Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w78 15/8 blz. 7-10
  • Wat trekt u tot God?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wat trekt u tot God?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • EEN NEGATIEVE INSTELLING VERMIJDEN
  • DOOR POSITIEVE GEDACHTEN GETROKKEN WORDEN
  • DICHTER TOT GOD GETROKKEN WORDEN
  • Negatieve emoties — Hoe kunnen ze bedwongen worden?
    Ontwaakt! 1992
  • Hoe je kunt vechten tegen negatieve gevoelens
    De Wachttoren – Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2026
  • Bewaar een positieve instelling
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
  • Het goede nieuws aanbieden — Met een positieve benadering
    Onze Koninkrijksdienst 1984
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
w78 15/8 blz. 7-10

Wat trekt u tot God?

VELEN van ons zijn wel eens op een koude winteravond een behaaglijk warme kamer binnengekomen en hebben dan een knappend open haardvuur opgemerkt. De gloed van het vuur leek ons er onwillekeurig naar toe te trekken, zonder enige bewuste gedachte of beslissing van onze kant. Of — om een ander voorbeeld te nemen — worden wij niet onweerstaanbaar naar de keuken getrokken wanneer we, hongerig na een dag werken, thuiskomen en de heerlijke geur opsnuiven van ons lievelingskostje dat op het fornuis staat te pruttelen? En wat reageren wij niet prompt op een vriendelijk woord of de warme klank in de stem van iemand van wie wij houden of van een vriend, vooral op een moment waarop wij ons ontmoedigd of terneergeslagen voelen!

Zulke spontane reacties zijn geen toeval. Ze vormen een onderdeel van het ontwerp van onze Schepper — een ingeboren vermogen om ons tot anderen aangetrokken te voelen en bij goede omstandigheden en genoegens niet onaangedaan te blijven maar daarop positief te reageren. Dit bij God zijn oorsprong vindende „aantrekkingsvermogen” is zo’n wonderbare gave dat het zowel vreugde schenkt aan degene van wie de werking uitgaat als aan degene die getrokken wordt. Het hoort bij ons leven, omdat wij naar Gods beeld zijn gemaakt. Het stelt ons ook in staat een ander facet van zijn onvergelijkelijke persoonlijkheid beter te begrijpen. — Gen. 1:27.

Als wij tot God naderen, is onze eerste gedachte dan dat wij straf of vernietiging moeten zien te vermijden? Of komen wij tot God uit waardering voor zijn vele daden van goedheid jegens ons? Het dient ons niet te verbazen te vernemen dat het Gods weg is zijn schepselen op een positieve wijze tot zich te trekken. Nooit neemt hij er zijn toevlucht toe zijn schepselen te dwingen hem te dienen. In het woord „trekken” ligt de gedachte aan aantrekkingskracht opgesloten, en het zijn Gods goedheid en zijn grootse hoedanigheden waardoor mensen met een oprecht hart tot hem worden getrokken. Jezus Christus gebruikte dezelfde uitdrukking toen hij beloofde dat hij ’mensen van alle soorten tot zich zou trekken’ (Joh. 12:32). Hij gaf overvloedig getuigenis van zijn Vaders goedheid tegenover zijn schepselen, om zo te proberen in hun hart het verlangen wakker te roepen in een verhouding tot Jehovah te komen. De Bergrede vormt hiervan een voortreffelijk voorbeeld. (Vergelijk Matthéüs 5:45-48.) De Heer wees er echter direct op dat het belangrijkste door God zelf wordt gedaan om zijn schepselen tot zich te trekken. Jezus zei: „Niemand kan tot mij komen, tenzij de Vader, die mij heeft gezonden, hem trekt.” — Joh. 6:44.

Jezus’ aanmoediging om door positieve in plaats van negatieve gedachten tot God getrokken te worden, was niets nieuws. Op die dag van grote verheuging dat de ark van God door de levieten naar Jeruzalem werd gedragen, beklemtoonde koning David het feit dat Jehovah een positieve God is, een God van goedheid, toen hij in zijn danklied zong: „Dankt Jehovah, want hij is goed, want zijn liefderijke goedheid duurt tot onbepaalde tijd” (1 Kron. 16:34). Later, toen koning Salomo zijn inwijdingsgebed had uitgesproken, nadat de tempel was voltooid en de ark van God naar een meer permanente rustplaats was gebracht, wierpen alle zonen van Israël zich neer en riepen zij spontaan woorden van dank met betrekking tot Gods goedheid (2 Kron. 7:3). Ja, van oudsher heeft het volk van God Zijn bemoeienis met hen bezien als „de goede hand van onze God over ons”. — Ezra 8:18.

Direct vanaf de tijd van ’s mensen schepping heeft God Adam in de gelegenheid gesteld Zijn goedheid te erkennen als een basis om Hem te dienen. Hij verschafte hem alles wat hij nodig had (Gen. 2:9). Terwijl God eerst de aandacht vestigde op zijn liefderijke goedheid jegens Adam, ging hij ertoe over te zeggen: „Van elke boom van de tuin moogt gij tot verzadiging eten. Maar wat de boom der kennis van goed en kwaad betreft, gij moogt daarvan niet eten, want op de dag dat gij daarvan eet, zult gij beslist sterven” (Gen. 2:16, 17). Adam bevond zich reeds in een verhouding tot God als van een zoon tot een vader. Ongehoorzaamheid aan God zou die verhouding verbreken en daarom was ongehoorzaamheid iets dat terecht vermeden moest worden.

Deze kennisgeving was tot leiding van Adam en zijn nageslacht en vormde in geen enkel opzicht een belasting. Het gebod gaf de grenslijn aan: de begrenzing van Adams autoriteit — welke waarheid Adam moest weten — en ook de onvermijdelijke consequenties van het overschrijden van die begrenzing. De erkenning van Gods soevereiniteit was van wezenlijk belang.

EEN NEGATIEVE INSTELLING VERMIJDEN

Tegenwoordig zijn wij ongeveer zesduizend jaar verwijderd van de oorspronkelijke volmaaktheid die onze eerste ouders genoten. In onze onvolmaakte toestand, met zijn onvermijdelijke vooruitzichten op ziekte en dood, en daarbij de benauwende druk van dit verdorven samenstel van dingen, verbaast het ons niet te bemerken dat soms negatieve factoren mensen doen nadenken over God. De dood zelf zou beslist als negatief beschreven kunnen worden. Gods Woord beschrijft de dood als een „vijand” die uiteindelijk tenietgedaan zal worden (1 Kor. 15:26). De negatieve, droevige ervaring iemand van wie wij houden in de dood te verliezen, en vervolgens de positieve ervaring te vernemen over de wonderbaarlijke hoop van de opstanding der doden, kan tot gevolg hebben dat iemand tot God wordt getrokken.

Wij moeten dus beslist toegeven dat er tegenwoordig in het leven negatieve factoren bestaan, en deze kunnen een rol spelen in onze verhouding tot God. Wat wij echter niet uit het oog mogen verliezen is dat zelfs deze aanvankelijk droevige, negatieve gedachten kunnen leiden tot positieve resultaten in de geest en het hart van degene die verneemt over het mededogen, de hulp en de vertroosting die God in tijden van ernstige beproeving geeft. Dit trekt ons vervolgens tot Jehovah „de Vader der tedere barmhartigheden en de God van alle vertroosting”. — 2 Kor. 1:3.

In opvallende tegenstelling tot Gods wijze, die erin bestaat zijn schepselen tot zich te trekken, volgt Satan de Duivel de methode om anderen te dwingen tot onderwerping aan hem en zijn verdorven wegen. Vanaf de tijd dat hij begon als doodslager, leugenaar en tegenstander van alles wat goed en heilzaam is, heeft deze aartsvijand van Jehovah God dwang en vrees voor lijden gebruikt om mensen tot onderwerping aan zijn goddeloze wegen te brengen. — Hebr. 2:15.

In zijn sluwheid heeft de Duivel de negatieve denkwijze in iedere vorm van valse religie doen doordringen. Zo zijn bijvoorbeeld de onschriftuurlijke leringen van hellevuur en pijniging na de dood in de christenheid wijd verbreid. Ook religies die geen deel zijn van de christenheid, brengen dezelfde angstaanjagende gedachten over van duivelse straffen.a

Deze infiltratie van demonische gedachten in de aanbidding heeft tot gevolg gehad dat miljoenen oprechte mensen over het naderen tot God denken in termen van dwang, in de mening verkerend dat zij God op de een of andere wijze moeten dienen — hem moeten verzoenen — opdat zij niet een verschrikkelijke straf hoeven te ondergaan. De mate van bevreesdheid kan het hele scala doorlopen — van het uiterste van slaafse angst aan de ene kant tot het andere uiterste, religie volledig te mijden omdat men nu eenmaal het idee heeft dat God toornig, wreed, onverbiddelijk en moeilijk te behagen is.

Ware christenen zijn dankbaar dat dit naderen tot God, dat voortkomt uit angst voor straf, tot de dingen behoort waarvan de waarheid uit Gods Woord hen heeft bevrijd. Toch bestaat steeds het gevaar dat elk van ons op een veel subtielere wijze toch door soortgelijke negatieve gedachten geïnfecteerd zou kunnen worden. Hoe dat zo? Misschien zouden wij kunnen toelaten dat onze reden om God te dienen, te sterk beïnvloed wordt door gedachten aan straf voor onze fouten en tekortkomingen.

Daarom moeten wij voortdurend voor ogen houden dat ’wij allen vele malen struikelen’; ja, ’als Jehovah op dwalingen zou letten, wie zou dan stand kunnen houden?’ (Jak. 3:2; Ps. 130:3) Dit zal ons helpen een evenwichtige kijk te bewaren op onszelf en anderen, terwijl wij er voortdurend aan werken „de nieuwe persoonlijkheid . . . aan te doen, die naar Gods wil werd geschapen in ware rechtvaardigheid en loyaliteit” (Ef. 4:24). Deze evenwichtige kijk stelt ons in staat te beseffen dat hoewel bij ieder van ons vooruitgang openbaar dient te zijn in het aandoen van de nieuwe persoonlijkheid, niemand van ons het stadium bereikt dat hij niet meer zondigt en niet meer dagelijks vergeving voor zijn tekortkomingen nodig heeft. — 1 Joh. 2:1, 2.

Als onze fouten en tekortkomingen ons denken zouden beginnen te beheersen, zou de vreugde die wij voelden toen wij aanvankelijk tot God werden getrokken, aangetast kunnen worden, zelfs tot in die mate dat wij niet langer zouden dienen uit het zuivere motief van liefde voor Jehovah, zijn hoedanigheden en alles wat hij voor ons heeft gedaan. Daarom is het goed onszelf af te vragen: „Zijn het positieve of negatieve gedachten die mij ertoe brengen God te blijven dienen? Dien ik met een gewillig en gelukkig hart? Of dien ik mogelijkerwijs met de gedachte dat ik het moet vermijden in de snel naderbij komende dag van Har–mágedon vernietigd te worden?” — Pred. 12:13; Openb. 16:15, 16.

DOOR POSITIEVE GEDACHTEN GETROKKEN WORDEN

Ons veeleer door positieve dan door negatieve gedachten tot God te laten trekken en die gedachten ons er dan toe te laten brengen hem met een gelukkig hart te blijven dienen, doet niet af aan het feit dat wij van onze kant moeite moeten doen. De apostel Paulus is een voortreffelijk voorbeeld van iemand wiens geluk en voortdurend goede geest ervan getuigden dat hij God diende met een positieve geestesgesteldheid en een diepgewortelde vreugde. Niettemin zei hij over zichzelf dat het voor hem nodig was ’hard te zijn voor zijn lichaam en het te leiden als een slaaf’ (1 Kor. 9:27). Zolang wij in het onvolmaakte vlees zijn, dient ieder van ons ’de voortreffelijke strijd van het geloof’ op vele verschillende manieren te strijden. — 2 Tim. 4:7.

Vaak ’is het vermogen om te wensen bij ons aanwezig, maar is het vermogen om het voortreffelijke uit te werken niet aanwezig’ en hoewel wij werkelijk behagen scheppen in de wet van God, merken wij soms dat ’een andere wet strijd voert tegen de wet van ons verstand en ons in gevangenschap voert aan de wet der zonde’ (Rom. 7:14-25). Maar ons door positieve gedachten over Gods goedheid te laten motiveren, is daarom zo allesovertreffend superieur omdat dan vreugde, geluk en verrukking in ons leven overheersen. Dit vormt meer dan voldoende compensatie voor welke zelfdiscipline maar ook die wij onszelf moeten opleggen. — Gal. 5:22, 23.

DICHTER TOT GOD GETROKKEN WORDEN

Wat kunnen wij dan doen om een positieve gemoedstoestand en een geestelijke kijk te verkrijgen en te behouden? Ten eerste dienen wij ons bewust te zijn van de noodzaak negatieve, verzwakkende gedachten en angst voor falen volledig uit onze geest te bannen en ze te vervangen door de opbouwende, positieve, versterkende beloften van God die in zijn geschreven Woord, de bijbel, gevonden worden. Het lezen en bestuderen van de bijbel dient een vast onderdeel van ons dagelijkse leven te zijn. Wij dienen ons ten doel te stellen grondiger te studeren, waarbij wij als wij mediteren over wat wij lezen, de krachtige wijsheid van Jehovah God onze geest en ons hart laten vervullen.

Wij dienen er moeite voor te doen onze gebeden zinvoller en specifieker te maken en misschien iedere dag veelvuldiger te bidden. Openen wij ons hart voor God? Danken wij hem dagelijks voor zijn grootse hoedanigheden en voor de vele zegeningen die wij ontvangen? En houden wij soms ook aan in het gebed? — Rom. 12:12.

Dit zijn elementaire dingen. Toch zijn het eenvoudige, niet falende manieren om te verzekeren dat positieve en niet negatieve gedachten ons tot God trekken. Ook zullen ze ons de zekerheid geven dat als wij eenmaal tot hem zijn getrokken, wij hem met een gelukkig hart zullen kunnen blijven dienen, nu en tot in alle komende tijden. — Jer. 9:24.

[Voetnoten]

a Zie bladzijde 104 van het boek Goed nieuws dat u gelukkig kan maken, uitgegeven door het Wachttorengenootschap, waarop een boeddhistische schriftrol staat afgebeeld die de pijnigingen toont waaraan de slechte zielen in de „hel” worden onderworpen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen