Loyaliteit jegens Jehovah’s organisatie
ZOALS VERTELD DOOR S. A. LIWAG
„EÉN ding heb ik van Jehovah gevraagd — het is waarnaar ik zal uitzien, dat ik al de dagen van mijn leven in het huis van Jehovah mag wonen om de aangenaamheid van Jehovah te aanschouwen en met waardering op zijn tempel te zien.” — Ps. 27:4, NW.
Die schriftuurplaats drukt precies uit wat ik gewenst heb sinds ik Jehovah leerde kennen, en in de loop der jaren is dat verlangen sterker geworden. Ik heb gezien hoe Jehovah degenen die zijn organisatie in haar krachtsinspanningen loyaal steunen, altijd rijkelijk zegent. Een dergelijke loyale dienst resulteert bovendien in een grote persoonlijke voldoening en vele anderen worden erdoor geholpen het onuitsprekelijke voorrecht te genieten Jehovah in zijn zichtbare organisatie te dienen.
LOYALITEIT REEDS VROEG OP DE PROEF GESTELD
Mijn loyaliteit jegens Jehovah en zijn organisatie werd reeds vroeg en dikwijls op de proef gesteld. Ik werd in een rooms-katholiek gezin geboren, maar ik stelde er altijd belang in te weten wat nu eigenlijk precies de waarheid is. Toen ik in het begin van de dertiger jaren onderwijzer was aan een school in Cabanatuan, maakte ik om deze reden een diepgaande studie van religie. De lectuur van de verschillende religiën die ik bestudeerde, schonk mij geen werkelijke voldoening, maar toen kreeg ik de publikaties van de Watch Tower Society in handen. Na deze onderzocht te hebben, wist ik dat wat daarin stond, de waarheid was. Daarom was deze boodschap het waard aan anderen verteld te worden, en om die reden droeg ik mijn leven in 1933 aan Jehovah op.
Met het uitbreiden van mijn kennis ging ik een steeds beter begrip krijgen van de positie die een christen in dit samenstel van dingen inneemt. De brochure Het koninkrijk, de hoop der wereld vestigde mijn aandacht op de allerbelangrijkste waarheid dat Gods koninkrijk de enige hoop voor de mensheid is, de enige remedie voor alle kwalen van de wereld. Ik redeneerde dat indien ik mijn stem uitbracht op de een of andere menselijke regering, kandidaat of politieke partij, ik met betrekking tot de aangelegenheden van deze wereld niet neutraal zou zijn zoals Christus Jezus dit was geweest (Joh. 17:16, NW). In feite zou ik deloyaal zijn jegens Jehovah’s eigen regering en zou ik de grote waarheid dat Gods koninkrijk ’s mensen enige hoop is, loochenen. Dit kon en wilde ik niet. Dat ik de wereldse politiek de rug toekeerde, bracht in mijn familie echter een crisis teweeg en had tot gevolg dat ik verstoten werd en het huis werd uitgezet.
Daar ik in mijn woonplaats de enige getuige van Jehovah was, merkte ik dat het voorrecht van het gebed een grote bron van kracht en troost is. Ook de wetenschap dat ik Gods wil deed en ter wille van de rechtvaardigheid lijden moest ondergaan, vormde een bron van kracht en troost. Ik voelde Jehovah God zo dicht bij mij, dat ik de in Psalm 27:10 opgetekende woorden: „Al hebben mijn vader en moeder mij verlaten, toch neemt de HERE mij aan”, volkomen kon onderschrijven. Mijn loyale God en hemelse Vader heeft dit namelijk zeer beslist gedaan. — Spr. 18:10.
Onder leiding van het bureau van het Genootschap in Manila leerde ik doeltreffender prediken. Met een koffer vol bijbelse lectuur ging ik van huis tot huis; eerst leidde ik de boodschap met behulp van een getuigeniskaart bij de mensen in, waarna ik dieper op de zaak inging en de bijbelstudiehulpmiddelen aanbood.
Terwijl ik maand in maand uit op deze wijze voortging, besefte ik niet dat ik voor mijn stadgenoten, en speciaal voor mijn medeonderwijzers, een schouwspel was geworden. Toen volgde er een tweede crisis, deze keer in verband met mijn beroep van onderwijzer. Ik werd op het kantoor van de districtsschoolinspecteur ontboden en kreeg te horen dat ik niet met de van-huis-tot-huis-prediking in de weekends kon doorgaan en tegelijkertijd schoolonderwijzer zijn. Ik zette uiteen dat iedereen, met inbegrip van onderwijzers aan een openbare school, het recht heeft zijn religie op zijn eigen manier te beoefenen. Het was tevergeefs. Er werd mij gevraagd ontslag te nemen. Ik zei de inspecteur echter dat ik aan dit verzoek geen gehoor kon geven. Hij kon doen wat hij wilde en zou hiervan zelf rekenschap moeten afleggen aan de Almachtige God.
GEZEGEND DOOR DE RAAD VAN HET GENOOTSCHAP OP TE VOLGEN
Ik stelde de toenmalige president van het Genootschap, J. F. Rutherford, per brief op de hoogte van hetgeen mij overkwam. Als antwoord kreeg ik een heel vriendelijk schrijven waarin hij mij adviseerde het pionierswerk ter hand te nemen wanneer ik als onderwijzer mijn ontslag zou krijgen. Dit deed ik, en sindsdien heeft de volle-tijd-prediking en het volle-tijd-onderwijs, of het nu bovengronds of ondergronds moest geschieden, mij geweldig veel vreugde geschonken. De bediening van het evangelie is oneindig vreugdevoller en bevredigender gebleken dan het onderwijs op een school of enige andere bezigheid.
Nadat ik op 1 oktober 1934 mijn opdracht aan Jehovah God door middel van de waterdoop had gesymboliseerd, kregen een andere pionier en ik de toewijzing het Tagalog-gebied op centraal-Luzon te gaan bewerken. Hoewel het pionieren in die dagen heel anders in zijn werk ging dan thans, was het niet minder opwindend en vreugdevol. Evenals nu was er veel geloof voor nodig.
Toentertijd waren alle gebieden maagdelijk en wij moesten nieuwe dialecten leren zodat wij in elk gebied waar wij naartoe gingen, met de mensen konden spreken. Wanneer wij in een nieuwe stad aankwamen, zochten wij eerst een verblijfplaats. Vonden wij er niet onmiddellijk een, dan vroegen wij toestemming om in het stadhuis te logeren, ook al moesten wij daar in een lege gevangeniscel overnachten. Bij het van-huis-tot-huiswerk bleven wij dan naar een onderkomen uitzien en wij verhuisden wanneer wij iets gevonden hadden.
Gewoonlijk predikten wij eerst op regeringsbureaus, in scholen en in de stad zelf. Daarna bewerkten wij het landgebied voor zover dit voor ons bereikbaar was. Wij vulden onze boekentassen en droegen nog extra bundels lectuur onder de arm. Wij staken rivieren over en beklommen bergen, aten wat wij onderweg konden krijgen en sliepen waar wij ons bij het invallen van de nacht bevonden, totdat onze lectuurvoorraad uitgeput was. Waar wij ook een slaapgelegenheid vonden, overal beloonden wij de huisbewoner voor zijn gastvrijheid, door hem bekend te maken met Jehovah God en zijn koninkrijk. Dikwijls spraken wij tot diep in de nacht. Voorts boden wij hem de volgende ochtend vóór ons vertrek als geschenk een paar brochures aan indien hij deze al niet in zijn bezit had.
Wij maakten uitvoerig gebruik van het ruilsysteem en wel in het bijzonder in de landgebieden, waar wij in ruil voor bijbelse lectuur rijst, eieren, kippen, suiker en andere produkten ontvingen. Wij zagen de letterlijke vervulling van Jezus’ woorden in Matthéüs 6:33 (NW), waar hij zei: „Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken, en al deze andere dingen zullen u worden toegevoegd.”
In februari 1936 kreeg ik een oproep voor Betheldienst op het bijkantoor in Manila. Vandaar werden mijn vroegere pionierpartner en ik uitgezonden om een begin te maken met het werk in de Visaya-archipel en op Mindanao. Wij vertrokken naar Cebu, de op één na grootste stad van de Filippijnen, vanwaar wij in verschillende richtingen werkten.
Daar gunstig gezinde personen de waarheid aanvaardden, zich aan Jehovah opdroegen en ons bij het werk gingen helpen, werd de groep steeds groter. Dit maakte een splitsing noodzakelijk. Mijn trouwe pionierpartner leidde één groep oostwaarts naar de eiland-provincies Bohol, Leyte en Masbate. Ik leidde de andere groep westwaarts naar Negros, Panay en vervolgens in zuidelijke richting naar Mindanao.
Overal bestreden katholieke priesters en protestantse zendelingen van alle groeperingen ons predikingswerk met hand en tand. Zij vielen ons aan vanaf hun kansels en in hun publikaties. De mensen die Jehovah en zijn koninkrijk liefhadden, bleven zich echter openbaren, niet zelden als een rechtstreeks gevolg van deze gewelddadige oppositie tegen ons.
ONDERGRONDS GEDURENDE DE JAPANSE BEZETTING
In het begin van 1939 werd ik naar Manila teruggeroepen, waarna wij in het grote operagebouw van de stad ons eerste congres op de Filippijnen hadden. Het hoogtepunt was de op grammofoonplaten opgenomen lezing „Heerschappij en Vrede” van broeder Rutherford. Bijna alle 300 broeders gaven in de zakenwijken van Manila bekendheid aan deze openbare lezing. Het was interessant de verschillende reacties van de toeschouwers — bewondering, geamuseerdheid, gejouw, haat — te zien. Een van hen leverde het volgende commentaar: „Ik wist niet dat er zoveel getuigen van Jehovah waren. Ze zijn zo talrijk als sprinkhanen!”
In 1940 werd ik met zes pioniers naar het noorden gezonden om een begin te maken met het werk in het Iloko-gebied en de Cagayan-vallei. Eens brachten wij vanwege onze prediking meer dan een maand in de gevangenis door, maar nadat wij waren vrijgelaten, keerden wij terug naar de plaats waar wij waren opgehouden en gingen wij verder met de bewerking van ons gebied in de richting van de Cagayan-vallei.
In het begin van 1941 werd ik weer teruggeroepen naar Manila, waarna ik de toewijzing ontving verschillende groepen in de Visaya-archipel en op Mindanao in het zuiden te gaan bedienen. Tegen het eind van november van dat jaar had ik mijn zending in het zuiden volbracht en passage geboekt op een boot die op 8 december naar Manila zou vertrekken.
Dit ging niet door. Net toen ik een groep pioniers te Toril in de stad Davao had bezocht, deden de Japanse luchtmacht en marine gelijktijdig een bliksemaanval.
Met Japanse soldaten op onze hielen namen wij met al de lectuur die wij konden dragen, de wijk naar het heuvelland. Soms kwamen zij vóór ons op bepaalde belangrijke punten aan, waardoor wij een andere route moesten nemen en meestal ’s nachts door oerwouden vol bloedzuigers en over ongebaande berghellingen moesten trekken. Afzonderlijk en in groepjes vervolgden wij onze tocht naar nog niet bezet gebied.
Wij studeerden zoveel mogelijk in Gods Woord en baden onophoudelijk om goddelijke leiding, kracht en bescherming. Wij wachtten niet totdat er zich een gelegenheid voordeed om te prediken, maar schiepen zelf gelegenheden om het Woord van troost en leven aan anderen door te geven. Toen onze voorraad lectuur kleiner begon te worden, bepaalden wij ons ertoe de brochures alleen nog maar uit te lenen aan geïnteresseerde personen, waarna wij hen weer bezochten om bijbelstudiën op te richten. Na verloop van tijd waren wij een reizende gemeente van ongeveer tweehonderd personen geworden, ongeveer half om half Visayas en Iloko; wij leerden hun dialecten spreken, wat vele voordelen afwierp.
Meermalen kwamen wij klem te zitten tussen de Japanse strijdkrachten en de plaatselijke guerrillatroepen, of vielen wij in handen van rondzwervende gewapende bandieten. Onze wonderbaarlijke God Jehovah bevrijdde ons steeds weer, zodat wij alleen enkele personen verloren die aan malaria of van pure uitputting, veroorzaakt door bijna vier jaar ontberingen, stierven.
Het was zeer verbazingwekkend te zien dat wij, wanneer wij onze tenten op een bepaalde plaats hadden opgeslagen, er niet in slaagden verder te trekken als wij niet al het toegankelijke gebied hadden bewerkt. Streken wij echter op een plek neer en waren wij van plan langer te blijven, dan gebeurde er, wanneer al het beschikbare gebied bewerkt was, zonder mankeren iets waardoor wij ons gedwongen voelden weer op te breken. Was het de hand van Jehovah die ons leidde? Wij twijfelden hier niet aan.
Toen de situatie benauwder werd en er geen enkel contact meer bestond met de broeders in andere delen van de Filippijnen, waren wij gedwongen steeds dieper het maagdelijke oerwoud van Mindanao in te trekken. De Japanners hadden een prijs op mijn hoofd gesteld, dood of levend.
Twee jaar lang moesten wij als een afgescheiden gemeenschap in het oerwoud leven zonder dat wij, de prediking daargelaten, met de buitenwereld in contact kwamen. Wij ontgonnen stukken grond en leefden van wortels en wilde vruchten en van het vlees van wilde varkens en apen totdat wij de door onszelf verbouwde rijst, maïs en zoete aardappels konden oogsten. Er werden regelingen getroffen opdat de verschillende familiegroepen de dagtekst zouden bespreken; dit gebeurde meestal ’s avonds wanneer de kans op overvallen door de Japanners of de inheemse guerrillatroepen kleiner was. Beide partijen namen het ons zeer kwalijk dat wij hun kant niet kozen. Eens per week hadden wij een gemeentestudie in het Ceboe-Visayaans en het Iloko.
De tijd brak aan dat het grootste deel van onze lectuur verloren was gegaan of versleten was. Wij hadden nog maar enkele exemplaren van de bijbel over. Hoe werd het predikingswerk toen gedaan? Wel, wij verdeelden de broeders in groepjes van zes tot acht personen. De helft van deze groepjes werkte een week voor het voedsel dat de gemeenschap nodig had, terwijl de andere helft ging prediken. De volgende week werd dit omgedraaid. In elke groep had men één of twee rijpe broeders die een getuigenis van één uur over het Koninkrijk konden geven. Tot elke groep behoorden één of twee kinderen die werden opgeleid om over hetzelfde onderwerp een samenvatting van vijf minuten te geven. Elke groep bezat één exemplaar van de bijbel. Wanneer zo’n groep naar een huis of hut ging, sprak één van hen de begroeting uit en zette het doel van het bezoek uiteen, waarbij hij de spreker en zijn onderwerp inleidde. Na de informele lezing die één uur duurde, opperde de „voorzitter” het idee om de lezing samen te vatten, hetgeen dan door een van de kinderen werd gedaan. Na dit overzicht nodigde de voorzitter de huisbewoners uit vragen te stellen. Hadden zij geen vragen of waren zij te verlegen om ze te stellen, dan stelden anderen van de groep vragen waarop men zich in het belang van de huisbewoners had voorbereid. Verschillende leden van de groep namen dan aan het beantwoorden deel. Op die manier deden allen mee aan het getuigeniswerk.
Tegen het eind van deze ondergrondse bedieningsactiviteit viel ik in handen van een Japanse patrouille die een overval op onze oerwoudschuilplaats deed. Als een gevaarlijk misdadiger werd ik door het oerwoud naar het Japanse hoofdkwartier in de stad gevoerd. Tot mijn vreugde bemerkte ik dat ik mijn zakbijbeltje bij mij had, het enige dat ik had kunnen meenemen. In het kamp werd ik via een tolk door de bevelvoerende Japanse officier streng verhoord. Aan de hand van de bijbel zette ik het neutrale standpunt van Jehovah’s getuigen uiteen en vertelde ik hoe wij als opgedragen dienaren van God loyaal zijn jegens Jehovah’s hemelse koninkrijksregering. Na een urenlang streng verhoor dat tot diep in de nacht duurde, werd ik tot mijn grote verbazing vrijgelaten! Snel keerde ik terug naar de innig geliefden in ons oerwoudtehuis, waar vurige gebeden en verdriet plaats maakten voor vreugdekreten en tranen van dankbaarheid jegens Jehovah voor zijn wonderbaarlijke daden van liefderijke goedheid.
NAOORLOGSE ACTIVITEIT
In 1945 kwamen de Amerikaanse bevrijdingstroepen, waarna de broeders naar hun respectieve woonplaatsen terugkeerden. Overal waar zij heen gingen, namen zij de nieuwe levenswijze die zij gedurende de oorlog met de anderen van Jehovah’s volk hadden geleerd, mee. Zo kwam het dat na de Japanse bezetting van de Filippijnen hier en daar gemeenten van Jehovah’s getuigen als paddestoelen uit de grond opschoten. Het aantal van 373 Getuigen vóór de oorlog was na de oorlog tot meer dan 2000 uitgegroeid.
Ik scheurde mij los van mijn geliefde broeders op Mindanao zodat ik contact kon opnemen met andere broeders en verslag kon uitbrengen aan het bijkantoor in Manila, waar ik tegen het eind van 1945 aankwam. In 1946 verrichtte ik districtswerk en in 1947 bezochten de president van het Genootschap, N. H. Knorr, en zijn secretaris, M. G. Henschel, de Filippijnen. Dat gedenkwaardige bezoek bleek voor het Koninkrijkswerk op de Filippijnen een mijlpaal te zijn, want spoedig hierna werden op Gilead opgeleide zendelingen aan het land toegewezen. Dit kenmerkte het begin van de snelle toename die in december 1963 reeds tot een aantal van 33.737 actieve verkondigers had geleid!
Met twee andere broeders van de Filippijnen kreeg ik in 1949 een uitnodiging voor de Gileadschool, waarna wij in 1950, op de „Uitbreiding der theocratie”-vergadering in het Yankee-stadion in New York, onze diploma’s ontvingen. Ik werd teruggezonden naar de Filippijnen. Met behulp van het Genootschap en andere liefdevolle broeders kon ik het jaar daarop de „Reine aanbidding”-congressen in Londen en Parijs bezoeken. In 1955 had ik het zeldzame voorrecht naar de „Zegevierende koninkrijks”-congressen te Los Angeles, New York, Londen, Parijs, Neurenberg, Berlijn en Den Haag te kunnen reizen, waarbij ik op weg naar huis ook nog andere broeders in Madrid, Rome, Beirut, Bangkok en Hongkong kon bezoeken.
In 1956 mochten wij weer de vreugde smaken van een bezoek van broeder Knorr, en in 1957 hadden wij de vice-president van het Genootschap, F. W. Franz, in ons midden. Voorts was ik in 1958 een van de eenentachtig afgevaardigden van de Filippijnen op die onvergetelijke internationale „Goddelijke wil”-vergadering in het Yankee-stadion en de Polo Grounds in New York. Tot onze grote vreugde en opwinding was Manila in 1963 een van de steden waar de grootse Rond-de-wereld-vergadering van Jehovah’s getuigen werd gehouden. Hoe dankbaar waren wij toen wij op de openbare lezing 37.806 personen bijeen zagen, hetgeen onze verwachtingen verre overtrof! Sedertdien heb ik door Jehovah’s onverdiende goedheid talloze kostbare dienstvoorrechten op het bijkantoor in Quezon City genoten.
Ja, het leven in Jehovah’s organisatie is onvergelijkelijk rijk! Al de vele zegeningen die mij ten deel zijn gevallen, heb ik te danken aan onze wonderbaarlijke God, Jehovah, en zijn loyale organisatie die op haar beurt zo rijkelijk onze liefde en loyaliteit verdient.
Indien ik weer tot mijn jeugd zou kunnen terugkeren, zou ik dezelfde beslissing willen nemen als eenendertig jaar geleden, alleen dan met nog grotere vastbeslotenheid — om Jehovah te zamen met zijn schitterende organisatie al mijn tijd loyaal te dienen.