De tong — Een kracht ten goede of ten kwade
„Ik zeg u dat de mensen van elk nutteloos woord dat zij spreken, rekenschap zullen geven op de Oordeelsdag, want naar uw woorden zult gij rechtvaardig worden verklaard en naar uw woorden zult gij worden veroordeeld.” — Matth. 12:36, 37.
1, 2. Waarvan zou ons toekomstige leven kunnen afhangen, en in welk opzicht hebben wij het resultaat in eigen handen?
TOEN Jezus de bovengenoemde woorden uitsprak, zou hij de woorden in gedachten gehad kunnen hebben die Salomo in Prediker 12:14 uitsprak: „God zal elke daad doen komen in het gericht over al het verborgene, hetzij goed, hetzij kwaad.” Dit brengt ons ertoe hierbij stil te staan en na te denken. Is de spraak zo belangrijk dat ze iemands toekomstige leven kan bepalen? Indien dit zo is, zou het voor iedereen nuttig blijken te zijn ’de balans op te maken’. Loont het de moeite ons leven van nu af aan zo te besturen dat wij de hoop kunnen koesteren in Gods nieuwe ordening van dingen leven te ontvangen?
2 Willen onze krachtsinspanningen lonend zijn, dan moeten ze met een doel worden verricht. Houd in gedachten dat de apostel Paulus zei dat hij liever hard voor zijn lichaam was en het als zijn slaaf in bedwang hield dan de gevolgen van verwerping onder de ogen te zien. Beseffend „dat het niet aan den mens staat zijn weg te kiezen, noch aan een man om te gaan en zijn schreden te richten”, moeten wij juiste leiding zoeken (Jer. 10:23). De bron van een dergelijke leiding is de bijbel, Gods geïnspireerde Woord. „Vertrouw op den HERE met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken” (Spr. 3:5, 6). Met een dergelijke goddelijke leiding dienen wij in staat te zijn openhartig te spreken, onze spraak op verstandige wijze te beheersen en „elke gedachte in gevangenschap [te brengen] ten einde ze gehoorzaam te maken aan de Christus”. — 2 Kor. 10:5.
3, 4. Over welke toestand in de gemeenten maakte Jakobus zich zorgen, en waarom kon hij deze toestand beschrijven?
3 Beschouw, om goed te beseffen wat een enorme taak dit is, eens wat de discipel Jakobus heeft te zeggen over wat hij „een weerspannig, schadelijk ding” noemt (Jak. 3:8). Hij was zich bewust van de macht van de tong, die ten goede of ten kwade kan worden aangewend. Als opziener in de gemeente te Jeruzalem en als lid van het besturende lichaam van de vroege kerk of gemeente, maakte hij zich zeer bezorgd over de interne moeilijkheden van de gemeenten, net zoals de apostel Paulus zich zorgen had gemaakt over de gemeente te Korinthe, waar twist, jaloezie, toorn, ruzies, achterklap, influisteringen, opgeblazenheid en algemene wanordelijkheden bestonden (2 Kor. 12:20). Jakobus deed derhalve een beroep op „de twaalf stammen die overal verstrooid zijn” om zorgvuldig de noodzaak te beschouwen alle vuilheid, zedelijke verdorvenheid, klassenonderscheid en dingen die tot struikelen leiden, weg te doen. — Jak. 1:1, 21; 2:4, 9.
4 Jakobus vroeg hun zich van hun onvolmaaktheden en de natuurlijke neiging tot struikelen bewust te zijn. Hij zei: „Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, in staat om ook zijn gehele lichaam in toom te houden. Indien wij paarden een toom in de bek leggen om ze ons te doen gehoorzamen, besturen wij ook hun gehele lichaam. Ziet! Zelfs boten, ofschoon ze zo groot zijn en door harde winden worden voortgedreven, worden door een heel klein roer gestuurd waarheen de neiging van de stuurman het wenst. Zo is ook de tong een klein lid en snoeft ze toch grotelijks. . . . Welnu, de tong is een vuur. De tong vormt een wereld van onrechtvaardigheid onder onze leden, want ze bevlekt het gehele lichaam en zet het rad van het natuurlijke leven in vlam.” Vervolgens zei Jakobus hoe dit inconsequente kleine lid, de tong, kan handelen: „Met haar zegenen wij Jehovah, ja, de Vader, en met haar vervloeken wij nochtans mensen die ’naar Gods gelijkenis’ zijn ontstaan. Uit dezelfde mond komt zegen en vloek voort.” Ja, de tong bezit stellig macht ten goede of ten kwade. — Jak. 3:2-6, 9, 10.
5, 6. (a) Welke vragen zou iedereen kunnen beschouwen? (b) Welke gunst kan ons ten deel vallen wanneer wij onze tong in bedwang houden?
5 Bij het lezen van deze woorden zult u waarschijnlijk aan mensen moeten denken die, precies zoals hier staat, ’dubbeltongig’ zijn of ’met twee monden spreken’. Maar wacht eens even; wordt u, bij een nadere beschouwing van Jakobus’ woorden niet gedwongen ze op uzelf van toepassing te brengen? Vormt u een uitzondering op de regel? Laat u uw tong wel eens onbeheerst de vrije loop, net zoals een bosbrand, waardoor zowel anderen als uzelf schade ondervinden? Vergeet u uw tong dusdanig te gebruiken dat ze zowel liefde voor de naaste als liefde voor God weerspiegelt? Dat wil zeggen, looft of zegent u God een gedeelte van de tijd en haalt u uw medemensen op andere tijden met dezelfde tong over de hekel? Gebruikt u uw lippen zelfs om God te vervloeken of Zijn naam te misbruiken als u zich niet complimenteus over anderen uitlaat? Dit zijn diepgaande vragen. Houd ze evenwel goed voor ogen; de belangrijkheid ervan dient beslist niet gebagatelliseerd te worden!
6 Dat iemand onvolmaakt is, vormt er voor hem nog geen verontschuldiging voor, voortdurend in dezelfde fout te vervallen. Als hij dit doet, zal zijn werkgever niet veel aan zijn diensten hebben. Zo ontbreekt ook „in de overvloed van woorden . . . overtreding niet, maar wie zijn lippen in bedwang houdt, handelt beleidvol. De tong van de rechtvaardige is uitgelezen zilver; het hart van de goddeloze is weinig waard. Het zijn de lippen van de rechtvaardige die velen blijven weiden, maar het zijn de dwazen die louter door gebrek aan hart [of, een goede beweegreden] blijven sterven.” Houd er dus niet mee op te spreken, uit vrees dat u fouten zult maken, maar neem het vaste besluit uw lippen in bedwang te houden, en dit is vooral belangrijk voor degenen die thans zo opmerkelijk door God worden geëerd dat zij ’herders’ mogen zijn die ’velen weiden’. — Spr. 10:19-21, NW, voetnoot (uitgave van 1957).
7. (a) Aan welke verkeerde praktijk geven velen zich over? (b) Hoe zou dit vermeden kunnen worden?
7 Het is in deze tijd, nu er overal zo’n minachting voor gezonde woorden bestaat, erg moeilijk voor de zondige mens om zijn lippen in bedwang te houden. Maar al te veel zijn geneigd ’met gelijke munt terug te betalen’, dat wil zeggen, zij kaatsen terug door dezelfde taal te gebruiken (Spr. 24:29). Zonder erbij stil te staan dat zij zich in werkelijkheid verlagen tot het lage niveau dat zij betreuren, verliezen zij hun kalmte en houden zij hun tong niet meer in bedwang. Iemand die in een geërgerde stemming verkeert, spreekt zoals hij denkt in plaats dat hij denkt aan wat hij spreekt. David was iemand die herhaaldelijk tot kwaadheid werd geprikkeld. Gaf hij echter lucht aan deze gevoelens? Hij zei: „Ik had gedacht: ik wil mijn wegen bewaren, opdat ik niet zondige met mijn tong; ik wil mijn mond met een muilband bedwingen, zolang de goddeloze voor mij staat” (Ps. 39:2 1). Hij was op de hoogte van de zondige neigingen van de mens: „In ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.” Daarom bad hij om hulp: „HERE, stel een wacht voor mijn mond, waak over de deuren van mijn lippen” (Ps. 51:7 5; 141:3). Ook wij kunnen en moeten niet alleen al het mogelijke doen om onze tong in onderworpenheid te houden, maar beseffend „dat het niet . . . aan een man [staat] om te gaan en zijn schreden te richten”, dienen wij Jehovah in gebed te vragen ons erbij te helpen zijn wil te doen. — Jer. 10:23.
DE TONG IN TOOM HOUDEN
8. (a) Welke verslaving moeten wij vermijden, en waarom? (b) Hoe zou iemand zichzelf kunnen brandmerken?
8 Wanneer wij onze tong in toom houden, zal dit ons niet in onze spraak beletten. Wij worden er echter door geholpen de spraak te zuiveren. Sommigen zeggen dat zij het moeilijk vinden, na zo lang met mensen van de wereld omgegaan te zijn, zelfs maar een kort gesprek te voeren zonder te vloeken. Het is net zo moeilijk geworden om met deze gewoonte te breken als met de gewoonte alcohol, verdovende middelen of tabak te gebruiken. Wanneer hun niet wordt toegestaan woorden te gebruiken waardoor God of Jezus op een „loszinnige” manier in het gesprek worden betrokken of om vulgaire woorden te gebruiken waaraan zij in het spraakgebruik gewend zijn geraakt, voelen zij zich ’als met stomheid geslagen’. Dit is een slechte gewoonte die niet alleen degene die eraan verslaafd is, oneer aandoet, maar ook Jehovah God, de Schepper van de tong. Zullen wij dit alleen maar met een schouderophalen van ons afzetten en ermee voortgaan Gods naam op een waardeloze wijze te gebruiken als wij weten dat dit Hem verdriet doet? Bestaat er een logische verdediging voor deze slechte gewoonte? Houd in gedachten: „Gij zult den naam van den HERE uw God, niet ijdel gebruiken, want de HERE zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt” (Ex. 20:7). Een dergelijke taal is in geen enkel opzicht prijzenswaardig. Hoewel iemand die zich aan een dergelijke spraak bezondigt, dit misschien niet beseft, wordt hij hierdoor automatisch gebrandmerkt en plaatst hij zich in een bepaalde klasse. Het is beslist niet iets waarover hij kan pochen. „Zij blijven maar opwellen, zij blijven maar onbeteugeld spreken; alle beoefenaars van wat schadelijk is, blijven maar pochen in verband met zichzelf.” — Ps. 94:4, NW.
9. Op grond van welke schriftuurlijke redenen dienen christenen in deze tijd hun tong in bedwang te houden?
9 Christenen hebben de machtiging ontvangen om als „gezanten [op te treden] in de plaats van Christus”, om „als lichtgevers in de wereld” te schijnen, om „’alom de voortreffelijkheden bekend te maken’ van degene die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaarlijke licht”, om „het licht der wereld” te zijn (2 Kor. 5:20; Fil. 2:15; 1 Petr. 2:9; Matth. 5:14). Om ons deze hoge eer waardig te betonen, dienen wij dat belangrijke kleine instrument, onze tong, nauwgezet in bedwang te houden, zodat het doel waarvoor ze in Gods dienst gebruikt dient te worden, niet verijdeld zal worden. Wat christenen in deze tijd zeggen en doen, spiegelt niet alleen af op de boodschap die zij dragen, maar ook op degene die zij vertegenwoordigen. Als lichtdragers van het goede nieuws van Gods opgerichte koninkrijk, kunnen zij God eer toebrengen, maar alleen als zij juiste lichtdragers zijn. „Laat [dus] uw licht voor de mensen schijnen, opdat zij uw voortreffelijke werken mogen zien en uw Vader, die in de hemelen is, heerlijkheid geven.” — Matth. 5:16.
10. Waarom is het belangrijk in deze tijd zorgvuldig zijn vrienden uit te kiezen?
10 Sommigen zeggen altijd maar „wat hun voor de mond komt”, zonder zich er blijkbaar om te bekommeren wat hieruit zal voortvloeien, zelfs als dit een averechtse uitwerking heeft op intieme vrienden. U hebt geleerd zulke personen te mijden; u voelt u zelfs besmet wanneer u met hen omgaat, aangezien u bang bent dat hun onattente gedrag op u zal overgaan. Ja, u weet dat slechte omgang nuttige gewoonten bederft, dat slechte gezelschappen goede zeden bederven, ja, dat slechte gesprekken nadelig zijn voor de goede zeden (1 Kor. 15:33, NW; SW; LV). Zoek uw vrienden dus zorgvuldig uit. Waarom zou u niet vrienden kiezen die het besluit hebben genomen: „Laten wij door bemiddeling van [Jezus] God altijd een slachtoffer van lof brengen, namelijk de vrucht der lippen die zijn naam in het openbaar bekendmaken”? — Hebr. 13:15.
11. (a) Waartoe kan gedachteloze en onbeheerste spraak leiden? (b) Hoe kan iemand de schade die door een ondoordacht woord is aangericht, ongedaan maken, en wanneer?
11 Zulke excuses als ’Het spijt me’, ’Ik bedoelde er niets mee’, ’Ik versprak me’ en ’Ik sprak zonder na te denken’ kunnen inderdaad tot op zekere hoogte onopzettelijk toegebrachte wonden, doordat iemand zijn tong niet beheerste, genezen. Hoeveel beter is het echter om na te denken voordat u spreekt! Hoeveel beter is het voor de geest om opbouwend te zijn in uw spraak! Wat kunnen woorden die gedachteloos worden uitgesproken een schade berokkenen! Onbeheerste spraak wordt gewoonlijk in onnadenkendheid geuit. Ze kan tot onenigheid, verdeeldheid en hartepijn leiden. Iemand die graag de twee grote geboden van liefde voor God en liefde voor de naaste wil nakomen, moet derhalve zijn tong in toom houden. Wanneer hij echter onopzettelijk, door gedachteloos te spreken, iemand anders kwetst, dient hij nederig genoeg te zijn om zijn trots opzij te zetten en zijn excuses aan te bieden, ja, hij dient om vergeving te vragen. In plaats van toe te staan dat de breuk zich verwijdt, dient hij deze bij de eerstvolgende gelegenheid te genezen. Hij dient de zon niet te laten ondergaan terwijl hij in een geërgerde stemming verkeert. Het is zeer te prijzen, wanneer iemand die zich tactloos heeft uitgelaten, dit weer goedmaakt. Hij zal niet alleen datgene genezen wat een diepe wond zou kunnen worden, maar zijn eigen geweten zal zowel in de ogen van God als in de ogen van degene die hij heeft beledigd, rein worden. — Ef. 4:26; Hand. 24:16; Ef. 4:31, 32; Matth. 5:22.
12, 13. (a) Waarom moet een christen geen „gladde lippen” gebruiken of „dubbeltongig” zijn? (b) Welk gevaar schuilt er in het luisteren naar „vleiend gepraat”?
12 David heeft profetisch vooruitgewezen naar de tijd waarin wij leven, zeggende: „Want getrouwe mensen zijn verdwenen uit de zonen der mensen. Onwaarheid blijven zij tot elkaar spreken; met gladde lip blijven zij zelfs dubbelhartig spreken. Jehovah zal alle gladde lippen afsnijden, . . . hen die hebben gezegd: ’Met onze tong zullen wij de overhand hebben. Onze lippen zijn met ons. Wie zal meester over ons zijn?’” (Ps. 12:1-4, NW; vs. 2-5, NBG). Degenen die in deze tijd „dubbelhartig” zijn, gelijken op de ontrouwe priesters en oudere mannen die in Jeruzalem achterbleven nadat een representatief aantal in 617 v.G.T. gevankelijk naar Babylon was weggevoerd. Ezechiël brengt verslag uit van hun grootspraak en hun pogingen zich voor het deelnemen aan valse, verachtelijke heidense aanbidding te rechtvaardigen, door te zeggen: „Jehovah ziet ons niet” (Ezechiël, de hoofdstukken 8 en 9). Petrus geeft vermanende raad in verband met zulk een dubbelhartigheid en dubbeltongigheid: „Wie het leven wil liefhebben en goede dagen wil zien, weerhoude zijn tong van wat slecht is en zijn lippen van het spreken van bedrog” (1 Petr. 3:10). Hiermee beaamde hij Salomo’s woorden in Spreuken 4:24: „Doe weg van u de valsheid van mond en houd ver van u de verkeerdheid der lippen.” Een van de vereisten waaraan een bedienaar in de bediening in de christelijke gemeente dient te voldoen, is dat hij niet „dubbeltongig” mag zijn. Vleiend gepraat, complimenteuze woorden en vrome begroetingen hebben ten doel het hart van argelozen of geen kwaad vermoedende mensen te verleiden of van de waarheid af te keren. — 1 Tim. 3:8; Rom. 16:18; Matth. 23:6, 7.
13 Maar al te vaak willen mensen in deze tijd graag dat hun oren worden gekitteld. Zij houden van een ’zachte religie’. Zij houden ervan dingen te horen die hun een gevoel van zekerheid en welzijn schenken, niet noodzakelijkerwijs dingen waardoor zij wakker geschud zouden kunnen worden voor het dragen van verantwoordelijkheid. Paulus zei dat er een tijd zou komen „dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar zich overeenkomstig hun eigen begeerten tal van leraren zullen bijeenbrengen om hun oren te laten kittelen, en zij zullen hun oren van de waarheid afwenden” (2 Tim. 4:3, 4). Wees dus op uw hoede voor degenen die complimenteuze woorden gebruiken, die op vleiende wijze met twee monden spreken, want „gladder dan boter zijn de woorden van zijn mond, maar zijn hart is geneigd tot strijd. Zijn woorden zijn zachter dan olie, maar het zijn getrokken zwaarden” die onnoemelijk veel schade kunnen aanrichten. David kon deze in Psalm 55:21 (NW; vs. 22, NBG) opgetekende woorden zeer terecht uitspreken. In Jezus’ dagen werd er (net als in de dagen van Jesaja) vaak ’met twee monden’ gesproken, met het gevolg dat Jezus hier openlijk tegen uitvoer en datgene aanhaalde wat God door bemiddeling van de profeet Jesaja had gezegd: „Dit volk eert mij met hun lippen, maar hun hart is ver van mij verwijderd. Tevergeefs blijven zij mij aanbidden, omdat zij mensengeboden als leerstellingen onderwijzen.” — Matth. 15:8; Jes. 29:13.
HAAR POSITIEF TEN GOEDE GEBRUIKEN
14. Wat is er bij het beheersen van de tong betrokken?
14 Het beheersen van de tong is niet beperkt tot het vermijden van het zeggen van dingen waardoor God en mensen worden onteerd, net zomin als men de goedkeuring van zijn werkgever zal ontvangen door het te vermijden fouten te maken. Er is een positieve zijde aan deze zaak. Wanneer men de tong beheerst, gebruikt men haar om de Schepper, zichzelf en zijn medemensen te eren. Wat wordt de tong op waardevolle wijze gebruikt wanneer ze het middel vormt om de naam, de oppermacht en het koninkrijk van Jehovah God hoog te houden! Iedere christen dient in zijn hart het vaste besluit te nemen elke dag enige tijd opzij te zetten om juist dát te doen, en dit besluit dient nu genomen te worden. Er zal zich nooit een gunstiger tijd voordoen. — Kol. 4:5, 6.
15. In welke verschillende opzichten kan de tong voor het verrichten van een genezingswerk worden gebruikt?
15 In deze tijd kan het verheffende gebruik van de tong op vrijwel elke fase van ons leven worden toegepast. „Als gouden appels in zilver beeldsnijwerk is een woord, gesproken op de juiste tijd ervoor” (Spr. 25:11, NW). Inderdaad „zijn er wier gepraat werkt als dolksteken, maar de tong der wijzen brengt genezing aan” (Spr. 12:18). In dit huidige, goddeloze samenstel van dingen is het wellicht onmogelijk de tong volmaakt te beheersen, maar de meeste mensen kunnen een belangrijker genezingswerk verrichten dan zij op het ogenblik tot stand brengen. Er kunnen woorden van de genezing aanbrengende tong worden uitgesproken in het huis waar iemand ziek is; wanneer iemand gewond is; in tijden van verdriet; wanneer men zich zorgen maakt over gezondheid, onzekerheid of mislukkingen, er kunnen vertroostende woorden worden gesproken wanneer er angst bestaat dat anderen iemand niet mogen, of zelfs om een tegenwicht te vormen voor de vrees alleen te zijn. Iemand die over inzicht beschikt, kan over werkelijke waarden vertellen en hulp bieden bij het overwinnen van bezorgdheden. „Bezorgdheid in het hart van een man, die zal het neerbuigen, maar het is het goede woord dat maakt dat het zich verheugt.” — Spr. 12:25, NW.
16. Slechts wanneer kan er werkelijke vertroosting worden gegeven, en hoe gebeurt dit dan?
16 Net zoals een arts geen hulp kan bieden wanneer hij niet weet hoe hij een genezing, of op zijn minst een zekere verbetering, tot stand kan brengen, staat ook iemand die niet weet hoe hij het „goede woord” moet doorgeven aan degenen die hier behoefte aan hebben, in werkelijkheid met een mond vol tanden. Wil iemand de tong beheersen, dan dient hij deze dus doeltreffend te gebruiken. Een ijverige studie van Gods Woord de bijbel is lonend. De bijbel is de enige bron van werkelijke troost, want hij is het woord van de God van alle vertroosting. Wij zien naar Jehovah God op voor het verkrijgen van een op juiste wijze geïnstrueerde tong, zodat wij onze tong ten goede kunnen gebruiken. In Jesaja 50:4 (NW) zei de profeet: „De Heer Jehovah zelf heeft mij de tong der onderwezenen gegeven, opdat ik wete de vermoeide met een woord te antwoorden.” Om de vermoeiden te kunnen vertroosten, hebben wij zo’n tong van de onderwezenen nodig, en wij dienen Jehovah er in gebed om te vragen. Hij juicht het toe wanneer een rechtvaardige tot hem bidt, zoals Jakobus ons verzekert: „De smeking van een rechtvaardige heeft, als ze in werking is, veel kracht.” Zo’n gebed, dat „in werking is”, moet dus vergezeld gaan van werken. — Jak. 5:16; 2:14-26.
17. Waardoor wordt de juiste leiding van de tong verzekerd?
17 De geest die onderricht heeft ontvangen, is ervoor verantwoordelijk dat de tong op juiste wijze wordt geïnstrueerd. De geest moet derhalve met waarheid worden gevoed. Hij moet door Gods werkzame kracht, zijn heilige geest, worden geleid, zodat hij de tong kan instrueren de „woorden van Jehovah” te spreken, die „zuivere woorden [zijn], als zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, zeven maal gereinigd [gezuiverd]” (Ps. 12:6, NW; vs. 7, NBG). Er bestaat thans een groep mensen die om een dergelijke goddelijke leiding hebben gebeden en deze hebben aanvaard en hun leven hebben opgedragen om Jehovah te dienen. Zij hebben de smeekbede opgezonden: „Maak mij úw wegen bekend, o Jehovah; leer mij úw paden. Doe mij in uw waarheid wandelen en leer mij, want gij zijt mijn God van redding” (Ps. 25:4, 5, NW). Zij gebruiken derhalve hun tijd, hun krachtsinspanningen en alle mogelijkheden die zij bezitten om datgene te doen wat God behaagt. Zij vormen een organisatie van mensen die spreken. Zij doen er hun best voor hun tong nauwgezet in bedwang te houden. Zij staan niet met de mond vol tanden. Zij zouden in verlegenheid worden gebracht als zij hun tong niet zouden gebruiken. Meer dan dat, zij zouden ontrouw zijn aan hun opdracht (1 Kor. 9:16). Zij zijn zich er derhalve van bewust dat zij met verstand te werk moeten gaan als zij Jehovah lof brengen. Daarom bestuderen zij de bijbel.
18. Hoe waardevol is gemeentelijke studie, maar wat vormt een noodzakelijk onderdeel van onze aanbidding van God?
18 Een studie van de bijbel is noodzakelijk om Jehovah op aanvaardbare wijze te kunnen aanbidden. Hoewel er geen vervangingsmiddel voor persoonlijke studie bestaat, is ze niet voldoende. Daarom treffen Jehovah’s getuigen er over de gehele aarde (behalve in landen waar zowel politieke als religieuze demonische, anti-God autoriteiten dit door middel van een totalitaire wet verhinderen) regelingen voor dat zij bij vijf gelegenheden wekelijks bijeenkomen om Gods Woord samen te bestuderen en ook om te bespreken hoe zij hun tong het beste kunnen gebruiken om God te loven. Zij beseffen dat er bij het aanbidden van God meer is betrokken dan bijeen te komen; zij moeten ’de boodschap gehoorzamen’ en er niet ’slechts naar luisteren’ om Gods goedkeuring te genieten. Het in bedwang houden van onze tong en onze aanbidding van God zijn derhalve nauw met elkaar verweven. De dienstknecht van God moet God dagelijks loven: thuis met zijn gezin, in de omgang met zijn vrienden, op zijn werk, op school en tijdens zijn spel. Hij kan ’de touwtjes nooit laten vieren’ en zich er tijdelijk aan onttrekken zijn beheerste tong op een juiste wijze te gebruiken. Wij moeten in gedachten houden dat wij „een theatraal schouwspel [zijn] geworden voor de wereld, zowel voor engelen als voor mensen.” — 1 Kor. 4:9; Jak. 1:22.
19, 20. (a) Beschrijf een bijzonder aangenaam gebruik van de tong. (b) Welke onontkoombare verantwoordelijkheid komt er op degenen te rusten die hulp ontvangen?
19 Ook dient het dagelijks loven van God in de van-huis-tot-huisbediening niet over het hoofd gezien te worden. Wat is dit een vreugdevol en lonend gebruik van de tong! In deze dienst is de tong, die getoetst wordt, een werkelijke kracht ten goede. Mensen met een eerlijk hart trachten te weten te komen wat zij kunnen doen om Gods gunst te genieten, hoe zij ervoor in aanmerking kunnen komen „mensen van goede wil” te zijn en leven te ontvangen. Jehovah’s getuigen zijn blij dat zij het voorrecht genieten als ’redders van levens’ te mogen optreden door het „woord des levens” naar zulke mensen toe te brengen, hen thuis op te zoeken, de bijbel met hen te bestuderen en hun aan te tonen wat er van hen wordt verlangd om voor leven in aanmerking te komen. Geen wonder dat deze mensen, net als de geheime agenten die werden uitgezonden om Jezus te arresteren, uitroepen: „Nooit heeft iemand anders op deze wijze gesproken.” Wat verschilt dit van de dingen die zij gewoonlijk horen!
20 Nadat zulke eerlijke zoekers naar rechtvaardigheid erbij zijn geholpen tot een nauwkeurige kennis der waarheid te komen, beseffen zij dat er nu een verantwoordelijkheid op hen rust; dat zij, omdat zij hebben ontvangen, nu moeten geven, en zij vinden dit een vreugdevolle verantwoordelijkheid, zoals Jezus had voorzegd (Hand. 20:35). Salomo’s uitlating is nu op hen van toepassing: „Onthoud het goed niet aan wien het toekomt, terwijl het in uw macht is het te doen. Zeg niet tot uw naaste: ’Ga heen en kom terug, morgen zal ik geven — terwijl gij het hebt” (Spr. 3:27, 28). Wanneer levengevende inlichtingen worden onthouden doordat men om de een of andere reden zijn mond houdt, kan dit zowel voor degene die de inlichtingen onthoudt als voor degene aan wie ze worden onthouden, het verlies van leven tot gevolg hebben. Het juiste gebruik van de tong kan hun beiden echter leven schenken. „Er staat geschreven: ’Zowaar ik leef’, zegt Jehovah, ’voor mij zal elke knie zich buigen en iedere tong zal God openlijk erkennen.’ Zo zal dan een ieder van ons voor zichzelf rekenschap afleggen aan God.” — Rom. 14:11, 12.
21. Welke verdere hulp wordt er geboden?
21 Men behoeft zich thans niet verdrietig te voelen omdat men niet in staat is de waarheden uit de bijbel op te diepen die zo noodzakelijk zijn om te weten te komen hoe men God moet behagen. Jehovah heeft in deze tijd zijn „getrouwe en beleidvolle slaaf”-organisatie op aarde om geestelijk voedsel op deze ’juiste tijd’ te verschaffen (Matth. 24:45-47). Er zijn thans 24.900 gemeenten over de gehele aarde met deze organisatie verbonden. Er is een gemeente bij u in de buurt. U kunt de vergaderplaats herkennen aan het bekende teken: KONINKRIJKSZAAL VAN JEHOVAH’S GETUIGEN. Die organisatie verschaft hulpmiddelen voor bijbelstudie in 166 talen om mensen van elke nationaliteit bij te staan. Dit tijdschrift, De Wachttoren, wordt zelf in 71 talen gepubliceerd en van de laatste uitgave werden 4.950.000 exemplaren gedrukt. Bovendien zijn met deze organisatie ruim één miljoen honderdduizend personen verbonden die er druk mee bezig zijn hun tong te gebruiken om de Oppermachtige Soeverein van het universum, Jehovah God, te verheerlijken en naastenliefde ten toon te spreiden. Die liefde treedt aan het licht doordat zij steeds weer opnieuw mensen opzoeken van alle rassen, talen en geloofsrichtingen om hen te helpen de hemelse Vader beter te leren kennen, opdat zij „worden gered en tot een nauwkeurige kennis van de waarheid komen” (1 Tim. 2:4). Heet hen welkom wanneer zij u thuis opzoeken om een dergelijke hulp te bieden.
22. Welke tot de dood leidende fout begingen Adam en Eva, en welk besluit dient elk schepsel derhalve thans te nemen?
22 Onze gemeenschappelijke ouders, Adam en Eva — die naar Gods beeld en gelijkenis werden geschapen met de onbetwiste bekwaamheid hun tong volmaakt te gebruiken tot eer van hun Maker — onteerden en smaadden Hem door de zijde te kiezen van degene die zijn tong misbruikte, de oorspronkelijke leugenaar, de Duivel. Zij verloren het recht op toekomstig leven. In deze tijd wordt het voorrecht, dat door God verschafte instrument — de tong — op juiste wijze te gebruiken, aan de mens aangeboden. Allen die naar waarheid zoeken, dienen Jehovah te erkennen als de gever van alle goede gaven, met inbegrip van het spraakvermogen, en zich geheel en al aan Hem op te dragen. Wij staan op de drempel van Gods nieuwe ordening onder zijn eeuwige koninkrijk van rechtvaardigheid. Gedurende die nieuwe ordening zal „alles wat adem heeft” Jehovah loven (Ps. 150:6). Hier staat tegenover dat iedereen die niet zulk een lof schenkt, zich niet onder degenen zal bevinden die ademen. „Nu in het bijzonder is het de tijd van aanvaarding”, de tijd om onze stem tot eer van onze Schepper te gebruiken, aangezien deze handelwijze tot leven leidt (2 Kor. 6:2). Het gebed van iedereen dient te luiden: „Laten de woorden van mijn mond en de meditatie van mijn hart welgevallig voor u worden, o Jehovah, mijn Rots en mijn Verlosser.” — Ps. 19:14, NW; vs. 15, NBG.