Het boek Jakobus — aanmaning tot praktisch christendom
HET ware christendom is praktisch. Het is niet louter een kwestie van geloven of beweren een christen te zijn. Het is een kwestie van Gods wil DOEN, in navolging van Jezus Christus. Christus heeft dit feit zowel door middel van illustraties beklemtoond als door zijn duidelijke woorden: „Waarom dan noemt gij mij ’Heer! Heer!’ maar doet niet de dingen die ik zeg?” Werkelijk Gods wil doen, zou het thema van Jakobus’ boek genoemd kunnen worden, want hij beklemtoont hierin de noodzaak van christelijke werken en een christelijk gedrag. — Luk. 6:46-49.
Wie was deze Jakobus? Hij was beslist niet de apostel Jakobus, de zoon van Zebedéüs, want die Jakobus stierf al tamelijk vroeg de marteldood (Hand. 12:2). De door Jakobus beschreven omstandigheden doen een veel latere datum veronderstellen.
Jezus had een halfbroer met de naam Jakobus die, samen met zijn broers, na Jezus’ dood en opstanding een gelovige werd (Hand. 1:14). Jezus is na zijn opstanding speciaal aan zijn halfbroer Jakobus verschenen (1 Kor. 15:7). Ook was deze halfbroer ongetwijfeld de Jakobus die een van de belangrijkste „pilaren” in de vroege christelijke gemeente was (Hand. 12:17; 15:13; 21:18; Gal. 1:19; 2:9, 12). Maar als deze Jakobus een halfbroer van Jezus was, waarom zegt hij dit dan niet in zijn brief? Ongetwijfeld uit bescheidenheid. Had hij Jezus niet gedurende zijn gehele aardse bediening tegengestaan? Had Jezus bovendien niet bij een zekere gelegenheid gevraagd: ’Wie is mijn broer?’ en toen geantwoord: „Wie de wil doet van mijn Vader”? — Matth. 12:48-50; Mark. 3:21; Joh. 7:5.
Wanneer schreef Jakobus deze brief? Aangezien hij hierin geen gewag maakt van Jeruzalems verwoesting in 70 G.T., heeft hij de brief naar alle waarschijnlijkheid vóór die datum geschreven. Volgens Josephus stierf deze Jakobus omstreeks het jaar 62 G.T. de marteldood, zodat zijn brief vermoedelijk enige tijd vóór die datum werd geschreven.
KENMERKEN
De brief van Jakobus herinnert ons aan de Bergrede. Evenals Jezus illustreert Jakobus zijn argumenten graag door naar stoffelijke dingen, zoals dieren en plantengroei, de zee en boten, te verwijzen. Zo doen Jakobus’ opmerkingen over een vijgeboom die geen olijven kan voortbrengen, ons denken aan Jezus’ woorden dat vijgen niet van distelen geplukt kunnen worden. — Matth. 7:16; Jak. 3:12.
Evenals Jezus verwijst Jakobus ook herhaaldelijk naar personen uit de Hebreeuwse Geschriften ter verduidelijking van zijn argumenten, zoals de noodzaak van werken, hetgeen uit het voorbeeld van Abraham en de hoer Rachab blijkt, de beloningen van volharding, hetgeen opgemaakt kan worden uit Jobs ervaring en de doeltreffendheid van gebed, hetgeen Elia’s geval laat zien. — Jak. 2:14-26; 5:11, 17, 18.
Zowel Jezus als Jakobus geven ons de raad ons „Ja” Ja en ons „Neen” Neen te laten betekenen (Matth. 5:33-37; Jak. 5:12), anderen niet te oordelen (Luk. 6:37; Jak. 4:11, 12), niet alleen hoorders maar ook daders van het woord te zijn (Matth. 7:21-27; Jak. 1:22), vol vertrouwen te verwachten dat Jehovah onze gebeden zal verhoren (Luk. 11:11-13; Jak. 1:5, 6, 17) en ons te verheugen in beproevingen. — Matth. 5:10-12; Jak. 1:2.
PRAKTISCHE VERMANINGEN EN WAARSCHUWINGEN
Jakobus heeft niet veel over leerstellingen te zeggen, maar hij geeft wel veel praktische vermaningen en waarschuwingen. En hij doet krachtige beweringen door tegenstellingen te gebruiken. Zijn brief staat vol geboden ten aanzien van wat wij als christenen moeten doen of laten.
Omdat Jakobus zo de nadruk legt op de noodzaak van werken als bewijs van ons geloof, hebben sommigen de conclusie getrokken dat hij de apostel Paulus tegenspreekt, die zegt dat men door middel van geloof rechtvaardig wordt verklaard. Dit is echter niet het geval. Paulus beklemtoonde dat niet de werken van de Wet, maar geloof in Jezus Christus de basis is op grond waarvan iemand door Jehovah God rechtvaardig wordt verklaard. Jakobus voegt hier als het ware aan toe dat geloof levend moet blijken te zijn door de passende werken waartoe het aanzet.
Bijzonder praktisch is Jakobus’ waarschuwing dat wij niet moeten toelaten dat zelfzuchtige begeerten in ons hart wortel schieten, aangezien ze tot zonde zullen leiden en zonde tot de dood. Ook geeft hij de raad in ons hart geen bittere jaloezie of afgunst met betrekking tot onze broeders te hebben. Wanneer wij toelaten dat zulke dingen, alsook sensuele begeerten, in ons wonen, heeft dit Jehovah’s misnoegen en onderlinge twist tot gevolg. — Jak. 1:13-15; 3:14-16; 4:1-4.
Praktisch christendom vereist ook dat wij op onze tong letten. Als iemand religieus meent te zijn maar zijn tong niet in toom houdt, is zijn religie nutteloos (Jak. 1:26). Aangezien wij onvolmaakt zijn, struikelen wij allemaal in het gebruik van onze tong. Hoe moeilijk het ook is, toch moeten wij ernaar streven onze tong te beheersen omdat ze onze loopbaan kan besturen zoals een roer een schip bestuurt. Dan zullen wij haar niet gebruiken om God te zegenen en terzelfder tijd kwaad te spreken van mensen die naar Gods beeld zijn gemaakt, hetgeen een bijzonder tegenstrijdige handelwijze zou zijn. — Jak. 3:2-12.
De praktische aard van het christendom wordt speciaal onderstreept door Jakobus’ waarschuwing dat ons geloof door werken moet worden ondersteund. Geloof is niet voldoende. De demonen geloven ook dat God bestaat, en zij sidderen. Mensen die horen maar niet gunstig reageren, bedriegen zichzelf. Geloof zonder werken is dood, evenals het lichaam zonder de geest of levensadem dood is. Indien iemand werkelijk wijs en verstandig is, zal hij dit door voortreffelijke werken tonen. De wijsheid van boven wordt dan ook geïdentificeerd door zulke voortreffelijke werken als zuiverheid, vredelievendheid en redelijkheid. — Jak. 1:22-25; 2:14-26; 3:13, 17.
Jakobus waarschuwt ons voor de goddeloze wereld. Het vormt een kenmerk van de ware religie zich onbesmet van de wereld te bewaren. Door er vriendschap mee te hebben, maakt men zich echter tot een vijand van God (Jak. 1:27; 4:4). Een integrerend deel van zulke waarschuwingen zijn Jakobus’ opmerkingen betreffende de rijken, die door sommigen werden begunstigd. Stoffelijke rijkdom heeft bij God niets te betekenen, en op zijn bestemde tijd zal hij wee brengen over die rijken die arme christenen onderdrukken en hun werkers onthouden wat hun rechtmatig toekomt. — Jak. 1:9-11; 2:1-4; 5:1-6.
Bijzonder praktisch is ook Jakobus’ vermaning: „God weerstaat de hoogmoedigen, maar hij geeft onverdiende goedheid aan de nederigen.” Als wij onszelf vernederen, zal God ons verhogen. Wij moeten ervoor oppassen dat wij niet snoeven. — Jak. 4:6, 10, 13-15.
Ook Jakobus’ vermaning met betrekking tot het gebed is bijzonder nuttig voor ons. Als het ons aan wijsheid ontbreekt om aan beproevingen het hoofd te bieden, moeten wij God erom vragen en moeten wij er in geloof om blijven vragen. Wij moeten voor elkaar bidden, in het vertrouwen dat de gebeden van een rechtvaardige veel kracht hebben. — Jak. 1:5-7; 5:13-18.
Als christenen hebben wij volharding nodig, en daarom moeten wij beproevingen met vreugde bezien, aangezien het verduren van beproevingen tot gevolg zal hebben dat wij werkelijk ongeschonden en volkomen zijn. Wij moeten geduldige volharding oefenen, net zoals een boer geduldig op de oogsttijd wacht. En ook liefde is belangrijk. Christenen die hun broeders liefhebben, zullen hen niet oordelen en geen zuchten tegen elkaar slaken. — Jak. 1:2; 5:7-9.
Jakobus onthult, bij al deze praktische vermaningen die hij geeft, een voortreffelijke waardering voor Jehovah God. Hij is de Gever van elke goede gave en elk volmaakt geschenk; als Vader der hemelse lichten is er bij hem „geen verandering van het keren van de schaduw”; als wij dicht tot hem naderen, zal hij dicht tot ons naderen; hoewel hij de Rechter is die kan redden en vernietigen, is hij ook „zeer teder in genegenheid en barmhartig”. Zulk een waardering voor Jehovah God zal ons helpen werkelijk DADERS van Gods Woord te zijn. — Jak. 1:17; 4:8, 12; 5:11.