Vragen van lezers
● Wat wordt in Handelingen 12:15 bedoeld wanneer daar met betrekking tot de apostel Petrus wordt gezegd: „Het is zijn engel”?
Wij kunnen dat niet met zekerheid zeggen, daar in het verdere verslag niet wordt verklaard wat ermee werd bedoeld. Maar het kan zijn dat de spreker een heilige engel in gedachten had die Petrus vertegenwoordigde, wat sommigen een „beschermengel” zouden noemen.
Herodes Agrippa I had Petrus laten arresteren en in de gevangenis laten zetten. De apostel bevond zich daar „met twee ketens vastgebonden tussen twee soldaten”, terwijl er ook nog „bewakers vóór de deur” waren. Petrus werd ’s nachts door Jehovah’s engel bevrijd en ging naar het huis van Maria, de moeder van Johannes Markus. — Hand. 12:3-12.
„Toen hij op de poortdeur klopte, kwam er een dienstmeisje, Róde genaamd, om te horen wie er was, en toen zij de stem van Petrus herkende, deed zij van vreugde de poort niet open, maar rende naar binnen en meldde dat Petrus voor de poort stond. Zij zeiden tot haar: ’Gij zijt waanzinnig.’ Maar zij bleef krachtig volhouden dat het zo was. Toen zeiden zij: ’Het is zijn engel.’” — Hand. 12:13-15.
Róde, kennelijk een christin, kende Petrus goed. Wat hadden de discipelen uit haar opgewonden, verbazingwekkende bericht kunnen opmaken?
Het Griekse woord dat zij gebruikten, aggelos, betekent letterlijk „boodschapper”. Hoewel dit woord soms op een menselijke boodschapper van toepassing wordt gebracht, wordt het in de bijbel gebruikt ter aanduiding van een hemelse boodschapper, een engel (Jak. 2:25; Gal. 1:8). Met het oog op de beide toepassingen die het woord kan hebben, menen sommige commentators dat de discipelen bedoelden dat er een man aan de poort was die door Petrus vanuit de gevangenis met een boodschap was gezonden, een menselijke boodschapper. Dit schijnt echter twijfelachtig, want hoe had Petrus, als hij zo zwaar bewaakt werd, een boodschapper kunnen zenden? En deze zienswijze zou geen verklaring vormen voor het feit dat Róde de stem als die van Petrus had herkend.
Andere commentators van de christenheid hebben geopperd dat de discipelen misschien dachten dat Petrus was gestorven en zijn „van het lichaam bevrijde geest” daar was. Dit kan even wel niet de juiste uitleg zijn, want die discipelen wisten dat een mens geen onsterfelijke ziel bezit die bij de dood van het lichaam blijft voortbestaan; hij is een ziel. — 1 Kor. 15:45.
Wat valt er dan te zeggen van een hemelse boodschapper, een engel? God had dikwijls engelen gebruikt om met zijn aanbidders in contact te treden en hen te leiden. Zo sprak Jakob bijvoorbeeld over „de engel die mij tot nu toe uit alle rampspoed heeft verlost” (Gen. 48:16). De joden wisten dit. Ook schijnt het dat er een wijdverbreid geloof bestond, hoewel niet rechtstreeks op de bijbel gebaseerd, dat er over iedere Israëliet een engel was aangesteld om over hem te waken, als een soort van beschermengel.
Wij kunnen niet zeggen in hoeverre deze christelijke joden in Maria’s huis met dit geloof op de hoogte waren of het aanvaardden. Maar stellig wisten zij dat Jezus over zijn volgelingen had gezegd: „Zorgt ervoor dat gij niet een van deze kleinen veracht, want ik zeg u dat hun engelen in de hemel altijd het aangezicht aanschouwen van mijn Vader, die in de hemel is” (Matth. 18:10). Na hun eerste verbazing te boven te zijn gekomen, kunnen de discipelen dus ten onrechte hebben geconcludeerd dat Jehovah een hemelse boodschapper had gezonden die Petrus vertegenwoordigde en zelfs met een stem als die van Petrus sprak.
● In sommige moderne bijbels staat in Lukas 10:1 dat Jezus tweeënzeventig discipelen uitzond, maar in mijn bijbel staat zeventig. Waarom is er een verschil?
Het verschil is toe te schrijven aan het feit dat het getuigenis van oude handschriften verdeeld is met betrekking tot het aantal discipelen dat door Jezus werd uitgezonden.
In sommige oude Griekse handschriften en vertalingen in andere talen staat „tweeënzeventig” in Lukas 10:1, 17, waar over het uitzenden en terugkeren van discipelen wordt gesproken. Dit getuigenis omvat onder andere de codex Vaticanus (1209) uit de vierde eeuw, de codex Bezae (Cantabrigiensis) uit de vijfde of de zesde eeuw, de Latijnse Vulgaat en enkele Syrische vertalingen. Op grond hiervan zijn bepaalde vertalers van de lezing „zeventig” afgeweken en hebben in plaats daarvan „tweeënzeventig” gebruikt. Het Nieuwe Testament in de omgangstaal en de Petrus-Canisiusvertaling zijn twee recente voorbeelden. Zelfs de geleerden Westcott en Hort verkozen het dit getal in de door hen samengestelde Griekse tekst te gebruiken.
Er zijn echter talloze belangrijke handschriften die de lezing „zeventig” ondersteunen. Deze lezing wordt aangetroffen in de vierde-eeuwse codex Sinaïticus, waaraan gewoonlijk „de belangrijkste plaats op de lijst van handschriften van het Nieuwe Testament” wordt toegekend. „Zeventig” is ook de lezing van de codex Alexandrinus, de codex Ephraëmi en de Syrische Pesjitta, die alle uit de vijfde eeuw dateren. En ook volgens een derde-eeuws handschrift op papyrus (Chester Beatty 1) zond Jezus „zeventig” discipelen uit. — The Text of the New Testament (1968).
Vele bekende bijbelvertalingen houden dan ook aan de goed gefundeerde en vertrouwde lezing „zeventig” vast. De Nieuwe-Wereldvertaling luidt: „Na deze dingen wees de Heer zeventig anderen aan en zond hen twee aan twee voor zich uit naar elke stad en plaats waarheen hijzelf van plan was te gaan.” — Luk. 10:1; vergelijk de Statenvertaling, de Leidse Vertaling en de Luther-vertaling.
Bijbelgeleerden hebben diverse ideeën aan de hand gedaan om te verklaren hoe een vroege afschrijver wellicht de vergissing heeft begaan die tot dit geringe numerieke verschil heeft geleid. Een beschouwing van deze technische variatie in de diverse lezingen van Lukas 10:1 dient echter niet af te doen aan het belangrijkste wat de handschriften tot uitdrukking brengen.
De talloze oude handschriften en vertalingen stemmen in alle fundamentele punten met elkaar overeen en bevestigen dat Jezus inderdaad een grote groep discipelen heeft uitgezonden. Wij hebben een duidelijk bericht over de reden waarom zij werden uitgezonden, wat hun opdracht was en hoe hun reactie was toen zij terugkeerden. Dat wij na bijna tweeduizend jaar zo’n volledig bericht hebben, getuigt er stellig van dat God zijn Woord heeft bewaard.