Jehovah’s nimmer falende leiding
Zoals verteld door Kathryn Bogard
REEDS ben ik drie jaar de „zeventig jaren” waarover door de geïnspireerde psalmist wordt gesproken, gepasseerd (Ps. 90:10). In die jaren zouden „moeite en schadelijke dingen” de overhand gehad kunnen hebben, ware het niet om één ding — Jehovah’s nooit falende troost welke hij degenen schenkt die trachten in overeenstemming met zijn vereisten te leven. Ja, zesenvijftig van die jaren heb ik in Jehovah’s dienst besteed, waarvan vijftig op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap, een plaats die wij vol liefde het „Bethelhuis” noemen.
Die jaren zijn snel voorbijgegaan. Dat is te verwachten als blijkt dat Jehovah het werk van onze handen zegent en gunstige resultaten schenkt. En als men dan aan het kleine begin denkt, is dit alles een nog indrukwekkender wonder!
Prachtige heuvels met een overvloed aan bossen en in het wild levende dieren, behoren tot mijn vroegste herinneringen. Ik werd geboren in de Rose Valley-streek van Pennsylvania, ongeveer eenentwintig kilometer vanaf Williamsport. Het bouwland was niet al te best, doch wij bezaten datgene wat de meeste gemeenschappen hadden: een boerenherberg, een kerk en een klein rood schoolgebouwtje. Om een bestaan te vinden, moest een boer een paar koeien melken en ’s winters wat hout kappen om als palen voor omheiningen of als pulp te verkopen.
’s Winters hadden wij altijd zware sneeuwstormen en was het moeilijk om te reizen. Dit betekende dat wij tamelijk vaak de kerkdiensten verzuimden, maar daar misten wij niet zoveel aan, want het was toch elke week hetzelfde liedje: dringende verzoeken om geld voor het salaris van de predikant zonder dat er ook maar iets nieuws werd geboden om van te genieten. Hoewel wij in zo’n paradijsachtige omgeving woonden, kenden wij altijd de harde werkelijkheid van een schamel bestaan te moeten vinden. Er werd ons heel weinig hoop op een betere toekomst geboden, afgezien van enkele vage ideeën over naar de hemel gaan waar de engelen zijn.
Wat kon ik persoonlijk van de toekomst verwachten? Zou het erop neerkomen een boerenjongen te trouwen en het bezadigde leventje te leiden van koeien melken en allerlei karweitjes opknappen, terwijl ik voorgoed in dit vredige dal zou blijven? Ik kon het slechter treffen, maar ik had altijd het gevoel dat ik iets van meer algemeen nut met mijn leven wilde doen. Welnu, er ontstond een situatie die vereiste dat ik iets ging doen om mijn vader en moeder financieel bij te staan. Ik moest uit het dal weg en werk zoeken — een stap waardoor er een heel nieuw leven voor mij zou aanbreken.
NIET ZONDER LEIDING GELATEN
Het toneel verplaatst zich van het beschutte dal in Pennsylvania naar Rochester, een stad in de staat New York. Mijn werk als kelnerin bracht mij in aanraking met allerlei mensen, van wie sommigen christian scientist waren, sommigen katholiek beleden te zijn en sommigen een ander geloof hadden. Voor mij leek het destijds alsof er weinig te kiezen viel, want mensen van alle geloven schenen één richting op te gaan.
Hier ging Jehovah’s nimmer falende leiding een woordje meespreken. Een aardige katholieke dame vertelde mij dat in het theater een straat verderop een reeks prachtige bijbelse lichtbeelden werd vertoond en zij gaf mij zelfs geld voor een kaartje. Wel, stel u mijn verbazing voor toen ik ontdekte dat de toegang gratis was en dat er nog drie avondvoorstellingen zouden volgen!
Ja, het betrof een vertoning van het „Foto-Drama der Schepping” onder auspiciën van het Wachttorengenootschap. De geschiedenis van de bijbel in lichtbeelden maakte zo’n diepe indruk op mij dat ik gretig een uitnodiging aannam om naar een huis te gaan waar elke week een bijbelstudie werd geleid. Het werd een „klas” van bijbelonderzoekers genoemd. Het bijzondere van die vergaderingen was dat degenen die voor de bijbelstudie bijeen kwamen, zich bewust waren van het feit dat zij toegerust konden worden om God op praktische wijze te dienen.
De Foto-Drama-activiteiten hadden toen hun hoogtepunt bereikt en er viel veel werk te doen. Kleine klassen zoals die waar ik naar toe ging, konden het Eureka-Drama, zoals het werd genoemd, kopen dat bestond uit lantaarnplaatjes, een projectieapparaat en grammofoonplaten. Deze lantaarnplaatjes konden in schoolgebouwen, herbergen en andere gebouwen die men kon huren, worden vertoond. Onze groep schafte zich een set aan en ik kan mij nog goed herinneren de lichtbeelden in een zenuwinrichting en in tal van andere plaatsen te hebben vertoond.
Het meest heb ik genoten van het voorrecht het Eureka-Drama op vakantie te mogen meenemen en het, na het in de hele omgeving wijd en zijd te hebben aangekondigd, in mijn geboortestreek te vertonen. Wij waren gewoon, de aanwezigen na elke vertoning een exemplaar van het geïllustreerde scenario in boekvorm van het Drama ter hand te stellen. Toen ik bij mijn oude schoolonderwijzer kwam, merkte hij droogjes op dat hij al alles van de bijbelse geschiedenis af wist voordat ik was geboren. Mijn antwoord luidde: „Maar u hebt er niet met mij over gesproken.”
TOT JEHOVAH’S BESCHIKKING
Het werd mij al spoedig duidelijk dat ik slechts op één manier een voldoening schenkend, nuttig leven kon leiden en dat was door mij ter beschikking van God te stellen, mijzelf beschikbaar te stellen voor zijn dienst. Ik diende dus een aanvraag in voor de colporteursdienst, thans „pioniers”-dienst geheten, dat wil zeggen volle-tijddienst ten behoeve van de verbreiding van de bijbelse boodschap van het Koninkrijk. De speciale boodschap die omstreeks die tijd werd verbreid, was „De val van Babylon”, een schriftuurlijke ontmaskering van de religies der christenheid, die werd gepubliceerd in wat toen The Bible Students Monthly heette. Er werden duizenden van deze vlugschriften naar Williamsport gestuurd om in de omgeving verspreid te worden, en wij hadden het er heel druk mee. Zelfs iemand op leeftijd bood zich vrijwillig aan de vlugschriften handzaam te vouwen en te bundelen, ten einde het degenen van ons die ze naar de huizen van de mensen brachten, gemakkelijk te maken.
De oorlogstijd bezorgde de organisatie van Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s getuigen toen bekendstonden, veel moeilijkheden. De bestuursleden van het Wachttorengenootschap werden op beschuldiging van opruiing gearresteerd. Zij werden tegen borgtocht vrijgelaten en een van hen, C. J. Woodworth, kwam naar Williamsport om een lezing te houden. Dat was een vreugdevolle gebeurtenis en zelfs mijn ouders kwamen om de lezing aan te horen, hoewel zij mij tevoren hadden gewaarschuwd dat, als ik ooit werd gearresteerd, ik mij de moeite kon besparen hen ervan in kennis te stellen.
Het boek The Finished Mystery, dat zoveel toorn bij de geestelijkheid had opgewekt, bleef ondanks tegenstand in omloop. Zij die vertrouwden op Degene die niet in gebreke blijft, bleven de boodschap die het behelsde verbreiden totdat de bestuursleden van het Genootschap moesten voorkomen en tot vier samenvallende periodes van twintig jaar gevangenisstraf in de strafgevangenis te Atlanta werden veroordeeld.
Wegens deze moeilijkheden werd het hoofdbureau van het Genootschap weer tijdelijk naar Pittsburgh verplaatst en terzelfdertijd veranderde mijn gebiedstoewijzing, waardoor ik dichter bij Pittsburgh kwam. Aangezien ik tot op die tijd meestal in geïsoleerde gebieden had gewerkt, vond ik dat een grote bron van geestelijke kracht, want ik kon nu met veel rijpe personen omgaan.
Wij wisten heel goed dat Jehovah, als het zijn wil was geweest, zijn dienstknechten uit de gevangenis had kunnen bevrijden, zoals hij ook in het verleden had gedaan. Hoe liefdevol echter van hem het zijn volk in het hart te geven en in de geest te leggen een groot verzoekschrift de wereld in te zenden en duizenden handtekeningen voor de vrijlating van onze mede-Getuigen uit Atlanta te verzamelen! Op wonderbaarlijke wijze kwam die bevrijding spoedig en daarmee kreeg het Koninkrijkspredikingswerk weer nieuwe stuwkracht.
Stelt u zich de vreugde eens voor die de eerste grote bijeenkomst in Cedar Point, Ohio, in 1919 kenmerkte. Er scheen zich een nieuw werk voor ons gezichtsveld te openen. De artikelen die dat jaar in de uitgaven van De Wachttoren verschenen, schenen alle dàt feit uit te roepen: „Het Koninkrijk der hemelen nabij”, „Het koninkrijk Gods”, „Het Koninkrijk aankondigen”, en „Herauten van het koninkrijk ’gedood’.” Jehovah omgordde zijn volk stellig voor wereldomvattende actie!
MEER ZEGENINGEN UIT DE NIMMER FALENDE BRON
Toen het werk in Brooklyn-Bethel weer op gang kwam, voelde ik dat dit de plaats was waar ik, als het maar enigszins mogelijk was, wilde dienen. Ik schreef dus aan de toenmalige president van het Genootschap, J. F. Rutherford, om hem mijn wens kenbaar te maken. Tot mijn grote vreugde kwam binnen drie maanden het antwoord. Ik werd verzocht te komen, hoe eerder hoe beter. Ik vertrok om het grootste voorrecht te aanvaarden dat er is — te dienen in het huis van de Heer. Toen ik dit deed, besloot ik in deze dienstpositie te blijven zolang Jehovah het nodig achtte mijn beperkte bekwaamheden te gebruiken. En samen met vele anderen ben ik hier nog altijd.
Reinheid, ordelijkheid, stiptheid — dit waren alle voortreffelijke hoedanigheden die ik op het Bethelhuis in praktijk zag brengen, hoedanigheden die ik al gauw waardeerde en waarvan ik voordeel trok. De geregelde bespreking van de dagtekst ’s morgens en onze geregelde wekelijkse Wachttoren-studie hielden ons geestelijk sterk, zodat wij zelfs lichamelijke zwakheden en handicaps konden overwinnen en ijverig met onze diensten, die zo uiterst belangrijk zijn voor onze mede-Getuigen over de hele aarde, konden doorgaan.
R. J. Martin, die als hoofd over ons was aangesteld, was altijd erg aanmoedigend en vriendelijk, en spoorde ons aan onze dienst goed te verrichten en vreugde onze kracht te laten zijn. Hij zei altijd: „Er zijn massa’s mensen die bedden opmaken, de vaat wassen en overhemden strijken, maar waarom doen wij het?” En in aanmerking genomen dat ik slechts 100 pond woog en toch in staat was tachtig overhemden per dag te strijken en op te vouwen, voelde ik dat de vreugde des Heren inderdaad mijn sterkte was. — Neh. 8:10.
Ik kan mij in al die jaren maar weinig dagen herinneren dat ik ziek was. Dit was trouwens ook ten aanzien van veel anderen op Bethel opmerkelijk. De broeder die aan het hoofd van de keuken staat bijvoorbeeld en die dit werk al meer dan veertig jaar doet, heeft, voor zover ik mij kan herinneren, nog nooit één maaltijd niet op tijd klaar gehad. Zo was het ook in andere afdelingen — iedereen doet zijn werk vreugdevol en efficiënt.
Toen kwam er in 1926 nog een verandering in mijn leven. Broeder John Bogard en ik traden in het huwelijk. Daar wij beiden reeds lid van de Bethelfamilie waren, verenigden wij nu onze krachtsinspanningen om onze God te dienen en te eren. John had op de weekeinden vaak een toewijzing om ergens lezingen te houden, dus schaften wij ons een kleine auto aan en ik had het voorrecht mee te gaan. Dit bleek een prettige afwisseling te zijn en gaf ons de gelegenheid tal van nieuwe vrienden te maken, terwijl wij een aantal verschillende gebieden met de Koninkrijksboodschap bewerkten.
In 1937 vond er weer een verandering in ons leven plaats, want wij kregen de toewijzing op de boerderij van het Genootschap nabij Ithaca in de staat New York, te dienen. Dat betekende, zowel voor mij als voor John, ook verandering van werk. Mijn werk bestond nu in boekhouden en andere werkzaamheden. Een rustiger leven? Ja, tot op dat tijdstip in 1939 toen er een fanatieke bende tegen de boerderij kwam opzetten, vastbesloten haar te verwoesten. Hun opzet mislukte evenwel en enkelen van de mensen die toen deel uitmaakten van de bende, zijn nu zelf Getuigen, ja, zelfs in de volle-tijdpredikingsdienst! Ja, Jehovah laat ons beslist nooit in de steek.
ALLEEN MET STEUN VAN JEHOVAH
Toen werd er met een uitgebreid bouwprogramma op het terrein van de boerderij begonnen, waar het Wachttorengenootschap de Gileadschool wilde vestigen voor degenen die een toewijzing zouden krijgen voor de buitenlandse zendingsdienst. Het lag in Jehovah’s bedoeling dat het in de uitgestrekte zendingsgebieden niet aan goed opgeleide en toegeruste personen zou ontbreken om er te dienen. En wij kunnen terugzien en verheugd zijn dat er reeds 49 klassen van studenten zijn opgeleid, terwijl velen van hen die in het eerste jaar — 1943 — afstudeerden, nog steeds ijverig in hun buitenlandse toewijzing dienen.
Omstreeks de tijd dat de Gileadschool startte, werden John en ik weer naar Brooklyn overgeplaatst. Wij waren blij onze werkzaamheden daar te hervatten. Wij vonden het ook fijn dat wij aan een van de gemeenten in Brooklyn werden toegewezen, waar wij een aandeel konden hebben aan de van-huis-tot-huisbediening en het oprichten van bijbelstudies in de huizen van geïnteresseerden. Wij hebben de vreugde gesmaakt heel veel mensen voor hun eerste vergadering in de Koninkrijkszaal mee te nemen en hen vervolgens in geloof te zien groeien en ons in het kostbare predikingswerk te vergezellen.
Wij hebben deze vele veranderingen met heel veel vreugde ondergaan. Er zijn weliswaar tijden van beproeving en moeilijkheden geweest waaraan wij het hoofd moesten bieden, doch door onze kleine moeilijkheden aan Jehovah God voor te leggen, werden onze lasten verlicht. Het heeft nooit gefaald. Zelfs als sommigen klaagden of zich zorgen maakten wie er op hun oude dag voor hen zou zorgen en zover gingen dat zij Bethel en Gods waarheid verlieten, waren er toch altijd die, net als wij, bij hun besluit bleven om in de Betheldienst te blijven zolang het Jehovah behaagde hen in die hoedanigheid te gebruiken.
Wij zien hier op Bethel trouwens nog altijd veertig of vijftig personen van boven de vijfenzestig jaar, die getrouw de hun toegewezen werkzaamheden verrichten. Zij hebben hun lichamelijke zwakheden en kwalen maar ondanks dat alles komt hun ware sterkte op wonderbare wijze van Hem die nooit in gebreke blijft, want ze bestaat in de vreugde te weten dat zij hun dienst voor de Allerhoogste verrichten.
Wij oudjes die zo dikwijls hebben gezien dat Jehovah zijn volk te hulp komt als het in moeilijkheden verkeerde die menselijke hulp te boven gingen, kunnen allen met de bejaarde Jozua zeggen dat „niet één woord van alle goede woorden [van belofte] die Jehovah, uw God, tot u gesproken heeft, onvervuld is gebleven. Alles is voor u uitgekomen. Geen woord daarvan is onvervuld gebleven” (Joz. 23:14). En persoonlijk kan ik zeggen dat woorden te kort schieten om mijn waardering te uiten voor het schitterende dienstvoorrecht dat ik heb gehad en waarin ik mij nog steeds mag verheugen.