Vragen van lezers
● Hoe moeten wij het feit begrijpen dat Hosea zijn teruggenomen vrouw Gomer klaarblijkelijk seksuele betrekkingen onthield? — Hos. 3:3.
In De Wachttoren van 1 juli 1976, bladzijde 405, paragraaf 25, wordt commentaar op dit vers gegeven en uiteengezet dat Hosea zijn teruggenomen vrouw streng onderrichtte „door haar seksuele restricties op te leggen, hetgeen klaarblijkelijk tevens inhield dat ook hij haar geen echtelijke aandacht schonk”. De schriftuurlijke betekenis in het Hebreeuws ondersteunt deze conclusie dat Hosea haar seksuele betrekkingen onthield.
De Nieuwe-Wereldvertaling vertolkt Hosea 3:3 overeenkomstig het letterlijke Hebreeuws. „Toen zei ik tot haar: ’Vele dagen [een niet nader aangeduide periode] zult gij als de mijne wonen. . . . gij moogt geen andere man gaan toebehoren; en ook ik zal stellig voor u zijn.’” Wat schijnt deze laatste zinsnede, „ook ik zal stellig voor u zijn”, te betekenen? Evenals het de teruggenomen vrouw, Gomer, verboden werd overspelige betrekkingen met enige andere man te hebben, zou Hosea tegenover haar een soortgelijke houding aannemen en een tijdlang geen seksuele betrekkingen hebben. Gelieve op te merken dat andere bijbelvertalingen het nog definitiever maken dat Hosea haar een tijdlang seksuele betrekkingen zou onthouden: „Ook zal ik de uwe niet zijn” (Jewish Publication Society, 1917) „ik zal tegenover jou evenzo handelen” (Willibrordvertaling), „ook ik zal tot u niet komen” (Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap), en „gij zult . . . aan geen man toebehooren, terwijl ikzelf ook niet tot u kom” (Leidsche Vertaling).
Wat was derhalve de reden voor deze restrictie? Hosea had zijn „vrouw van hoererij” barmhartig teruggenomen; hij had haar voor de prijs van een slaaf teruggekocht en haar vergeven. Niettemin had Hosea er een natuurlijke belangstelling voor zijn vrouw een periode van huwelijksreiniging te laten ondergaan. Dit zou een reinigingstijd zijn waarin Gomer in een staat van afzondering moest blijven, verstoken van huwelijksgemeenschap, zelfs met haar wettige echtgenoot Hosea.
Hoe valt dit te rijmen met 1 Korinthiërs 7:2-5, waar wordt gezegd dat man en vrouw elkaar de huwelijksplicht niet mogen onthouden behalve met onderling goedvinden? Wat hier in Hosea’s geval gebeurde, dient door christelijke huwelijkspartners niet als een voorbeeld beschouwd te worden om elkaar bij wijze van een persoonlijke straftoediening seksuele betrekkingen te onthouden. Het geval van Hosea en Gomer laat veeleer een vorm van barmhartigheid zien die door de vergevende huwelijkspartner wordt betoond in een geval waarbij huwelijksontrouw is betrokken. De onschuldige partner accepteert de terugkeer van de waarlijk berouwvolle partner als een gereinigde persoon.
Zoals door Hosea en zijn vrouw werd opgevoerd, nam Jehovah op een overeenkomstige wijze in de herstelperiode na 537 v.G.T. het ontrouwe Israël terug en reinigde hij hen vervolgens. Het werd Israël verboden ooit weer een overspelige verhouding met heidense vorsten of afgodische priesters aan te gaan, of wat maar ook te hebben dat met afgodische aanbidding verband hield. Jehovah zelf verhinderde dat er een niet-Davidische koning werd aangesteld om op een troon te zitten totdat de Messías, de rechtmatige koning, zou komen (Ezech. 21:27). Zo begon het streng onderrichte, berouwvolle overblijfsel van het natuurlijke Israël gedurende een reinigingsperiode geduldig naar hun Messiaanse Bevrijder van heidense overheersing uit te zien.
Insgelijks werd vanaf en na 1919 het bevende, sidderende overblijfsel van het ware geestelijke Israël in een hernieuwde verbonds- of huwelijksverhouding met Jehovah gebracht. Bijgevolg werden zij uitgesloten van enig geestelijk overspel met afvalligen — heersers of priesters — zoals de christenheid dit nog steeds op overspelige wijze blijft doen. Pas na een periode van reiniging herstelde Jehovah de nauwe verbondenheid met het overblijfsel van het geestelijke Israël. Ten slotte kwam het overblijfsel tot het besef dat Jehovah inderdaad hun liefdevolle echtgenoot en beschermer was en dat zij onder het nieuwe verbond, waarvan Jezus Christus de Middelaar is, in een hechte verhouding tot hem stonden. — 1 Tim. 2:5, 6.
● Is het juist wanneer een christen, als hij voor de rechtbank moet getuigen, zijn hand op de bijbel legt en zweert de volle waarheid te zullen zeggen?
Er is geen schriftuurlijk bezwaar tegen dit te doen, hoewel elkeen moet beslissen of hij hieraan wenst te voldoen of zal vragen hiervan vrijgesteld te worden.
Het gebruik een eed af te leggen met aanraking van een voorwerp dat als heilig wordt beschouwd, is reeds van oudsher wijdverbreid. De Grieken in de oudheid bijvoorbeeld hieven de hand op naar de hemel of raakten een altaar aan terwijl zij een eed aflegden. Onder de Romeinen hield een jurylid een steen in zijn hand en zwoer hij dat als hij loog, Jupiter hem moest wegwerpen zoals hij dan de steen wegwierp.
Uit zulke handelingen bleek ’s mensen innerlijke neiging te erkennen dat er een goddelijke macht is waaraan mensen rekenschap verschuldigd zijn en die gadeslaat wat er gezegd en gedaan wordt. Stellig erkenden de aanbidders van de ware God, Jehovah, dit. En de bijbel toont aan dat zij als het ware in tegenwoordigheid van God, of met hem als getuige, eden aflegden (2 Sam. 3:35; 1 Kon. 2:23, 24, Ruth 3:13; Jer. 38:16). Ware aanbidders stonden ook toe dat anderen hen onder ede stelden. — Gen. 21:22-24; Matth. 26:63.
Soms liet degene die een eed voor het aangezicht van Jehovah aflegde, zijn eed vergezeld gaan van een gebaar. De engel die tot de profeet Daniël sprak, ’hief vervolgens zijn rechterhand en zijn linkerhand ten hemel op en zwoer bij Degene die voor onbepaalde tijd leeft’ (Dan. 12:7; Gen. 14:22). Zelfs God sprak symbolisch over zichzelf als hief hij zijn hand op in een eed (Jes. 62:8; Deut. 32:40). Nog een gebaar dat klaarblijkelijk werd gebruikt om een eed te bekrachtigen, was de hand onder de heup of dij van de andere persoon te leggen. — Gen. 24:2, 3, 9; 47:29-31.
Natuurlijk hoeft een ware christen geen eed af te leggen om elke bewering die hij in het dagelijks leven doet, te ondersteunen. Zijn Ja dient Ja te betekenen, en zijn Nee, Nee (Matth. 5:33-37; Jak. 5:12). Maar als hem voor de rechtbank wordt gevraagd te zweren dat zijn getuigenis waarachtig is, kan hij van mening zijn dat hij zo’n eed kan afleggen. Of het kan hem worden toegestaan een bekrachtiging te geven dat hij niet liegt. — Gal. 1:20.
Wanneer het in de rechtszaal gebruikelijk is dat men met opgeheven hand of met de hand op de bijbel zweert, kan een christen verkiezen hieraan te voldoen, gedachtig aan de bijbelse voorbeelden waarbij een eed vergezeld ging van een gebaar. Belangrijker echter dan het feit of iemand zijn eed vergezeld doet gaan van een bepaald gebaar, is dat hij voor het aangezicht van God zweert de waarheid te zullen zeggen. Zo’n eed is ernstig. Als een christen dus meent dat hij een vraag die hem in zulke omstandigheden wordt gesteld, kan en dient te beantwoorden, staat hij onder ede de waarheid te zeggen.