Een toekomstig examen voor een afgestudeerde klas
OP 10 april 1977 studeerden de studenten van de tweeënzestigste klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead af. Behalve de slotopmerkingen van de twee vaste leraren U. V. Glass en K. Adams, omvatte het programma ook onderzoekende lezingen door leden van het besturende lichaam van Jehovah’s Getuigen. A. D. Schroeder, die zelf jarenlang leraar op de school is geweest, was voorzitter. Hoewel het schoolexamen reeds vier dagen achter de rug was, brachten de graduatielezingen de studenten ertoe zich te onderzoeken en maakten ze hen opmerkzaam op een examen dat nog in het verschiet lag.
W. K. Jackson herinnerde de aanwezigen aan de graduatie van de eerste klas van de Gileadschool in 1943. De president van het Wachttorengenootschap, N. H. Knorr, had toen tot de afgestudeerde klas gezegd: ’Jullie kunnen moeilijkheden verwachten, waarvoor volharding nodig is, maar Jehovah God zal jullie schragen.’ Zouden zij volharden? Hoe stond het met de tweeënzestigste klas? Jackson zei dat hij onlangs afgestudeerden van de eerste klas had ontmoet die in het buitenland nog steeds in de volle-tijddienst zijn. Zij vertelden hem over hun ervaringen, terwijl zij zich er heel goed van bewust waren dat Jehovah hen geschraagd had. „Jehovah zal ook jullie niet in de steek laten”, verzekerde Jackson deze nieuwe zendelingengroep die binnenkort zou vertrekken om in twaalf landen dienst te verrichten.
Met veel gevoel stelde de volgende spreker de klas ervan in kennis dat zij nog veel moesten leren. „Jullie zullen eeuwig op Jehovah’s permanente school van levengevend onderricht blijven”, zei G. D. Gangas. Over een van de grote lessen welke zij op die school zouden leren, merkte hij op: „Wij zijn allen besmet met trots en jaloezie. Zeg niet dat jullie hier vrij van zijn. Dit is niet waar. Wij moeten deze eigenschappen kwijtraken.” Ten einde hierbij hulp te bieden, spoorde hij hen ertoe aan de raad in Galáten 6:3 ter harte te nemen.
E. C. Chitty, die eveneens een diepgaande bespreking hield en elk ertoe aanspoorde zijn beweegredenen te onderzoeken, sprak eerst over dienst op het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn, New York, en vervolgens over zendingswerk. Hij gaf de raad: „Laat persoonlijk geluk geen beslissende factor zijn” of je in je toewijzing zult blijven of niet. Geluk spruit voort uit het doen van Jehovah’s wil. Soms is er volharding nodig, maar vertrouwen in Jehovah’s regeling wordt getoond door zelfs met persoonlijke opofferingen bereidwillig dienst te verrichten. Hij wees op Jezus’ eigen voorbeeld — in zijn gebed in Johannes 12:27, 28 — en dat van de apostel Paulus, zoals in Handelingen 20:23, 24 wordt uiteengezet, en verklaarde dat wij allen ons daaraan dienen te spiegelen.
K. F. Klein haakte prachtig in op wat er reeds was gezegd toen hij de studenten waarschuwde: „Een van de belangrijkste en toch moeilijkste lessen die geleerd moet worden, is die van ootmoedigheid des geestes.” Hij beklemtoonde vooral hoe belangrijk deze eigenschap is om met medezendelingen te kunnen opschieten, en hij illustreerde hoe het streven naar een grotere persoonlijke erkenning tot gevolg zou kunnen hebben dat men het prachtige dienstvoorrecht dat men bezit, uit het oog verliest. Hij besloot: „Jullie zullen ten volle van jullie voorrecht als zendeling genieten als jullie er tevreden mee zijn de minste te zijn.”
Voordat de diploma’s werden uitgereikt, sprak ook F. W. Franz de klas toe. Hij herinnerde hen aan het schoolexamen dat zij hadden afgelegd, maar trok toen hun aandacht door te vragen: „Hebben jullie al het belangrijkere en ernstiger examen of onderzoek van jullie nieren achter de rug?” Hij toonde aan de hand van Job 19:27 aan dat „nieren” in de bijbel vaak de diepste schuilhoeken van iemands wezen vertegenwoordigen. Wanneer in Jeremia 17:10 wordt gezegd dat Jehovah ’de nieren onderzoekt’, zo legde Franz uit, is dit geen medisch onderzoek, maar een onderzoek dat in een rechterlijke hoedanigheid geschiedt. Na hun graduatie, zo zette de spreker uiteen, zullen de zendelingen zulk een onderzoek of examen van hun nieren ondergaan. Hoe? Doordat zij met nieuwe situaties in het leven te maken krijgen. Wanneer zij op de proef worden gesteld, wat zullen zij dan diep van binnen blijken te zijn? Hoewel de psalmist David een zondaar was, was hij niet bang voor zo’n onderzoek door God (Ps. 26:1-3). Ook wij dienen dit niet te zijn. In zijn besluit gaf Franz de raad: „Weest ware christenen, geen huichelachtige, valse christenen. Weest tot in het diepst van jullie persoonlijkheid echte christenen. Als jullie dat zijn, zullen jullie het onderzoek van jullie nieren tot jullie eeuwige welzijn met glans doorstaan en een reine geestelijke gezondheidspas ontvangen.”
Later op de dag, na een bespreking van De Wachttoren, verzorgden de studenten een ontspannend, veeltalig programma, en ook voerden zij twee prachtige drama’s op: „Jongeren, wat is jullie doel in het leven?” en „De schriftuurlijke versiering van christelijke vrouwen”.
Allen die het programma bijwoonden, beseften dat wat er over het geestelijke onderzoek of examen was gezegd, en ook de raad in de drama’s, niet alleen voor de zendelingen bestemd was. Iedereen bemerkte dat hij zich afvroeg: ’Ben ik werkelijk de soort van christen die ik behoor te zijn?’