Hoe spijtgevoelens te vermijden
U WEET wat spijt is. Het is een wens dat iets overgedaan en anders gedaan zou kunnen worden. Het is een mentaal leedwezen over een vroeger gedrag of verzuim. Hebt u spijtgevoelens? Wij allemaal hebben dingen gedaan waarvan wij wensten dat wij ze konden overdoen en anders konden doen.
Maar denk in dit opzicht eens een ogenblik aan onze God, Jehovah. De bijbel zegt: „De Excellentie van Israël [zal] niet ontrouw blijken te zijn, en Hij zal geen spijt gevoelen, want Hij is geen aardse mens, dat Hij spijt gevoelt” (1 Sam. 15:29). Jehovah heeft geen spijtgevoelens. Wanneer hij terugkijkt, is er geen plaats of tijd in de eindeloze, vervlogen millennia waar hij ooit een fout heeft begaan of onverstandig, onrechtvaardig of onvriendelijk heeft gehandeld. Wanneer Jehovah iets doet, is het om te beginnen juist en hoeft het nooit veranderd te worden.
Dit kan niet van mensen worden gezegd, met inbegrip van alle aardse dienstknechten van Jehovah, uitgezonderd natuurlijk de volmaakte mens Jezus Christus. — 1 Petr. 2:22.
VOORBEELDEN VAN MENSEN DIE SPIJT HEBBEN GEHAD
Zo was er bijvoorbeeld Gods dienstknecht Mozes. Mozes moest veertig jaar lang met het opstandige volk Israël omgaan. Hij deed alle mogelijke moeite en twistte soms met hen om maar te trachten hen te helpen Jehovah’s goedkeuring te verwerven zodat zij het Beloofde Land konden binnengaan. Ten slotte brak na vele jaren van omzwerven in de wildernis de tijd aan dat zij het land konden binnengaan. Wat een verheuging moet er in Israël zijn geweest!
Maar juist toen zij op het punt stonden er binnen te gaan, herinnerde Jehovah Mozes met betrekking tot hemzelf en zijn broer Aäron eraan: „Gijlieden [hebt] plichtvergeten jegens mij gehandeld . . . te midden van de zonen van Israël bij de wateren van Meriba bij Kades, in de wildernis van Zin.” Daarom zei God tot Mozes: „Uit de verte zult gij het land zien, maar gij zult daar niet binnengaan, in het land dat ik aan de zonen van Israël geef” (Deut. 32:49-52). Wat moet Mozes met spijtgevoel hebben teruggekeken naar de wijze waarop hij bij Meriba had gehandeld! Hij heeft beslist met heel zijn hart gewenst dat hij niet zo onverstandig was geweest. — Num. 20:9-13.
Dan was er Gods dienstknecht David, die ten onrechte een volkstelling van Israël hield. Hij werd hiervoor ter verantwoording geroepen en daarom smeekte hij Jehovah: „Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb. . . . laat de dwaling van uw knecht alstublieft voorbijgaan; want ik heb zeer dwaas gehandeld” (2 Sam. 24:10). Klaarblijkelijk was Davids hart met wroeging vervuld over wat hij had gedaan. Hij had inderdaad een ernstige fout begaan; mettertijd was het gevolg dat 70.000 personen van zijn volk het leven verloren (2 Sam. 24:15). Hoe zou u zich voelen als u een fout had begaan waarbij uiteindelijk het verlies van 70.000 levens betrokken was? Davids spijt moet hem tot diep in zijn hart hebben getroffen!
De christelijke apostel Petrus was nog een voorbeeld. Op de avond vóór zijn dood had Jezus een onheilspellende voorzegging omtrent Petrus gedaan. „Nog deze nacht,” zei Jezus, „voordat er een haan kraait, zult gij mij driemaal verloochenen.” Petrus scheen er verontwaardigd over te zijn dat de Meester zo iets zelfs maar zou suggereren! „Zelfs al moest ik met u sterven,” protesteerde Petrus, „ik zal u geenszins verloochenen.” — Matth. 26:34, 35.
De snelle gebeurtenissen van die avond veranderden echter vlug zijn omstandigheden. Binnen enkele uren werd Petrus beschuldigd in het bijzijn van mannen die zijn geloof niet deelden: „Deze man was bij Jezus de Nazarener.” Voordat hij besefte wat er was gebeurd, had hij hun herhaaldelijk gezegd: „Ik ken de mens niet!” Ten slotte kraaide de haan. Het volle gewicht van het kwaad dat Petrus had gedaan, kwam met een verpletterende slag op hem neer. Met een gebroken hart „ging [hij] naar buiten en weende bitter” (Matth. 26:70-75). Het leedwezen dat Petrus als gevolg van spijt gevoelde, zou nauwelijks onder woorden gebracht kunnen worden.
De lijst gaat verder en verder. Wij zouden nauwelijks een getrouwe dienstknecht van God uit het verleden kunnen noemen zonder te bemerken dat hij een persoonlijke reden had om spijt te gevoelen. Hetzelfde moet ongetwijfeld in deze tijd waar zijn. Hoe staat het met u? Wat voor spijtgevoelens hebt u?
Beschouw uw verleden eens, laten wij zeggen de laatste vijf jaar. Kunt u zich dingen herinneren die in die jaren gebeurd zijn maar waarover u nu reden tot spijt hebt? Bent u, net als Mozes, te overmoedig geweest en hebt u er later voor moeten boeten? Of hebben, zoals in Davids geval, onjuiste daden van uw zijde tot gevolg gehad dat andere personen zijn geschaad? Hebt u zich ooit zoals Petrus gedragen en toegelaten dat vrees voor anderen u tot een verkeerde handelwijze heeft geprest? Of het kunnen in uw geval andere dingen zijn die u spijt doen gevoelen. Hoe dan ook, wij allen kennen het onplezierige gevoel van spijt. De vraag is: Wat kunnen wij doen?
ZULLEN WIJ PIEKEREN?
Veel mensen piekeren. Maar zal gepieker het probleem oplossen? Uw verontschuldigingen aanbieden aan degene die door u onbillijk is bejegend, zal wellicht helpen de goede verhoudingen te herstellen. Het vermijden van de omstandigheden die tot het kwaad hebben geleid, zal ertoe bijdragen toekomstige moeilijkheden te mijden. Gepieker is echter niets dan tijdverspilling, en nog wel gevaarlijke verspilling. Het heeft dikwijls slaapverlies, maagzweren en ernstige moeilijkheden tot gevolg omdat men zijn geest niet bij het werk heeft waarmee men bezig is. In plaats dat er een probleem door wordt opgelost, schept het meer problemen.
Als iemand onjuist heeft gehandeld, door misschien Gods wet te overtreden of de raad in Zijn Woord te negeren, dan dient hij te trachten vergiffenis van God te verkrijgen. Wanneer hij dit doet, dient hij gebruik te maken van de voorzieningen die God heeft getroffen. Jezus onderrichtte zijn volgelingen dat zij tot God om vergiffenis moesten bidden (Mark. 11:24, 25). Hij zei niet dat zij beloond zouden worden als zij zouden piekeren, maar als zij in geloof zouden vragen. Jehovah heeft een voorziening getroffen voor vergeving van de zonden van hen die werkelijk berouw hebben, hun handelwijze herzien en nederig trachten vergiffenis van hem te verkrijgen op basis van het loskoopoffer van zijn Zoon. — Hand. 3:19; 1 Joh. 2:1, 2.
DINGEN VERMIJDEN DIE AANLEIDING GEVEN TOT SPIJT
Onze voornaamste zorg thans dient uit te gaan naar het heden en de toekomst. Wij moeten een loopbaan van getrouwheid handhaven die elk mogelijk spijtgevoel in de toekomst zal voorkomen. Laten wij, net zoals wij op de afgelopen vijf jaar hebben teruggeblikt, nu eens vijf jaar in de toekomst kijken. Dat zal het jaar 1975 zijn. Waarover zullen wij dan spijt hebben? Wat doen wij nu op dit ogenblik, of wat verzuimen wij nu te doen, met betrekking waartoe wij over jaren vanaf nu zullen wensen dat wij het hadden gedaan of anders hadden gedaan?
Jehovah heeft voldoende inlichtingen verschaft zodat wij definitief de loop der toekomstige gebeurtenissen kunnen weten. Zijn Woord onthult dat wij zonder twijfel snel het einde van heel dit goddeloze samenstel van dingen naderen (Matth. 24:3-14; 2 Tim. 3:1-5; 1 Joh. 2:17). Intense haat en gewelddadigheid zullen nog heviger oplaaien. Minachting voor de wet zal erger worden. Vijandschap tegen al wat religieus is, zal alom verbreid worden. Deze geest zal zo sterk naar voren treden dat uiteindelijk de vernietiging van het hele rijk van valse religie, Babylon de Grote, er het gevolg van zal zijn. — Openb. 18:1-8.
Wanneer het einde van dit samenstel van dingen dus spoedig komt, wat zal dan onze grootste behoefte en ons kostbaarste bezit zijn? Niet ons geld, noch onze materiële bezittingen. Ook geen gunstig gezinde elementen van de wereld. Neen, maar ons kostbaarste bezit en onze grootste behoefte zal zijn: een onwankelbaar geloof in onze God, Jehovah.
Wij zullen er in ons hart en onze geest absoluut zeker van moeten zijn dat Jehovah werkelijk leeft en dat alles wat de bijbel over Hem zegt waar is. Wij zullen een krachtige overtuiging moeten bezitten dat onze redding gewaarborgd is, ook al slaagt de Duivel erin ons van het leven te beroven. Als er dan enige twijfel bestaat in uw geest of uw geloof enigszins zwak is, ja, als u er niet absoluut van overtuigd bent dat hetgeen u gelooft waar is, zult u met spijt te maken krijgen. Het zal moeilijk, zo niet onmogelijk zijn zonder dit geloof standvastig te blijven.
Een zeer dringende activiteit waarop wij ons thans moeten toeleggen, is ons geloof op te bouwen, te versterken en krachtig te maken. Zoals altijd zorgt Jehovah ervoor dat aan deze behoefte voldaan kan worden. Alles wat voor de opbouw van ons geloof nodig is, wordt in de dagelijkse activiteiten van de christelijke gemeente aangetroffen. Geloof wordt opgebouwd door middel van volhardend gebed, dagelijkse studie van Gods Woord, omgang met anderen die hetzelfde geloof hebben, getrouw vergaderingbezoek en geregelde deelneming aan de bediening. De christelijke gemeente treft regelingen voor al deze activiteiten.
Jehovah’s volk zou zeer onverstandig zijn wanneer het deze onontbeerlijke voorzieningen zou veronachtzamen. Hoe dwaas zou het zijn, gebed slechts in tijd van dringende behoefte als een noodzaak te bezien! Hoe verkeerd om studie van Gods Woord als geestdodend werk te beschouwen dat vermeden moet worden! Hoe kortzichtig om de noodzaak wereldse omgang te vermijden als een onbillijke beperking te bezien! Hoe onrijp zouden wij zijn als wij vergaderingen als van weinig belang op ons wekelijkse schema zouden beschouwen! Wat een gebrek aan waardering zouden wij tonen als wij slechts ongeregeld aan de bediening zouden deelnemen! Deze geloof-opbouwende activiteiten zijn uitermate kritiek in onze persoonlijke vooruitgang tot geestelijke sterkte.
In hoeverre bent u in dit programma betrokken? Bent u een getrouwe deelnemer of bezoekt u de vergaderingen slechts zo nu en dan? Bent u een actieve ondersteuner of een ongeïnteresseerde toeschouwer? Zijn persoonlijke belangen en het nastreven daarvan tot nu toe uw voornaamste zorg geweest? Op grond van datgene wat wij uit Gods Woord hebben geleerd, kunnen wij beseffen dat zij die thans hun geestelijke nood veronachtzamen, eens zullen wensen dat zij dit niet hadden gedaan. Zij vragen letterlijk om spijt.
Wij willen die spijtgevoelens niet hebben. De apostel Paulus gaf ons verstandige raad toen hij ons ertoe aanspoorde: „Doe uw uiterste best om u goedgekeurd aan God aan te bieden, als een werkman die zich nergens over behoeft te schamen [dat wil zeggen, nergens spijt over behoeft te hebben], die het woord der waarheid juist hanteert” (2 Tim. 2:15). Laat u door dat „woord der waarheid” leiden. Breng de beginselen ervan in alle aangelegenheden des levens van toepassing. Houd uw oog gericht op de schitterende hoop waarop het de aandacht vestigt. Door dit te doen, zullen u o zoveel ervaringen worden bespaard die niet anders dan spijt zouden veroorzaken.