Afgestudeerden van Gilead aangespoord de Gileadieten uit de oudheid na te volgen
HET is niet gemakkelijk om weg te trekken ten einde als zendeling in een ander land te gaan dienen. Het betekent vrienden, familieleden en de vertrouwde omgeving te verlaten. Het houdt in zich aan nieuwe omstandigheden aan te passen en mogelijkerwijs aan onbekende problemen het hoofd te bieden. Maar er wachten degenen die bereid en in staat zijn offers te brengen ten einde eerlijke mensen te helpen toegewijde dienstknechten van Jehovah God te worden, overvloedige zegeningen.
De vijftig jonge mannen en vrouwen die op 4 maart 1974 van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead afstudeerden, hebben reden naar deze zegeningen uit te zien. Dit komt doordat de meesten van hen de toewijzing ontvingen als zendeling in het buitenland dienst te verrichten.
De lezingen die gedurende het graduatieprogramma op maandagmiddag werden gehouden, moedigden hen aan in hun toewijzing te blijven, zodat de vreugden van de zendingsdienst hun niet zouden ontgaan. Eén spreker moedigde de afgestudeerden aan de bevordering van de ware aanbidding als hun doel te zien en niet toe te staan dat zij hiervan werden afgeleid. Een ander beklemtoonde hoe belangrijk het was dat zij moedig waren en mannen als Jozua uit de oudheid navolgden. Weer een ander vestigde de aandacht op de noodzaak wijsheid te gebruiken bij elke stap die zij zouden doen en niet toe te laten dat zij met hun geestesoog achter zich keken.
F. W. Franz, die zijn opmerkingen op 1 Kronieken hoofdstuk 5 baseerde, wees op de Gileadieten uit de oudheid als een navolgenswaardig voorbeeld.
In de dagen van koning Saul genoten de Israëlieten die het land Gilead ten oosten van de Jordaan bewoonden, grote voorspoed. Hun veestapel was geweldig gegroeid. Daarom breidden zij hun land moedig uit tot buiten de grenzen van het land Gilead, in de richting van de rivier de Eufraat. Dit geschiedde in overeenstemming met de belofte die God aan hun voorvader Abraham had gedaan. — Gen. 15:18; 1 Kron. 5:10.
Zij kwamen hierbij in conflict met de Hagrieten (mogelijk nakomelingen van Hagar en dientengevolge nakomelingen van haar zoon Ismaël, dus Ismaëlieten). De Gileadieten stonden voor een enorme overmacht. Hun leger bestond uit 44.760 strijders, maar in de nu volgende strijd namen zij 100.000 personen levend gevangen. Dit was op lange na niet de volledige Hagritische strijdmacht, want de bijbel bericht dat er „veel verslagenen” waren. Het is duidelijk dat de Gileadieten de overwinning niet in eigen kracht hadden kunnen behalen, en dit was ook niet zo. Zij zagen naar Jehovah God op om hulp. „Zij riepen in de strijd tot God om hulp” zegt het bijbelse verslag, „en hij liet zich ten gunste van hen verbidden, omdat zij op hem vertrouwden”. — 1 Kron. 5:18-22.
F. W. Franz paste dit op de afgestudeerden van Gilead toe en spoorde hen er eveneens toe aan op Jehovah te vertrouwen als zij, uitgerust met het schild des geloofs en het zwaard van de geest, Gods Woord, niet aan een letterlijke oorlog maar aan een geestelijke oorlog zouden deelnemen en hierbij tegen een grote overmacht zouden strijden.
Na de opmerkingen van F. W. Franz hield N. H. Knorr, de president van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead, een aansporende toespraak waarin hij de afgestudeerden aanmoedigde in navolging van Jezus Christus, zijn apostelen en andere discipelen te blijven prediken. In het laatste gedeelte van zijn lezing verhaalde hij hedendaagse voorbeelden van het voortreffelijke werk dat zendelingen en anderen doen door het „goede nieuws” te prediken.
Daarna ontvingen de afgestudeerden een enveloppe met hun diploma, terwijl de president van de school hun diensttoewijzingen in zeventien verschillende landen bekendmaakte.
’s Avonds zorgden de afgestudeerden van Gileads zesenvijftigste klas voor een bijzonder aangenaam programma, waarin muziek ten gehore werd gebracht uit Europa, het Midden-Oosten en Noord-Amerika en ook twee tot nadenken stemmende bijbelse drama’s werden opgevoerd. Het eerste van deze drama’s hielp de aanwezigen voordeel te trekken van wat een profeet overkwam wiens activiteiten in 1 Koningen 13:1-32 worden vermeld; in het andere drama werden bijzondere ervaringen uitgebeeld die de Israëlieten gedurende hun veertigjarige verblijf in de wildernis meemaakten. Beide waren schitterend verzorgd!
Er kan weinig twijfel over bestaan dat de afgestudeerden en de anderen die in de vreugde van de gelegenheid deelden, onder de indruk waren gekomen van de noodzaak te blijven prediken en de moed en toewijding van Gods dienstknechten uit de oudheid na te volgen.