Iets nieuws in verband met Gods naam?
OP DE vorige bladzijden hebben wij enkele verrassende nieuwe bewijzen beschouwd over het gebruik van Gods naam in de tijd dat Jezus en de apostelen op aarde waren.
Beseft u tot welke conclusie men op grond van dit bewijsmateriaal moet komen? In hoeverre houdt het verband met wat u in de bijbel dient aan te treffen en hoe u persoonlijk Gods naam beziet? Beschouwt u eens de conclusies van een bekende autoriteit die de bewijzen welke de handschriften leverden, heeft bestudeerd:
In de Journal of Biblical Literature (Deel 96, No. 1, 1977, blz. 63-83) wijdde G. Howard, lector in de godsdienstleer aan de universiteit van Georgia (V.S.) ruim een jaar geleden een grondige bespreking aan de hierbij betrokken strijdpunten. Zijn artikel begint als volgt:
„Door recente ontdekkingen in Egypte en de woestijn van Judéa zien wij uit de eerste hand het gebruik van Gods naam in voorchristelijke tijden.”
Vervolgens besprak hij de onlangs gepubliceerde Griekse teksten uit de voorchristelijke periode, die u op de voorgaande bladzijden afgebeeld hebt gezien. Over de voorheen aanvaarde zienswijze dat in de Septuaginta altijd de Griekse titel Kurios voor Gods naam in de plaats werd gesteld, lezen wij:
„Op grond van deze vondsten kunnen wij nu met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zeggen dat de goddelijke naam, יהוה, in de voorchristelijke Griekse bijbel niet door [Kurios] werd weergegeven, zoals zo vaak is gedacht.”
En wat valt er over de grote hoeveelheid Dode-Zeerollen te zeggen? Professor Howard schrijft:
„Het belangrijkste dat wij uit dit patroon van gevarieerd gebruik van de goddelijke naam kunnen opmaken, is waarschijnlijk wel dat het tetragram als bijzonder heilig werd beschouwd. . . . Bij het afschrijven van de bijbeltekst zelf werd het tetragram zorgvuldig behoed. Deze bescherming van het tetragram strekte zich zelfs tot de Griekse vertaling van de bijbeltekst uit.”
HOE STAAT HET ECHTER MET JEZUS EN ZIJN DISCIPELEN?
Al het voorgaande mag dan van speciaal belang zijn voor geleerden, maar hoe staat het met uw bijbel in verband? Welke kijk dient u op het gebruik van Gods persoonlijke naam te hebben?
Professor Howard trekt enkele belangrijke conclusies. Allereerst zet hij uiteen:
„Wij weten zeker dat Grieks-sprekende joden יהוה in hun Griekse Geschriften bleven schrijven. Bovendien is het zeer onwaarschijnlijk dat vroege conservatieve Grieks-sprekende joodse christenen van deze gewoonte afweken. . . . Het zou bijzonder ongewoon voor hen zijn geweest wanneer zij het tetragram uit de bijbeltekst zelf verwijderden.”
Wat deden de schrijvers van de christelijke Griekse Geschriften wanneer zij uit de boeken van de Hebreeuwse bijbel aanhalingen deden, hetzij uit het oorspronkelijke Hebreeuws of uit een Griekse vertaling? Gebruikten zij het tetragram wanneer het in de bron waaruit zij citeerden, voorkwam? Gebaseerd op het nu beschikbare bewijsmateriaal legt professor Howard uit:
„Aangezien het tetragram nog steeds in de exemplaren van de Griekse bijbel, die de Schrift van de vroege kerk vormden, voorkwam, is het redelijk te geloven dat de schrijvers van het N[ieuwe] T[estament] bij het doen van aanhalingen uit de Schrift, het tetragram in de bijbeltekst bewaarden. Naar analogie van de voorchristelijke joodse gewoonte kunnen wij ons voorstellen dat de NT-tekst het tetragram in zijn OT-citaten opnam.”
Waarom ontbreekt het tetragram dan in alle bestaande exemplaren van het „Nieuwe Testament”? Zou Gods naam na de dood van de apostelen verwijderd kunnen zijn? De bewijzen tonen aan dat dit inderdaad is gebeurd. Professor Howard vervolgt:
„Het tetragram zal in deze citaten natuurlijk zijn blijven bestaan zolang men het in de christelijke exemplaren van de LXX bleef gebruiken. Maar toen het uit het Griekse OT werd verwijderd, werd het ook uit de citaten van het OT in het NT verwijderd.”
„Dus ergens omstreeks het begin van de tweede eeuw moet het gebruik van surrogaten [vervangingen voor Gods naam] het tetragram in beide Testamenten hebben verdrongen. Weldra was de goddelijke naam geheel en al voor de kerk der heidenen verloren gegaan, behalve voor zover hij in de aanvaarde surrogaten werd weerspiegeld of af en toe door geleerden werd gebruikt.” (Wij cursiveren)
DIT IS NIEUW! OF MISSCHIEN OOK NIET?
Veel geleerden zullen bij het lezen van de Journal of Biblical Literature misschien verbaasd geweest zijn over de conclusie die werd getrokken, namelijk, dat de goddelijke naam Jehovah (Jahweh) in het „Nieuwe Testament” voorkwam toen het oorspronkelijk werd geschreven. Deze conclusie kan nieuw geschenen hebben, want ze vertegenwoordigt een totale ommekeer met betrekking tot de lang gehuldigde mening dat christelijke schrijvers het gebruik van de goddelijke naam vermeden. Is ze echter nieuw?
Reeds in 1796 heeft Dominikus von Brentano de goddelijke naam op plaatsen in zijn Duitse vertaling van het „Nieuwe Testament” gebruikt. Beschouwt u bijvoorbeeld eens Markus 12:29, die u hier ziet afgedrukt. Men had Jezus de vraag gesteld: „Wat is het belangrijkste gebod?” In Brentano’s vertaling lezen wij vervolgens: „Het allerbelangrijkste gebod, zo antwoordde Jezus, is het volgende: Hoor Israël! Jehovah, onze God, is de enige God.”
29. Das allervornehmste Gebot, antwortete Jesus, ist dieß: Höre Israel! Jehovah, unser Gott, ist der einige Gott◊).
Had Brentano er goede redenen voor te laten zien dat Jezus de goddelijke naam uitsprak? Ja, want Jezus haalde Deuteronomium 6:4 aan, waarin het tetragram voorkomt. Jezus was beslist niet aan tradities gebonden, zoals van de meeste joodse religieuze leiders gezegd kon worden, want Jezus ’onderwees als iemand die autoriteit had, en niet zoals de schriftgeleerden’ (Matth. 7:29). Christus zei openlijk dat hij de naam van zijn Vader wilde verheerlijken, zowel zijn werkelijke naam als alle voornemens en verrichtingen die met die naam verband hielden (Joh. 12:28). En tegen het einde van zijn aardse leven zei hij dat hij de naam van zijn Vader had bekendgemaakt. Brentano had er als vertaler derhalve een logische basis voor om Jezus voor te stellen als iemand die Gods naam gebruikte wanneer hij een tekst aanhaalde waarin die naam voorkwam. — Joh. 17:6, 26.
Evenzo bevat alleen al Matthéüs’ evangelieverslag meer dan 100 aanhalingen uit de Hebreeuwse Geschriften. In 1950 werd in het voorwoord van de Engelse uitgave van de Nieuwe-Wereldvertaling van de christelijke Griekse Geschriften over Matthéüs opgemerkt: „Wanneer in deze aanhalingen de goddelijke naam voorkwam, zou hij verplicht zijn het tetragram getrouw op te nemen.”
Deze vertaling kwam in 1950 tot dezelfde fundamentele conclusie die later, in 1977, in de Journal of Biblical Literature werd uiteengezet. Met betrekking tot de bewijzen die te kennen geven dat de schrijvers van het „Nieuwe Testament” het tetragram tegenkwamen, of zij nu schriftplaatsen uit de Hebreeuwse tekst of uit de Griekse Septuaginta aanhaalden, verklaarde het voorwoord van de Engelse uitgave van de Nieuwe-Wereldvertaling van de christelijke Griekse Geschriften:
„De hedendaagse vertaler is gerechtigd de goddelijke naam als een equivalent van [de Griekse woorden voor „Here” en „God”] te gebruiken op plaatsen waar Matthéüs en anderen verzen, passages en uitdrukkingen uit de Hebreeuwse Geschriften of uit de LXX aanhalen waarin de goddelijke naam voorkomt.”
Het standpunt dat in 1977 door professor Howard werd uiteengezet, is dus niet helemaal nieuw. Het brengt echter schitterend nieuw bewijsmateriaal aan het licht dat niet beschikbaar was toen de Nieuwe-Wereldvertaling van de christelijke Griekse Geschriften (Engelse uitgave) in 1950 237 maal „Jehovah” in het „Nieuwe Testament” gebruikte.
Gods naam heeft dus beslist een plaats in bijbelvertalingen. Hij behoort daar te zijn, ten einde gebruikt en gewaardeerd te worden door alle ware aanbidders die willen doen wat Jezus deed — de naam van zijn Vader verheerlijken en die bidden: „Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd.” — Matth. 6:9, Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap.
[Illustratie op blz. 9]
De Nahal Hever, gezien in oostelijke richting, met op achtergrond de Dode Zee