. Wil iemand op een aanvaardbare wijze als een leraar dienst verrichten, dan moet hij daarom ook zachtaardig en niet hardvochtig, trots en vooringenomen zijn. Bovendien passen jaloezie en twistgierigheid helemaal niet bij een christelijke leraar of bij welke andere volgeling van Christus maar ook. De wijsheid van degenen die zulke slechte eigenschappen hebben, is daarentegen dierlijk, zelfs demonisch. — Jak. 3:13-16.
De hemelse wijsheid is zuiver, vredelievend, redelijk en „bereid tot gehoorzamen”. Een redelijke christelijke leraar zal bijvoorbeeld niet louter krachtige beweringen doen. En de hemelse wijsheid is onder andere ook vol van „goede vruchten”, waartoe alle handelingen behoren die stroken met goedheid, rechtvaardigheid en waarheid. Wil rechtvaardigheid floreren, dan moet er natuurlijk vrede zijn. Leraren en anderen in de gemeente die de vrede bevorderen, tonen dat zij werkelijk wijs zijn. — Jak. 3:17, 18.
Hoe kunnen wij twist voorkomen?
De vrede van Jakobus’ medeaanbidders werd verstoord doordat sommigen onder hen blijk gaven van begunstiging, anderen onjuist beoordeelden en zwichtten voor jaloezie. Dit leidde tot twist in de gemeente. En wat was de oorzaak van al dit geharrewar? Welnu, een niet vervulde hunkering naar zingenot! Zulke verkeerde verlangens leidden tot pure begerigheid en tot een haatdragende, doodaanbrengende geest. — Jak. 4:1-3.
Om twist in de gemeente te voorkomen, moeten wij vriendschap met de wereld, die op geestelijk overspel neerkomt, mijden. Dit houdt in dat wij de houding, doeleinden, methoden en handelwijzen van de van God vervreemde mensenwereld uit de weg moeten gaan. Hoewel de neiging tot jaloezie aanleiding geeft tot twist en een sterke druk uitoefent op zondige mensen, kan deze neiging worden tegengegaan door Gods geest, beslist een uiting van zijn onverdiende goedheid. Die hulp is beschikbaar voor Jehovah’s nederige dienstknechten die met volharding om zijn hulp bidden en hem gehoorzamen. Zij kunnen de Duivel met succes weerstaan. Belijdende christenen die een verkeerde houding aan de dag hebben gelegd, dienen natuurlijk in gebed tot God te naderen, zich voor hem te vernederen en ermee op te houden ten nadele van hun broeders te spreken of hen ten onrechte te oordelen. Hoe onjuist is het dat zondige mensen hun naasten oordelen terwijl Jehovah de Opperste Wetgever en Rechter is! — Jak. 4:4-12.
Wanneer wij het vermijden vol grootspraak zelfvertrouwen aan de dag te leggen, zal dit ook tot de vrede in de gemeente bijdragen. Aangezien het leven in dit samenstel als een nevel is die verdwijnt, zouden wij dwaas zijn ons op dit leven te concentreren en ons te beroemen op datgene wat wij van plan zijn te doen. Wij dienen echter veeleer op zijn minst bij onszelf te zeggen: „Indien Jehovah wil.” Wij kunnen per slot van rekening niets blijvends tot stand brengen zonder zijn gunst en hulp, en hij verlangt dat wij nederig zijn en hem als de bron van het leven en alle goede dingen erkennen. Wij dienen in overeenstemming met deze kennis te handelen, want handelen wij anderszins, dan zondigen wij. — Jak. 4:13-17.
Waarom geduld oefenen?
Vervolgens beklemtoonde Jakobus onder andere de noodzaak geduld te oefenen. Naar alle waarschijnlijkheid bevonden zich in de gemeenten enkele rijke personen die evenals hij beseften dat materiële rijkdom waardeloos is vergeleken bij de geestelijke rijkdommen die christenen bezitten. Als klasse onderdrukten de rijken echter de armen en stonden zij de rechtvaardigen tegen. Jakobus gaf te kennen dat wij deze beproevingen en andere ontberingen geduldig moeten dragen totdat gedurende de „tegenwoordigheid van de Heer” Jezus Christus, het oordeel aan de onderdrukkers wordt voltrokken. Wij moeten als een boer zijn die geduldig de oogsttijd afwacht. Zouden wij ongeduldig worden en in gebreke blijven getrouw te volharden, dan zouden wij de verlichting en zegeningen die gedurende de tegenwoordigheid van de Heer komen, mislopen. — Jak. 5:1-8.
Als ware aanbidders moeten wij ook geduldig zijn met onze medegelovigen en ons niet aan hen ergeren door ten onrechte in een geest van grote ontevredenheid diep over hen te zuchten en te steunen. Jakobus zette vervolgens uiteen dat Jehovah’s profeten een voorbeeld verschaffen op het gebied van het lijden van kwaad en het oefenen van geduld. Evenals Job uit de oudheid kunnen wij troost putten uit het feit dat wij Jehovah’s deernis en grote barmhartigheid zullen ondervinden als wij met een rein hart, dat krachtig op God gericht is, geduldig volharden. — Jak. 5:9-11.
Hoe doeltreffend is gebed?
Na zijn medechristenen ertoe vermaand te hebben niet in het blinde weg en luchthartig te zweren, spoorde Jakobus hen ertoe aan gebedsvol te zijn. Gebed is vooral belangrijk wanneer iemand geestelijk zwak of ziek is. Het zou dan passend zijn de oudere mannen van de gemeente te laten komen, die vertroostende schriftuurlijke vermaningen kunnen geven welke als verzachtende olie zijn. Deze ouderlingen zullen voor de persoon die hulp nodig heeft, bidden, en zo’n „gebed des geloofs” zal zijn uitwerking niet missen. Jehovah zal de zonden vergeven die een nederig, berouwvol persoon misschien heeft begaan en zal hem tot geestelijke gezondheid herstellen. Dat ’de smeking van een rechtvaardige veel kracht heeft’, wordt bewezen door het feit dat de gebeden van Elia door Jehovah werden verhoord. — Jak. 5:12-18.
Wat te doen als een christen van het pad der waarheid zou afdwalen? Geestelijk bekwame personen moeten hem door middel van oprecht gebed en een ijverige toepassing van Gods Woord trachten te helpen. Indien de dwalende aldus ’van de dwaling zijns wegs wordt teruggebracht’, zal zijn ziel — de zondaar zelf — van veroordeling en de eeuwige dood worden gered. Degene die hem heeft terechtgewezen, heeft er aldus toe bijgedragen dat de zonden van de dwalende worden bedekt of vergeven. — Jak. 5:19, 20.
Ga voort in de reine aanbidding
Zoals wij hebben opgemerkt, worden in de brief van Jakobus enkele belangrijke vragen op duidelijke wijze beantwoord. Maar hoe zullen wij persoonlijk deze door God geïnspireerde raad van een ervaren oudere man bezien? De gegeven raad is rechtstreeks en geestelijk gezond. Maar de vraag is: Zullen wij deze raad opvolgen?
Indien wij de raad van Jakobus oprecht toepassen, zal dit ons helpen beproevingen te verduren, de ware religie te beoefenen, het te vermijden van begunstiging blijk te geven, en door middel van goede werken te bewijzen dat ons geloof echt en levend is. Bovendien zal het ons helpen onze tong in toom te houden, met hemelse wijsheid te handelen, twist in de gemeente te voorkomen en als nederige, godvruchtige getuigen van Jehovah geduld te oefenen. Door de raad van Jakobus op te volgen, zullen wij met andere woorden beter in staat zijn onze liefdevolle, hemelse Vader te eren door in de reine en actieve aanbidding voorwaarts te gaan.