Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w78 15/7 blz. 20-24
  • Geloof in een opstanding — Is het op feiten gebaseerd?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Geloof in een opstanding — Is het op feiten gebaseerd?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • EEN CENTRALE HOOP VOOR DE MENSHEID
  • BEWIJZEN VAN CHRISTUS’ DOOD
  • GETUIGENIS MET BETREKKING TOT CHRISTUS’ OPSTANDING
  • GETUIGENIS VAN DE PROFETIEËN
  • JEZUS’ EIGEN WOORDEN
  • Het wonder van de opstanding
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
  • Wat betekent Jezus’ opstanding voor ons?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2014
  • De opstanding van Jezus: Waargebeurd?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2013
  • Opstanding
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
w78 15/7 blz. 20-24

Geloof in een opstanding — Is het op feiten gebaseerd?

Gelooft u dat mensen uit de dood opgewekt kunnen worden om weer te leven? Zo ja, waarom? Zo niet, waarom niet? Indien u niet in een opstanding gelooft, zult u misschien zeggen: ’Ik heb nog nooit iemand uit de dood zien opstaan.’ Maar wil het feit dat wijzelf een bepaalde gebeurtenis nog nooit hebben gezien, zeggen dat deze zich niet heeft voorgedaan? Om iets te kunnen geloven, moet u natuurlijk het bewijs hebben dat het is gebeurd (Hebr. 11:1). Is zo’n bewijs beschikbaar?

Ja, inderdaad. En het is het soort van bewijsmateriaal dat u voor elke historische gebeurtenis die zich heeft voorgedaan zou verwachten — bewijzen van ooggetuigen en anderen, en bewijzen van de uitwerking ervan op de geschiedenis.

EEN CENTRALE HOOP VOOR DE MENSHEID

In de bijbel worden bewijzen vermeld dat mensen zowel vóór als na Jezus’ verschijning op aarde uit de dood werden opgewekt (1 Kon. 17:21, 22; 2 Kon. 4:32-35; Joh. 11:43; Mark. 5:41, 42). Het belangrijkste bewijs, waardoor tevens hoop wordt gegeven dat de mensheid in het algemeen tot leven zal worden opgewekt, is echter de opstanding van Jezus Christus. Of wij individueel hoop op leven na de dood kunnen koesteren, hangt af van het feit of Christus uit de dood is opgewekt. Vooral in verband met deze leer kregen de apostelen en de andere vroege christenen veel bespotting en lijden te verduren. — Hand. 4:1-3; 17:32; 23:6, 10; 24:18-21.

De apostel Paulus zei tot een grote groep geleerden en filosofen in de stad Athene:

„[God] heeft een dag vastgesteld waarop hij voornemens is de bewoonde aarde in rechtvaardigheid te oordelen door een man die hij heeft aangesteld, en hij heeft alle mensen een waarborg verschaft doordat hij hem uit de doden heeft opgewekt.” Verder zei Paulus tot christelijke gelovigen: „Indien er werkelijk geen opstanding van de doden is, dan is ook Christus niet opgewekt. Maar indien Christus niet is opgewekt, is onze prediking stellig vergeefs, en ons geloof is vergeefs.” — Hand. 17:31; 1 Kor. 15:13, 14.

BEWIJZEN VAN CHRISTUS’ DOOD

Laten wij eens enkele van de bewijzen verschaffen en aan een onderzoek onderwerpen. In de eerste plaats hebben wij de verslagen van degenen die hebben gezien dat Christus ter dood werd gebracht en werd begraven. Er bestaat geen twijfel over dat de Romeinen hem, in opdracht van de joodse leiders, werkelijk ter dood hebben gebracht. Men had al eerder geprobeerd hem ter dood te brengen (Luk. 4:28, 29; Joh. 5:18; 8:59; 11:53). Toen de joodse leiders zijn dood eisten, gingen zij zo ver dat zij tot de Romeinse bestuurder Pilatus riepen: „Zijn [Jezus’] bloed kome over ons en over onze kinderen” (Matth. 27:25). Zij intimideerden Pilatus ook met een politieke bedreiging (Joh. 19:12). De joodse tegenstanders, en vooral Christus’ bitterste vijanden, de opperpriesters en leiders, zouden beslist niet oogluikend hebben toegelaten dat hij gefingeerd „dood” ging. Zij zouden erop toezien dat hij werkelijk dood was. In ieder geval hadden zij de afloop niet in handen en werd hij door de Romeinen veroordeeld en ter dood gebracht. De Romeinse geschiedschrijver Tácitus (c. 110 G.T.) schreef over christenen: „De naam is afgeleid van Christus, die tijdens de regering van Tiberius door de procurator Pontius Pilatus ter dood was gebracht.”a Ook de joodse Talmoed bericht dat Jezus (aan een paal) werd opgehangen. Deze en andere niet-christelijke historische verslagen ondersteunen het feit dat zelfs Jezus’ tegenstanders nooit aan de historische echtheid van Jezus of zijn dood hebben getwijfeld.

GETUIGENIS MET BETREKKING TOT CHRISTUS’ OPSTANDING

Met betrekking tot Christus’ opstanding zijn er niet minder dan vier mannen die in het openbaar getuigden dat zij Jezus na zijn opstanding hadden gezien, terwijl in een van hun verslagen wordt gezegd dat hij door meer dan 500 christelijke discipelen werd gezien (Matth. 28:16, 17; Joh. 20:19; 21:1, 2; Hand. 1:15, 22; 1 Kor. 15:6-8). Iemand zou echter kunnen zeggen: ’Ja, maar dit zijn allemaal bijbelverslagen, geschreven door christenen. Hoe weten wij dat ze waar zijn?’

Om die vraag te beantwoorden, zouden wij kunnen vragen: Hoe verklaart u anders de ijver waarmee zoveel mensen die opstanding bekendmaakten? Zelfs hun vijanden beweerden dat christenen ’Jeruzalem en Judéa, ja, de gehele wereld, ondersteboven hadden gekeerd’ door de ijver waarmee zij van Christus’ opstanding getuigden (Hand. 5:28; 17:6). Door vervolging en andere factoren werden zij verstrooid en werd deze leer dermate bekendgemaakt dat hun ijver van Rome tot Mesopotamië door de Romeinse wereld werd opgemerkt.

Beschouw met betrekking tot de waarheidsgetrouwheid van deze vroege christenen de volgende verklaring door de bijbelgeleerde A. J. Maas:b

„Om kort te gaan, het feit van Christus’ opstanding wordt derhalve gestaafd door meer dan 500 ooggetuigen, die als gevolg van wat zij hebben meegemaakt en wegens hun eenvoud en oprechte levenswijze onmogelijk zo’n fabel hadden kunnen verzinnen, die in een tijd leefden waarin elke poging tot bedrog gemakkelijk ontdekt had kunnen worden, die door hun getuigenis niets in dit leven te winnen maar alles te verliezen hadden, en wier morele moed, zoals die in hun apostolische leven tot uitdrukking werd gebracht, alleen kan worden verklaard door hun grondige overtuiging van de objectieve waarheid van hun boodschap. Bovendien wordt het feit van Christus’ opstanding gestaafd door het veelzeggende stilzwijgen van de Synagoge, die alles had gedaan om bedrog te voorkomen, die bedrog gemakkelijk had kunnen ontdekken indien dat in het spel was geweest, die tegenover het getuigenis van de apostelen alleen maar konden stellen dat haar getuigen sliepen, die de zogenaamde zorgeloosheid van de officiële wacht niet bestrafte en die het getuigenis van de apostelen niet kon weerleggen, behalve door hun met dreigementen te gebieden ’tot geen enkel mens meer in deze naam te spreken’ (Handelingen, iv, 17). En ten slotte zijn er de duizenden en miljoenen, zowel joden als heidenen, die het getuigenis van de apostelen geloofden, ondanks alle nadelen die aan zulk een geloof verbonden waren; kortom, de oorsprong van de Kerk is alleen te verklaren wanneer Christus’ opstanding een realiteit is, want de opkomst van de Kerk zonder de opstanding zou een groter wonder zijn dan de opstanding zelf.”

Met een overeenkomstig argument kunnen wij de onwaarachtigheid weerleggen van de beschuldigingen van de zijde van Jezus’ vijanden dat de opstanding een bedrog was, dat zijn lichaam werd gestolen of dat de opstanding een ingebeelde hallucinatie of een samenspanning was. Het is duidelijk dat de getuigen van de opstanding beslist geen machtige of invloedrijke personen waren die de wachten die bij het graf geplaatst waren, konden overwinnen of omkopen. Een samenspanning onder zo velen is hoogst onwaarschijnlijk, vooral omdat het om iets ging dat hun geen persoonlijk gewin bracht. Het getuigenis dat zij met betrekking tot de opstanding gaven, kan geen zelfzuchtige beweegreden hebben gehad; het stelde hen bloot aan lijden en de dood. Zij gaven hun getuigenis uitgerekend op de plaats waar de bitterste vijanden waren, waar bedrog beslist ontdekt had kunnen worden. En zij wachtten niet, maar gaven toen getuigenis, terwijl de woede van de joden haar hoogtepunt had bereikt. Indien het slechts om een visioen of iets denkbeeldigs ging, zou het redelijkerwijs van iets geweest zijn wat zij verwachtten; maar Jezus, verschijning na zijn opstanding was in hun wanhoop en terneergeslagen toestand een grote verrassing voor hen — het onverwachte. Ja, het was precies datgene wat hun de moed gaf om getuigenis te geven, een moed die onder de wreedste vervolging niet te gronde gericht kon worden.

Ten aanzien van deze uiterst belangrijke kwestie is het nuttig het krachtige argument te beschouwen van nog een eminente geleerde en archeoloog, George Rawlinson, die schreef:c

„De vroege bekeerlingen wisten dat er te allen tijde van hen verlangd kon worden dat zij voor hun religie de dood ondergingen. Bij hun prediking en onderwijs hadden zij altijd het zwaard, het kruis, de beesten en de paal voor ogen. . . . en elke vroege schrijver die het christendom voorstond, trotseerde door het feit dat hij het christendom verdedigde de burgerlijke macht en stelde zich aan een overeenkomstig lot bloot. Wanneer geloof een kwestie van leven en dood is, aanvaarden mensen niet gemakkelijk de eerste de beste geloofsovertuiging die hun toevallig aanstaat; ook plaatsen zij zich niet openlijk in de rijen van een vervolgde sekte, tenzij zij de beweringen van de religie die deze belijdt goed hebben overwogen en zich ervan hebben overtuigd dat deze de waarheid is. Het is duidelijk dat de vroege bekeerlingen over veel betere mogelijkheden beschikten om de historische nauwkeurigheid van het christelijke verhaal vast te stellen dan wij; zij konden de getuigen verhoren en ondervragen — hun verscheidene verslagen vergelijken — informeren hoe hun verklaringen door hun tegenstanders werden opgevat — heidense documenten uit die tijd raadplegen — het bewijsmateriaal grondig en volledig uitpluizen. Alles bij elkaar — en wij moeten in gedachten houden dat het bewijsmateriaal cumulatief is — vormt een bewijslevering zoals zelden verschaft kan worden met betrekking tot gebeurtenissen die in lang vervlogen tijden zijn geschied, en bevestigt zonder enige redelijke twijfel de waarheid van het Christelijke Verhaal. Dat verhaal draagt . . . in geen enkel opzicht een mythisch karakter.”

GETUIGENIS VAN DE PROFETIEËN

Bovendien zij er nog andere bewijzen. Indien Christus’ opstanding werd voorzegd voordat deze zich ook maar had voorgedaan, zou dit dan niet een treffend bewijs van de werkelijkheid ervan zijn? Want hoe zou zulk een bewijs „in elkaar gezet” kunnen worden, vooral wanneer dit inhield dat de Messías door zijn eigen volk gedood zou worden, door degenen die vanaf Abrahams tijd, bijna 2000 jaar voordien, naar hem hadden uitgezien? In de Hebreeuwse Geschriften, die de joden eeuwenlang als hun wetboek en het documentaire verslag van hun nationale geschiedenis hadden onderhouden, treffen wij het vooraf gegeven getuigenis aan. In de achtste eeuw v.G.T. beschreef de profeet Jesaja Jezus’ dood op aanstichting van zijn eigen volk, de joden:

„Hij was veracht en werd gemeden door de mensen . . . Hij was veracht, en wij achtten hem als van geen belang. . . . Hij werd net als een schaap ter slachting geleid; . . . hij werd afgesneden uit het land der levenden. . . . En hij zal zijn grafstede zelfs bij de goddelozen stellen, en bij de rijke klasse in zijn dood.” — Jes. 53:3-9.

Over het feit dat God hem weer tot het leven zou opwekken, vervolgde de profeet met te zeggen: „Indien gij zijn ziel tot een schuldoffer zult stellen, zal hij zijn nageslacht zien, zal hij [doordat hij is opgewekt] zijn dagen verlengen, en in zijn hand zal hetgeen het welbehagen van Jehovah is, gelukken. . . . de rechtvaardige, mijn knecht, [zal] velen in een positie van rechtvaardigen brengen; en hun dwalingen zal hijzelf torsen.” — Jes. 53:10, 11.

De latere profeet Daniël voorzei zijn offerandelijke dood:

„En na de tweeënzestig weken [in werkelijkheid in 33 G.T.] zal Messías worden afgesneden, met niets voor zichzelf. . . . hij [zal] slachtoffer en offergeschenk [in de tempel der joden] doen ophouden [aangezien hij ze door het werkelijke offer van zijn leven vervangt].” — Dan. 9:26, 27.

Koning David voorzei profetisch een opstanding uit Sjeool, het graf, en de apostel Petrus paste de profetie op Jezus Christus toe. Vijftig dagen na Christus’ opstanding sprak hij tot 3000 joden die erkenden dat de profetie op Jezus betrekking had en Petrus’ verklaring aanvaardden. Petrus zei:

„God heeft [Jezus] opgewekt door de smarten van de dood te ontbinden, want het was niet mogelijk dat hij daardoor blijvend werd vastgehouden. Want David zegt met betrekking tot hem: ’Ik had Jehovah voortdurend voor ogen, want hij is aan mijn rechterhand, opdat ik nimmer zou wankelen. . . . Bovendien zal zelfs mijn vlees in hoop verblijven, want gij zult mijn ziel in Hades niet verlaten, noch zult gij toelaten dat hij die jegens u loyaal is, het verderf ziet.’ . . . Omdat [David] een profeet was en wist dat God hem met een eed had gezworen dat hij een uit de vrucht van zijn lendenen op zijn troon zou doen zitten, voorzag hij en sprak hij over de opstanding van de Christus, dat hij niet werd verlaten in Hades en dat zijn vlees het verderf niet heeft gezien. Deze Jezus heeft God opgewekt, van welk feit wij allen getuigen zijn.” — Hand. 2:24-32: vergelijk Psalm 16:10.

De apostel Paulus wees ook op de veertigste psalm als een psalm die op het offer van Jezus Christus van toepassing was. Paulus beschrijft hoe Jezus ten tijde van zijn doop zei: „Gij hebt mij een lichaam bereid . . . Zie! Ik ben gekomen . . . om uw wil te doen.” Paulus voegt hieraan toe: „Krachtens de genoemde ’wil’ zijn wij geheiligd door middel van het offer van het lichaam van Jezus Christus, eens voor altijd.” — Hebr. 10:5, 7, 10; Ps. 40:6-8.

Er bestaat stellig een opmerkelijk verband tussen deze eeuwen tevoren uitgesproken profetieën en Jezus’ dood en opstanding. Met het oog op alle hierbij betrokken factoren, kan de situatie onmogelijk door Jezus zijn gearrangeerd, terwijl het verhaal ook niet door zijn apostelen in elkaar kan zijn gezet.

JEZUS’ EIGEN WOORDEN

Bovendien begon Jezus tijdens het Paschafeest na zijn doop over zijn naderende dood en opstanding te spreken, alhoewel zijn discipelen pas nadat de gebeurtenissen zelf zich hadden voorgedaan, konden terugzien en konden begrijpen wat hij bedoelde. De apostel Johannes maakt melding van zo’n voorval in dit vroege stadium van Jezus’ omgang met hen, toen Jezus tot de joden zei: „Breekt deze tempel af en in drie dagen zal ik hem oprichten.” Johannes voegt hieraan toe: „Hij sprak . . . over de tempel van zijn lichaam. Toen hij evenwel uit de doden was opgewekt, herinnerden zijn discipelen zich dat hij dit meermalen had gezegd, en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus had gesproken.” — Joh. 2:19, 21, 22; vergelijk Matthéüs 12:40; 16:21-23; Mark. 8:31; 10:33, 34.

Aangezien de waarheid over de opstanding de enig mogelijke hoop betreft voor degenen die zijn gestorven, en voor de gehele mensheid die de verwachting heeft te sterven, dient ze voor allen van het grootste belang te zijn, niet alleen voor degenen die in het christendom geloven, maar voor mensen overal ter wereld.

De meeste mensen houden van het leven en zouden graag willen dat het oneindig werd verlengd als het met gezondheid en tevredenheid gepaard zou gaan. Zij luisteren dagelijks naar nieuwsberichten, in de hoop goed nieuws te horen over vrede, vooruitgang in de oorlog tegen ziekte en betere economische toestanden. Zij luisteren naar degenen die getuigenis afleggen van dagelijkse gebeurtenissen en aanvaarden de historische verslagen die door mensen zijn geschreven, terwijl zij zelfs geschiedenis gebruiken als een basis voor het maken van plannen voor de toekomst. Hoeveel belangrijker en zinvoller is het derhalve met een open geest het overvloedige bewijsmateriaal voor Christus’ opstanding te beschouwen, want hierop is de hoop en belofte van leven in geluk voor de mensheid gebaseerd!

[Voetnoten]

a Annales (XV, 44).

b The Catholic Encyclopedia (uitgave van 1913), Deel XII, blz. 790.

c The Historical Evidences of the Truth of the Scripture Records, blz. 225-227.

[Illustratie op blz. 21]

„Christus’ opstanding wordt . . . gestaafd door meer dan 500 ooggetuigen . . . die in een tijd leefden waarin elke poging tot bedrog gemakkelijk ontdekt had kunnen worden”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen