Een dag van afrekening is gewaarborgd
RUIM 1900 jaar geleden gaf een man die goed onderlegd was in de wet van zijn natie, uitdrukking aan zijn geloof in een toekomstige dag van afrekening. Hij deed dit op vreemd grondgebied voor het hof van de Areópagus, in het oude Athene. De man was een tot het christendom bekeerde jood, de apostel Paulus.
Een poosje luisterden zijn toehoorders naar hetgeen hij te zeggen had over God. Maar toen legde Paulus met betrekking tot de Schepper de volgende verbluffende verklaring af: „Want hij heeft een dag vastgesteld waarop hij voornemens is de bewoonde aarde in rechtvaardigheid te oordelen door een man die hij heeft aangesteld, en hij heeft alle mensen een waarborg verschaft doordat hij hem uit de doden heeft opgewekt.” — Hand. 17:31.
De apostel kon zijn rede niet vervolgen, want spotters begonnen hem te overstemmen. Maar door middel van de waarheden die hij tot uitdrukking had gebracht, opende de Almachtige God de harten van enkelen die Paulus’ verdediging hadden gehoord. Toen de apostel vertrok, voegden deze personen „zich bij hem en werden gelovigen”. — Hand. 17:32-34.
Wij vragen misschien: Wie is de man door bemiddeling van wie God de bewoonde aarde zal oordelen? Waarom kunnen wij het vertrouwen hebben dat er recht zal worden verschaft? Hoe zeker is de waarborg dat er een dag van afrekening zal komen?
De door God uitgekozen man is zijn Zoon, die zichzelf van zijn hemelse heerlijkheid heeft ontledigd en zich vervolgens door goddelijke macht als een volmaakte baby in de schoot van een joodse maagd genaamd Maria begon te ontwikkelen (Luk. 1:30-35; Fil. 2:7). Deze Zoon kwam bekend te staan als Jezus Christus.
Met betrekking tot zijn rechterlijke autoriteit verklaarde Jezus: „De Vader oordeelt volstrekt niemand, maar heeft het gehele oordeel in handen van de Zoon gelegd” (Joh. 5:22). „Ik kan geen enkel ding uit mijzelf doen; gelijk ik hoor, oordeel ik; en het oordeel dat ik vel, is rechtvaardig, want ik zoek niet mijn eigen wil, maar de wil van hem die mij heeft gezonden.” — Joh. 5:30.
EEN RECHTER DIE ZICH OM ONS BEKOMMERT
Aangaande de soort van rechter die Jezus zou zijn, werd profetisch verklaard: „Hij zal niet richten naar wat zijn ogen alleen maar zien, noch terechtwijzen naar wat zijn oren slechts horen. En met rechtvaardigheid moet hij de geringen richten, en met oprechtheid moet hij terechtwijzing geven ten behoeve van de zachtmoedigen der aarde” (Jes. 11:3, 4). Jezus Christus zal niet onder de indruk raken van een imponerende persoonlijkheid of van uiterlijke schoonheid of aantrekkelijkheid. Hij ziet dieper dan de uiterlijke schijn en onderscheidt de werkelijke beweegreden van het hart van een persoon (Openb. 2:23). Vernuftige woorden en redeneringen zullen hem er niet van weerhouden de zaak te doorgronden en een onpartijdig oordeel te vellen. Hoe gering de personen ook mogen zijn, Jezus Christus zal hen rechtvaardig behandelen. „Hun bloed zal kostbaar zijn in zijn ogen.” — Ps. 72:14.
Wij hebben alle reden om vertrouwen te stellen in de volstrekte onpartijdigheid van Jezus’ oordeel. Door de grootste daad van zelfopofferende liefde, namelijk door vrijwillig zijn leven af te leggen, heeft hij bewezen hoezeer de mensheid hem ter harte gaat. — Joh. 15:13.
EEN VERHEVEN RECHTER
Natuurlijk zou een dode persoon niet in de hoedanigheid van rechter kunnen optreden, en de apostel Paulus maakte daarom duidelijk dat de door God aangestelde Rechter uit de doden was opgewekt. Deze opstanding is een onveranderlijke waarborg met betrekking tot de toekomstige dag van afrekening. Het is geen gewone waarborg. Meer dan 500 ooggetuigen hebben de uit de doden opgewekte Zoon van God gezien. Opdat de werkelijkheid van zijn opstanding niet in twijfel getrokken zou worden, sprak Jezus Christus met zijn discipelen, vroeg hij hun hem te betasten en nuttigde hij voedsel in hun aanwezigheid (Luk. 24:36-43). Volgens het bijbelse verslag „toonde hij, nadat hij had geleden, door vele positieve bewijzen dat hij levend was, daar hij gedurende veertig dagen door hen werd gezien” (Hand. 1:3). Omdat de bewijzen onweerlegbaar waren, legden de discipelen ondanks lichamelijke mishandeling, smaad en bedreiging met de dood, moedig getuigenis af omtrent de opstanding van Jezus Christus.
Discipelen van Jezus Christus waren niet alleen getuigen van zijn opstanding, maar ook van zijn hemelvaart. Tien dagen na deze hemelvaart ontvingen ongeveer 120 discipelen het bewijs dat de Zoon tot de rechterhand van zijn Vader was verhoogd. Welk bewijs ontvingen zij dan? Vóór zijn hemelvaart had Jezus Christus zijn discipelen bevolen: „Vertrekt niet uit Jeruzalem, maar blijft wachten op datgene wat de Vader heeft beloofd, waarover gij van mij hebt gehoord, want Johannes doopte wel met water, maar gij zult niet vele dagen hierna in heilige geest worden gedoopt” (Hand. 1:4, 5). Toen derhalve op de dag van Pinksteren in 33 G.T. ongeveer 120 discipelen de beloofde heilige geest ontvingen, waardoor zij in staat werden gesteld in vreemde talen te spreken, wisten die discipelen dat de Zoon bij de Vader was.
Daarom kon de apostel Petrus op die dag ten overstaan van duizenden mensen verklaren: „Deze Jezus heeft God opgewekt, van welk feit wij allen getuigen zijn. Daarom heeft hij, daar hij tot Gods rechterhand werd verhoogd en de beloofde heilige geest van de Vader heeft ontvangen, dit uitgestort wat gij ziet en hoort.” — Hand. 2:32, 33.
DE VOLTREKKING VAN GODDELIJKE GERECHTIGHEID VERZEKERD
De terdege gestaafde gebeurtenissen die in de eerste eeuw in verband met Jezus Christus hebben plaatsgevonden, vormen een onveranderlijke waarborg dat er een dag van afrekening voor alle natiën in het verschiet ligt. Naar deze dag voor de voltrekking van goddelijke gerechtigheid zagen getrouwe discipelen van Jezus Christus halsreikend uit. De christelijke apostel Paulus bracht dit in 2 Thessalonicenzen 1:6-9 onder de aandacht:
„Het [is] van Gods zijde rechtvaardig . . . verdrukking te vergelden aan hen die voor u [gelovigen] verdrukking veroorzaken, maar aan u die verdrukking lijdt, verlichting te zamen met ons bij de openbaring van de Heer Jezus vanuit de hemel met zijn krachtige engelen, in een vlammend vuur, wanneer hij wraak oefent over hen die God niet kennen en over hen die het goede nieuws omtrent onze Heer Jezus niet gehoorzamen. Dezen zullen de gerechtelijke straf van eeuwige vernietiging ondergaan.”
De komst van Jezus Christus in de hoedanigheid van voltrekker van de goddelijke gerechtigheid zal een tijd inluiden waarin al het onrecht hersteld zal worden. God zal door bemiddeling van Christus zelfs „de verborgen dingen der mensen” oordelen (Rom. 2:16). Hoewel wij niet weten op welke dag en welk uur die langverbeide dag zal komen, hebben wij wel Gods waarborg dat die dag zal komen en steeds dichterbij komt. Dit zou ons ertoe moeten aansporen in overeenstemming met zijn waarborg te leven. Maar wat vereist dit van ons?